Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX3612

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
HV 200.107.964
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing minderjarigen teneinde contact met vader op gang te brengen?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 31 juli 2012

Zaaknummers: HV 200.107.964/01 en HV 200.107.964/02

Zaaknummer eerste aanleg: 246254 / JE RK 12-669

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante en verzoekster in het incident,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S.C. Meijler,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming Eindhoven,

gevestigd te Eindhoven,

verweerder in de hoofdzaak en in het incident,

hierna te noemen: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 10 mei 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 juni 2012, heeft de moeder in het incident verzocht om voor de duur van de procedure in hoger beroep de tenuitvoerlegging van voormelde beschikking te schorsen althans de raad te bevelen de tenuitvoerlegging van deze beschikking op te schorten totdat in de appelprocedure onherroepelijk is beslist. De moeder heeft in de hoofdzaak verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarbij aan de stichting een machtiging is verleend om de hierna te noemen kinderen voor de duur van zes maanden in een voorziening voor verblijf pleegouders 24-uurs te plaatsen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 21 juni 2012, heeft Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de stichting) verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 juli 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Meijler;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer H. Werger;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw G.A.L.G. Vissers en mevrouw N.M.G. van Boekholdt (gezinsvoogd);

- de heer [Y.] (hierna: de vader).

2.3.1. Het hof heeft de minderjarigen [kind 1] en [kind 2.] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hiervan gebruik gemaakt en zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 21 maart en 18 april 2012 met aangehechte zittingsaantekeningen;

- de brief van de advocaat van de moeder d.d. 18 juni 2012 waarbij het procesdossier uit de eerste aanleg wordt overgelegd;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 28 en 29 juni 2012.

3. De beoordeling

in de hoofdzaak (HV 200.107.964/01)

3.1. Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader zijn geboren:

- [kind 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum] 1996;

- [kind 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum] 1998;

- [kind 3], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum] 2002;

- [kind 4], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum] 2002.

De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen.

3.2. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de kinderen met ingang van 10 mei 2012 voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld van de stichting en machtiging verleend tot plaatsing van de kinderen in een voorziening voor verblijf pleegouders 24-uurs voor de duur van zes maanden. De rechtbank heeft het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van 31 oktober 2012 en de raad en de stichting verzocht om uiterlijk twee weken voor die zitting aanvullende rapportage uit te brengen.

3.3. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

In grief I wordt erover geklaagd dat de rechtbank het mondelinge verzoek van de raad tot machtiging uithuisplaatsing, gedaan op de zitting van 21 maart 2012, in behandeling heeft genomen terwijl in strijd met artikel 1:261 BW een indicatiebesluit ontbrak. De moeder heeft nog altijd geen indicatiebesluit gezien.

In grief II wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte (i) het mondelinge verzoek van de raad in behandeling heeft genomen, (ii) moeder na indiening van het schriftelijke verzoek niet meer in de gelegenheid heeft gesteld om daarop te reageren maar (iii) wel kennis heeft genomen van daarna door de stichting toegezonden stukken, waarvan de moeder nooit een afschrift heeft ontvangen.

Grief III is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat de kinderen lijden aan het ouderverstotingssyndroom en dat de raad daarom een uithuisplaatsing heeft verzocht. De moeder voert aan dat de raad deze diagnose pas na de inhoudelijke behandeling op 18 april 2012 heeft gesteld, waarna de moeder niet meer de gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. De moeder voert een aantal bezwaren aan tegen de gestelde diagnose. De moeder brengt in dat verband een notitie van dr. E. Spruijt in het geding.

In grief IV wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er een spoedeisend belang bestaat bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beschikking, afgezet tegen de zeer vergaande (schadelijke) gevolgen voor de kinderen indien zij uit huis worden geplaatst. De moeder stelt zich onder meer op het standpunt dat een situatie zoals omschreven in artikel 1:261 lid 3 BW zich niet voordoet en dat het doel, het contact met de vader opbouwen vanuit een neutrale omgeving, met een uithuisplaatsing niet haalbaar lijkt.

Grief V is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank dat het haar zorgen baart dat de moeder niet onder ogen wil zien dat de kinderen ernstig in hun geestelijke ontwikkeling worden bedreigd en dat geen sprake is van enige contra-indicatie voor het herstellen van het contact tussen de kinderen en vader. Getuige het gedrag van de kinderen bestaan er wel degelijk contra-indicaties. De moeder voert verder - in het kort - aan dat volgens het omgangshuis en Apanta omgang op dit moment schadelijk is voor de kinderen, dat het advies van de raad, inhoudende dat huiselijk geweld niet als zwaarwegende factor meegewogen moet worden, heroverweging verdient en dat geen sprake is geweest van hoor en wederhoor.

Volgens de moeder in grief VI citeert de rechtbank zeer selectief uit de rapporten van Apanta en het omgangshuis. In geen van deze rapportages wordt aangegeven dat sprake is van een moeder die de kinderen tegen de vader opzet.

De moeder betoogt tot slot in grief VII dat volstrekt onduidelijk is waarop de rechtbank tot haar beslissing is gekomen. De moeder voert het volgende aan:

- er is geen onderzoek gedaan bij de kinderen, hun referenten of andere derden uit hun naaste omgeving;

- er is geen sprake van probleemgedrag bij de kinderen;

- de moeder staat omgang toe;

- de vader schrijft de kinderen nog in maart en april 2012 dat hij ze voorlopig met rust zal laten om vervolgens een verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen;

- het is de vader die emotionele druk op de kinderen legt;

- de vader heeft gedurende de echtscheidingsprocedure nooit blijk gegeven van enige bezorgdheid of interesse naar de kinderen toe;

- de kinderen zijn getuige geweest van drugsgerelateerde excessen en meerdere mishandelingen, welke de vader tijdens het eerste omgangscontact toegaf.

De slotsom is volgens de moeder dat omgang op dit moment niet in het belang van de kinderen is. Van een uithuisplaatsing kan daarom geen sprake zijn.

3.4. De raad voert ter zitting, kort samengevat, aan dat het hoger beroep moet worden afgewezen. De kinderen zitten volstrekt klem door de situatie die de ouders hebben gecreëerd. De noodzakelijke hulpverlening zal niet van de grond komen zolang de kinderen bij de moeder wonen, aldus de raad.

3.5. De stichting voert in het verweerschrift - kort samengevat - het volgende aan. Het is moeilijk om een passend pleeggezin voor de kinderen te vinden. In afwachting daarvan gaat de stichting bekijken welke ambulante hulpverlening ingezet kan worden. Deze moet zich richten op de relatie tussen ouders en op het begeleiden van de omgangsregeling. Totdat ambulante hulpverlening kan starten zal de gezinsvoogd met ouders in gesprek blijven over hun rol als ouders. Inmiddels is daarmee een start gemaakt. Ook is een begin gemaakt met het contact tussen de kinderen en de vader. De kinderen krijgen verder hulp vanuit Apanta om hen te ondersteunen in het uiten van hun emoties.

Ter zitting heeft de stichting aangegeven dat van de in de bestreden beschikking afgegeven machtiging geen gebruik zal worden gemaakt. Wel zal een nieuwe machtiging tot plaatsing van de kinderen in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs worden verzocht. De kinderen hebben volgens de stichting pas kans op contact met de vader als ze uit huis worden geplaatst.

3.6. De vader voert ter zitting aan dat, hoewel hij zich ernstig zorgen maakt om de situatie en verbetering wil zien, hij niet kan zeggen dat een uithuisplaatsing de juiste oplossing is.

3.7. Het hoger beroep is niet gericht tegen de ondertoezichtstelling doch uitsluitend tegen de machtiging tot uithuisplaatsing.

De raad en de stichting hebben ter zitting aangegeven dat van de onderhavige machtiging geen gebruik zal worden gemaakt. Mede omdat zij tegelijk hebben aangegeven nog steeds op een uithuisplaatsing in te zetten, waartoe een nieuwe machtiging zal worden verzocht, zal het hof de zaak toch inhoudelijk beoordelen. Het hof zal daarbij de meer processuele grieven van de moeder - ten aanzien van het ontbreken van een indicatiebesluit en de manier waarop het verzoek door de raad is gedaan en door de rechtbank is behandeld - buiten beschouwing laten.

3.8.1. Op grond van artikel 1:261 lid 1 BW kan de rechter een machtiging verlenen om een minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.8.2. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is en overweegt daartoe het volgende.

3.8.3. In deze zaak staat het volgende vast. De echtscheidingsprocedure tussen de ouders is voor de kinderen op een vervelende manier verlopen. Zij zitten klem tussen de ouders en hebben sinds mei 2009 niet of nauwelijks omgang met de vader gehad. Zij hebben een uiterst negatief beeld van hun vader. Hoewel de kinderen geen gedragsproblemen vertonen en het op school goed met ze gaat, worden naar het oordeel van het hof de kinderen hierdoor ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Het hof is wel van oordeel dat de rechtbank niet op basis van de in eerste aanleg voorhanden stukken, de ingenomen stellingen en het verhandelde ter zitting heeft kunnen vaststellen dat bij de kinderen sprake is van het ouderverstotingssyndroom. Er is immers geen specifiek onderzoek verricht naar de vraag of de kinderen aan dit - vooralsnog niet officieel erkende - syndroom lijden. Bovendien wordt in de voorhanden zijnde rapportages hier op geen enkele wijze melding van gemaakt.

3.8.4. In de afgelopen jaren zijn verschillende middelen ingezet om het beeld dat de kinderen van vader hebben bij te stellen, het contact tussen hen weer op gang te brengen en de ouders met elkaar in gesprek te brengen over hun rol als ouder. Gebleken is echter dat, ondanks de veelvuldige inzet vanuit de hulpverlening, dit niet of nauwelijks tot verbetering heeft geleid. Zowel de raad als de stichting schatten in dat een ondertoezichtstelling alleen onvoldoende mogelijkheden biedt om daarin verandering te brengen. Zij voeren aan dat de hulpverlening die de kinderen nodig hebben niet van de grond kan komen zolang de kinderen bij de moeder verblijven.

3.8.5. Het hof is van oordeel dat eerst de binnen het kader van een ondertoezichtstelling aanwezige mogelijkheden van (gedwongen) hulpverlening moeten worden benut alvorens beoordeeld kan worden of met een maatregel van uithuisplaatsing de bovenbedoelde bedreiging van de kinderen kan worden weggenomen. Ook als deze ambulante hulpverlening mocht falen - hetgeen thans nog niet te zeggen is omdat de ondertoezichtstelling nog maar net is aangevangen -, zal moeten worden bezien of met een daadwerkelijke uithuisplaatsing, die voor de kinderen betekent dat zij in deze voor hen toch al uiterst moeilijke situatie - waarvan hun geen enkel verwijt kan worden gemaakt - ook nog uit hun vertrouwde omgeving worden gehaald en mogelijk zelfs elkaars steun zullen moeten missen, het uiteindelijke doel, te weten dat de kinderen het beeld dat zij nu van hun vader hebben zullen wijzigen en dat het contact met hem hersteld kan worden, behaald zal kunnen worden.

3.8.5. Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd en dat het verzoek van de raad ter zake de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen alsnog zal worden afgewezen.

in het incident (HV 200.107.964/02)

3.9. De moeder heeft in het incident verzocht om de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking te schorsen in afwachting van de uitspraak in hoger beroep. Nu het hof direct uitspraak doet in de hoofdzaak, heeft de moeder geen belang bij haar incidenteel verzoek. Dit verzoek zal dan ook worden afgewezen.

4. De beslissing

Het hof:

in de hoofdzaak (HV 200.107.964/01)

vernietigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 10 mei 2012 voor zover daarbij machtiging is verleend tot plaatsing van de kinderen in een voorziening voor verblijf pleegouders 24-uurs voor de duur van zes maanden en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het inleidend verzoek van de raad ter zake van de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen;

in het incident (HV 200.107.964/02)

wijst het verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.C. Koens, C.D.M. Lamers en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2012.