Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX3604

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
HV 200.089.723
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijke in door hem gestelde appel tegen tussentijdse beëindiging WSNP. Verwijtbaar niet nakomen (aanvullende) sollicitatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 10 juli 2012

Zaaknummer: HV 200.089.723/01

Zaaknummers eerste aanleg: 10/88 R en 10/89 R

in de zaak in hoger beroep van:

1. Hendrikus Cornelis Rongen (Mozaiek Bewindvoeringen BV),

gevestigd te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

appellant,

hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder,

2. [X.],

3. [Y.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [appellant sub 2] respectievelijk [appellante sub 3],

advocaat: mr. J.H. Smeets.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht van 21 juni 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met productie, ingekomen ter griffie op 29 juni 2011, hebben appellanten ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de voordracht van de rechter-commissaris tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling met gelijktijdige faillietverklaring van appellanten af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2011.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant sub 2] en [appellante sub 3], bijgestaan door mr. Smeets;

- mevrouw drs. E.P.P.H.M. Herens, hierna te noemen: de bewindvoerder.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2012.

Bij die gelegenheid zijn [appellant sub 2] en [appellante sub 3], bijgestaan door mr. Smeets, en de bewindvoerder wederom gehoord.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 14 juni 2011;

- de brieven met bijlagen van de bewindvoerder van respectievelijk 20 september 2011 en 10 oktober 2011;

- het verkort proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting van dit hof van 17 oktober 2011;

- de brief van de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] d.d. 26 september 2011;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] d.d. 29 november 2011;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] d.d. 1 december 2011;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] d.d. 29 november 2011;

- de brief met bijlage van de bewindvoerder d.d. 8 februari 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] d.d. 28 februari 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] d.d. 1 maart 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] d.d. 23 mei 2012;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder, ingekomen ter griffie op 13 juni 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] d.d. 14 juni 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] d.d. 28 juni 2012.

3. De beoordeling

3.1. Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die zowel aan [appellant sub 2] als [appellante sub 3] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld. Uit het beroepschrift blijkt dat de heer Hendrikus Cornelis Rongen (Mozaïek Bewindvoeringen BV) in zijn hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder instemt met het hoger beroep dat [appellant sub 2] en [appellante sub 3] hebben ingesteld, zodat [appellant sub 2] en [appellante sub 3] in zoverre ontvankelijk zijn in het hoger beroep.

3.2. Bij vonnis van 16 maart 2010 is ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) ten aanzien van beide appellanten de toepassing van de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris d.d. 2 mei 2011 beëindigd, nu [appellant sub 2] en [appellante sub 3] een of meer van hun uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomen of door hun doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmeren of frustreren.

Bij het ontbreken van voldoende baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling ten aanzien van beide appellanten door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.4. [appellant sub 2] en [appellante sub 3] hebben in hun beroepschrift - kort samengevat - aangevoerd, dat zij bestrijden dat zij niet voldoen aan hun sollicitatieplicht en geen mededeling doen aan de wsnp-bewindvoerder. Tijdens de zitting van de rechtbank hebben zij al bewijsstukken overgelegd waaruit dit blijkt. Ook over de periode van vóór maart 2011 hebben zij stukken overgelegd, hetgeen de bewindvoerder tijdens de zitting ook heeft bevestigd.

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat de sollicitatiebrieven van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] niet serieus genomen konden worden en hen heeft voorgehouden een sollicitatietraining te kunnen volgen, hebben zij terstond aan deze aanbeveling gevolg gegeven. Thans zijn zij doende om hetzij via Maatschappelijk werk, hetzij via een andere organisatie hulp te krijgen hoe te solliciteren. Verder hebben [appellant sub 2] en [appellante sub 3] zich bij verschillende uitzendbureaus ingeschreven en zij lopen daar wekelijks binnen om te informeren naar vacatures.

[appellant sub 2] en [appellante sub 3] solliciteren voornamelijk via internet. Via een automatisch antwoord komt de bevestiging zowel naar hen als naar de WSNP-bewindvoerder.

Ten aanzien van de informatieplicht stellen [appellant sub 2] en [appellante sub 3] dat alle relevante gegevens met betrekking tot hun financiële situatie iedere drie maanden door de beschermingsbewindvoerder worden verstuurd. De WNSP-bewindvoerder beschikt derhalve over alle informatie over de inkomsten en vaste lasten.

Andere wijzigingen in de persoonlijke sfeer hebben zich niet voorgedaan.

[appellant sub 2] ontvangt een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Een herkeuring heeft niet plaatsgevonden. Zijn pogingen om contact op te nemen met het UWV hebben tot op heden geen duidelijkheid opgeleverd. [appellant sub 2] is van mening al het mogelijke te hebben gedaan om op korte termijn een afspraak te krijgen voor een herkeuring.

3.5. De bewindvoerder heeft in haar brieven van 10 oktober 2011 en 8 februari 2012 en ter zitting van 17 oktober 2011 en 25 juni 2012 haar verzoek om de schuldsaneringsregeling van beide appellanten tussentijds te beëindigen, gemotiveerd gehandhaafd.

3.6. Ter zitting van 17 oktober 2011 heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden in afwachting van de uitkomst van de herkeuring van [appellant sub 2] door het UWV en de mate van arbeids(on)geschiktheid in de periode voorafgaand aan het ingestelde hoger beroep, terwijl [appellante sub 3] medische gegevens diende over te leggen waaruit blijkt dat zij niet in staat was en is om fulltime (tenminste 36 uur per week) te werken.

Bij brief van 1 december 2011 heeft de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] de door het hof verzochte bescheiden toegezonden.

3.7. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

De ontvankelijkheid

3.8. Zoals uit de inhoud van de processtukken blijkt heeft de beschermingsbewindvoerder samen met [appellant sub 2] en [appellante sub 3] hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank d.d. 21 juni 2011, waarbij de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] tussentijds is beëindigd.

3.8.1. In het onlangs op 25 mei 2012 door de Hoge Raad gewezen arrest (LJN: BV4010) is evenwel overwogen dat het indienen van een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken niet behoort tot de in art. 1:441 BW bedoelde taak van de beschermingsbewindvoerder, zodat die de schuldenaar niet in rechte vertegenwoordigt bij de indiening van het verzoek. Voorts is door de Hoge Raad overwogen dat ditzelfde geldt voor het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de afwijzing van een dergelijk verzoek.

3.8.2. Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof, genoemde uitspraak van de Hoge Raad volgend, tot de slotsom dat de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank van 21 juni 2011, waarbij de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] tussentijds is beëindigd.

De inhoudelijke beoordeling

3.9. Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, thans te beoordelen of er bij [appellant sub 2] en [appellante sub 3], in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door hun doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

3.10. Uit de inhoud van de brief van het UWV d.d. 28 november 2011 (productie 11, brief van de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3]) is het hof gebleken dat volgens de arts de medische situatie van [appellant sub 2] overeenkomt met de medische situatie, zoals deze is beschreven in de medische rapportage van 29 november 2007 van de verzekeringsgeneeskundige. De vraag of in de afgelopen drie jaar sprake van een ernstige langdurige verslechtering is geweest, zoals door [appellant sub 2] is aangevoerd, is door de arts ontkennend beantwoord. Naar het oordeel van de arts is [appellant sub 2] dan ook nog steeds belastbaar conform de functionele, inmiddels geactualiseerde, mogelijkhedenlijst van 29 november 2007. Tegen deze beslissing heeft [appellant sub 2] op 9 januari 2012 weliswaar een bezwaarschrift ingediend (productie 17, brief van de advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] d.d. 1 maart 2012), doch dit bezwaar is bij beslissing van het UWV van 11 april 2012 ongegrond verklaard (productie 18, brief advocaat van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] d.d. 23 mei 2012).

3.10.1. Dat betekent dat de (vooronder-)stelling van [appellant sub 2] dat zijn gezondheid zodanig is verslechterd dat hij niet in staat was noch in staat is om inkomsten uit arbeid te verwerven ten behoeve van de boedel, ten onrechte is geweest. Het arbeidsgeschiktheidspercentage van [appellant sub 2] is sedert 29 november 2007 immers onverminderd op 15-25% gebleven. Dit betekent, met het oog op de schuldsaneringsregeling in het algemeen en de aanhouding van de behandeling van de zaak op 17 oktober 2011 in het bijzonder, dat [appellant sub 2] er niet op basis van de herkeuring van het UWV in is geslaagd om voldoende aannemelijk te maken dat hij al vanaf de datum waarop de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing werd verklaard, dat is 16 maart 2010, op medische gronden, niet in staat was om de gewenste arbeid te verrichten, omdat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage - aanzienlijk - hoger dan 15-25% zou zijn. Dit betekent dat, mede nu hij verschillende keren op zijn sollicitatieplicht door de bewindvoerder is gewezen, [appellant sub 2] van het niet of niet volledig dan wel het op onjuiste wijze nakomen van zijn (aanvullende) sollicitatieverplichting een verwijt kan worden gemaakt, waarbij nog komt dat, zoals eerder de rechtbank in het bestreden vonnis op goede gronden heeft overwogen welke gronden het hof overneemt en tot de zijne maakt, de sollicitatieplicht vanaf de eerste dag van de schuldsaneringsregeling door [appellant sub 2] niet serieus is genomen; het hof is in het kader van de eerste mondeling behandeling op 17 oktober 2011 ook op deze kwestie ingegaan, mede naar aanleiding waarvan [appellant sub 2] en [appellante sub 3] zich toen tevens op medische beperkingen beriepen. Zelfs al zou kunnen worden geconstateerd dat blijkens de bij brieven van respectievelijk 29 november 2011, 28 februari 2012 en 14 juni 2012 overgelegde sollicitatiebrieven, er sinds de eerste mondelinge behandeling van 17 oktober 2011 sprake is van enige verbetering in de sollicitatiepogingen, dan nog kan zulks niet verhullen dat [appellant sub 2] vanaf de aanvang gedurende een relatief lange periode niet, althans onvoldoende heeft voldaan aan de aan hem opgelegde (aanvullende) sollicitatieverplichting, ofschoon hij gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling zowel door de rechter-commissaris als de bewindvoerder herhaaldelijk op deze uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichting is gewezen. Dit verwijtbare nalaten vormt reeds voldoende grond om de schuldsaneringsregeling van [appellant sub 2] tussentijds te beëindigen. Met betrekking tot de blijkens bij brieven van respectievelijk 29 november 2011, 28 februari 2012 en 14 juni 2012 overgelegde sollicitatiebrieven, merkt het hof overigens nog op, dat een aantal sollicitatiebrieven reeds in een eerder stadium aan dit hof is toegestuurd en dat een nadere rubricering met toelichting op de sollicitatiebrieven ontbreekt, hetgeen ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad in beginsel voor risico en rekening van [appellant sub 2] dient te komen; de bewindvoerder vroeg eerder al de sollicitaties te bundelen.

3.10.2. Het vorenstaande geldt min of meer ook ten aanzien van [appellante sub 3]. Ook zij diende, zoals in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 oktober 2011 valt te lezen, medische gegevens te overleggen waaruit zou kunnen blijken dat, zoals door haar eerder ter zitting in hoger beroep is gesteld, zij niet in staat was en is om fulltime (tenminste 36 uur per week) te werken.

Het hof stelt vast dat de advocaat van [appellante sub 3] bij brief van 28 juni 2012 een overzicht van de medicatie en probleemlijst van de huisarts van [appellante sub 3] d.d. 27 oktober 2011 heeft overgelegd, waarin valt te lezen dat [appellante sub 3] sinds 17 oktober 2010 Seroxat krijgt voorgeschreven tegen depressiviteit. Het hof is van oordeel dat [appellante sub 3] daarmee echter niet heeft aangetoond dan wel op andere wijze voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanaf de aanvang van de schuldsaneringsregeling niet in staat zou zijn fulltime te werken, hetgeen zij na de eerste mondelinge behandeling in hoger beroep op 17 oktober 2011 nu juist diende aan te tonen. De enkele omstandigheid dat [appellante sub 3] Seroxat krijgt voorgeschreven rechtvaardigt die conclusie in elk geval niet.

Verder stelt het hof vast dat [appellante sub 3] tot en met december 2011 100 uren per maand heeft gewerkt, hetgeen minder is dan waartoe [appellante sub 3] krachtens de schuldsaneringsregeling is gehouden (zie ook artikel 3.5. van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen). Bij brief van 1 december 2011 heeft de advocaat weliswaar bericht dat [appellante sub 3] een tweede baan zou krijgen voor 10 uren week, doch niet gebleken is dat [appellante sub 3] daadwerkelijk een arbeidscontract heeft verkregen, althans daarvan zijn geen verificatoire bescheiden in het geding gebracht. [appellante sub 3] heeft derhalve niet voldoende aannemelijk weten te maken dat zij op medische gronden niet in staat is meer arbeid te verrichten dan zij thans kennelijk heeft gedaan. Dit betekent dat, mede nu zij verschillende keren op haar sollicitatieplicht door de bewindvoerder is gewezen, [appellante sub 3] van het niet of niet volledig dan wel het op onjuiste wijze nakomen van haar (aanvullende) sollicitatieverplichting een verwijt kan worden gemaakt, waarbij nog komt dat, zoals eerder de rechtbank in het bestreden vonnis op goede gronden heeft overwogen welke gronden het hof overneemt en tot de zijne maakt, de (aanvullende) sollicitatieplicht vanaf de eerste dag van de schuldsaneringsregeling door [appellante sub 3] niet serieus is genomen; het hof is in het kader van de eerste mondeling behandeling op 17 oktober 2011 ook op deze kwestie ingegaan, mede naar aanleiding waarvan [appellant sub 2] en [appellante sub 3] zich ook op medische beperkingen beriepen. Zelfs al zou kunnen worden geconstateerd dat blijkens de bij brieven van respectievelijk 29 november 2011, 28 februari 2012 en 14 juni 2012 overgelegde sollicitatiebrieven, er sinds de eerste mondelinge behandeling van 17 oktober 2011 sprake is van enige verbetering in de sollicitatiepogingen, dan nog kan zulks niet verhullen dat [appellante sub 3] vanaf de aanvang gedurende een relatief lange periode niet, althans onvoldoende heeft voldaan aan de aan haar opgelegde (aanvullende) sollicitatieverplichting, ofschoon zij gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling zowel door de rechter-commissaris als de bewindvoerder herhaaldelijk op deze uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichting is gewezen. Dit verwijtbare nalaten vormt reeds voldoende grond om de schuldsaneringsregeling van [appellante sub 3] tussentijds te beëindigen. Met betrekking tot de blijkens de bij brieven van respectievelijk 29 november 2011, 28 februari 2012 en 14 juni 2012 overgelegde sollicitatiebrieven, merkt het hof overigens op dat een aantal sollicitatiebrieven reeds in een eerder stadium aan dit hof zijn toegestuurd en dat een nadere rubricering met toelichting op de sollicitatiebrieven ontbreekt, hetgeen ingevolge de rechtspraak van de Hoge Raad in beginsel voor risico en rekening van [appellante sub 3] dient te komen; de bewindvoerder vroeg eerder al de sollicitaties te bundelen.

3.10.3. Nu in het geval van zowel [appellant sub 2] als [appellante sub 3] het gedurende relatief lange tijd verwijtbaar niet voldoen aan de (aanvullende) sollicitatieplicht, een kernverplichting van de wettelijke schuldsaneringsregeling, voldoende grond vormt om reeds daarom de schuldsaneringsregeling van deze beide sanieten te beëindigen, behoeven de overige, met andere beëindigingsgronden samenhangende grieven, hier verder geen bespreking meer.

3.11. Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant sub 2] en [appellante sub 3] tussentijds beëindigd dient te worden.

3.12. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4. De uitspraak

Het hof:

- in het appel van Hendrikus Cornelis Rongen (Mozaiek Bewindvoeringen BV):

verklaart hem niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde beroep;

- in het appel van [appellant sub 2] en [appellante sub 3]:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, E.L. Schaafsma-Beversluis en A.J. Coster en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2012.