Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX3601

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-06-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
HV 200.080.330
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepassing hardheidsclausule in situatie waar relatie feitelijk en juridisch is verbroken.

Objectiveerbare maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 10 juli 2012

Zaaknummer: HV 200.080.330/01

Zaaknummer eerste aanleg: 220689/FT-RK 10.1616

in de zaak in hoger beroep van:

[X.]

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. L.G.A.A. de Hondt-Buijs (voorheen: mr. A. van Diesen).

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 januari 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 januari 2011, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en haar alsnog toe te laten tot de wettelijke schuldsanering.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011.

Bij die gelegenheid is [appellante] gehoord, bijgestaan door mr. A. van Diessen. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgesteld, dat aan betrokkene(n) is toegezonden.

2.3. De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 juli 2012.

Bij die gelegenheid is [appellante] gehoord, bijgestaan door mr. I.J.A.M. Lindhoud, waarnemend namens mr. De Hondt-Buijs

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 31 december 2010;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante], ingekomen ter griffie op 13 januari 2011;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 23 maart 2011;

- de brief van de advocaat van [appellante] d.d. 21 december 2011;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] 21 maart 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van 13 juni 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van 20 juni 2012.

3. De beoordeling

3.1. [appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) d.d. 7 oktober 2010 blijkt van een geschatte schuldenlast € 33.149,41. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat het schuldenpakket niet was vast te stellen.

3.2. Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

Voor wat betreft de stellingen van [appellante] verwijst het hof naar de inhoud van het door haar ingediende beroepschrift.

3.3. De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011.

Bij die gelegenheid heeft [appellante] haar verzoek aangevuld, in die zin dat zij heeft verzocht om toepassing van de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw mocht het hof tot het oordeel komen dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest.

Blijkens de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 23 maart 2011, heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden teneinde [appellante] in de gelegenheid te stellen alsnog een minnelijke regeling te treffen met haar schuldeisers en, mocht blijken dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, de stukken over te leggen, zoals opgenomen in bedoeld proces-verbaal.

3.4. Bij brief van 13 juni 2012 heeft de advocaat van [appellante] een nieuwe verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) overgelegd, waaruit blijkt dat per 5 maart 2012 sprake is van een totale schuldenlast van [appellante] van € 41.297,82. Daaronder bevinden zich een schuld aan de SNS-bank van € 5.825,13, een schuld aan Domein van € 4.509,22 en een schuld aan de belastingdienst van € 7.271,--. Een minnelijke regeling is, hoewel daartoe serieus pogingen zijn ondernomen, uiteindelijk mislukt, doordat de schuldeisers uiteindelijk niet allemaal akkoord met [appellante] aanbod zijn gegaan.

3.4.1. Bij brief van 20 juni 2012 heeft [appellante] daarnaast onder meer stukken overgelegd met betrekking tot haar sollicitatieactiviteiten alsook stukken ten aanzien van een tweetal betalingsregelingen met de gemeente [woonplaats] en het CJIB. Eerder, namelijk bij brief van 21 maart 2012, had [appellante] ook al een overzicht van de tot dan door haar gedane sollicitaties in het geding gebracht als uitvloeisel van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep d.d. 23 maart 2011.

3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.5.2. Op grond van de inhoud van de processtukken en uit hetgeen ter zitting door en namens [appellante] naar voren is gebracht is het hof van oordeel dat weliswaar onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest, doch thans is wel aantoonbaar gebleken dat [appellante] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen (artikel 288 lid 3 Fw). Deze zogenoemde hardheidsclausule kan het hof toepassen, indien de gedingstukken daartoe de nodige gegevens en documenten bevatten. Daarvan is naar het oordeel van het hof in het geval van [appellante] sprake.

3.5.3. Het hof stelt op grond van de gedingstukken, zoals toegelicht tijdens de beide mondelinge behandelingen in hoger beroep, vast dat [appellante] een affectieve relatie heeft gehad met de heer [ex-echtgenoot], met wie zij op 9 juli 2005 in gemeenschap van goederen is gehuwd. Deze relatie, waaruit twee kinderen van thans 6 en 5 jaar zijn geboren, kenmerkte zich door emotioneel en dreigend fysiek geweld zijdens [ex-echtgenoot], mede als gevolg van diens verslaving aan cocaïne. Deze cocaïne-verslaving was er mede debet aan dat er steeds meer schulden ontstonden waarvan [appellante] pas later weet kreeg. Op dat moment overwoog zij om de relatie met [ex-echtgenoot] te verbreken, doch zij bleek emotioneel en fysiek niet tegen hem opgewassen. Toen zich echter een passende gelegenheid voordeed, namelijk het moment dat [ex-echtgenoot] plotsklaps en vervolgens voor langere tijd naar een voor [appellante] onbestemde bestemming was vertrokken, heeft zij uiteindelijk de kracht gevonden om zich van [ex-echtgenoot] ook juridisch los te maken, mede opdat zij formeel niet langer aansprakelijk kon worden gesteld voor door [ex-echtgenoot] gemaakte schulden waarvan [appellante] geen weet had. In dit verband wijst het hof op het volgende.

3.5.3.1. In de eerste plaats heeft in maart 2010, enkele maanden nadat [ex-echtgenoot] met onbekende bestemming schielijk de echtelijke woning had verlaten, [appellante] de rechter verzocht om tussen [ex-echtgenoot] en haar de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap op te heffen, welk verzoek ook is toegewezen.

In de tweede plaats heeft [appellante] de rechter vervolgens verzocht het huwelijk tussen [ex-echtgenoot] en haar te ontbinden, welke ontbinding op 6 mei 2011 een feit is geworden met de inschrijving op die datum van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellante] desgevraagd verklaard dat zij, behoudens een summier telefoongesprek, thans geen enkel contact meer heeft noch wil hebben met [ex-echtgenoot].

In de derde plaats blijkt dat [appellante], mede teneinde haar ervaringen met [ex-echtgenoot] goed te kunnen verwerken en haar daardoor weerbaarder te maken, hulp heeft gekregen van professionele instanties, van welke hulp zij, zoals althans de mondelinge behandeling in hoger beroep is gebleken, baat heeft.

Dit alles maakt naar het oordeel van het hof dat uit door [appellante] getroffen objectiveerbare maatregelen blijkt dat zij de omstandigheden die bepalend waren voor het ontstaan en/of onbetaald laten van de schulden, onder controle heeft gekregen. Doordat zij met [ex-echtgenoot] formeel en (nagenoeg ook) feitelijk heeft gebroken, geldt thans niet het risico dat [appellante] gedurende of na afloop van de schuldsaneringsregeling terugvalt in oude fouten en opnieuw in een problematische schuldsituatie geraakt (vgl. de conclusie van A-G Timmerman vóór Hoge Raad 27 april 2012, LJN: BW4208). Daarbij betrekt het hof tevens dat [appellante] vanaf de datum van het bij de rechtbank ingediende verzoekschrift geen nieuwe schulden heeft doen laten ontstaan en dat zij zelfs zelfstandig twee betalingsregelingen getroffen met respectievelijk het CJIB en de gemeente [woonplaats].

3.6. Verder is het hof gebleken dat [appellante] zich voldoende inspant om betaalde arbeid te vinden. Het hof verwijst in dat verband naar de overgelegde brief met bijlagen van de gemeente [woonplaats] d.d. 23 november 2011 (bijlage 6 bij brief van 21 maart 2012), waaruit blijkt dat [appellante] over de periode van 8 september 2011 tot 11 januari 2012 heeft deelgenomen aan een re-integratietraject met als doel het verkrijgen van reguliere arbeid.

Het hof verwijst voorts naar de bij brief van 21 maart 2012 en 20 juni 2012 overgelegde sollicitatiebrieven, waaruit valt op te maken dat [appellante] actief en gericht solliciteert naar open én bestaande vacatures en waarbij het hof niet onvermeld wenst te laten dat de inhoud van de door [appellante] opgestelde sollicitatiebrieven met bijbehorend CV van goede kwaliteit zijn.

Uit de zojuist weergegeven feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof genoegzaam gebleken dat [appellante] zeer gemotiveerd is om, met het oog op de belangen van haar crediteuren, daadwerkelijk betaalde arbeid voor tenminste 36 uur per week te vinden en vervolgens ook te behouden.

Gelet op de opstelling van [appellante], zoals die ter zitting in hoger beroep is gebleken, heeft het hof het vertrouwen dat [appellante] alle aan haar opgelegde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen voortdurend en naar behoren zal nakomen.

3.7. Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat het verzoek van [appellante] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alsnog zal worden toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [X.], wonende te [postcode] [woonplaats], aan de [straatnaam] [huisnummer];

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder;

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, E.K. Veldhuijzen van Zanten en F.J.M. Walstock en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2012.