Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX3139

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
31-07-2012
Zaaknummer
HD 200.055.919 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koopovereenkomst? afgebroken onderhandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.055.919

arrest van de zesde kamer van 24 juli 2012

in de zaak van

1. [X.],

wonende te [woonplaats],

2. [Y.],

wonende te [woonplaats],

3. [Z.],

gevestigd te [vestigingsplaats]

appellanten in principaal appel,

geïntimeerden in incidenteel appel,

advocaat: mr. J. van Boekel,

tegen:

[A.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. J.J. Bronsveld,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 oktober 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaak-/rolnummer 201040/HA ZA 09-430 gewezen vonnis van 28 oktober 2009.

6. Het tussenarrest van 25 oktober 2011

Bij genoemd arrest heeft het hof aan [geïntimeerde] een bewijsopdracht gegeven en is iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het verdere verloop van de procedure

7.1.Ter uitvoering van de bewijsopdracht in het tussenarrest heeft [geïntimeerde] op 12 januari 2012 één getuige doen horen. [appellanten] heeft afgezien van een contra-enquête.

7.2. [geïntimeerde] heeft een memorie na enquête met producties (hierna: [memorie van enquête A.]) genomen. Daarna heeft [appellanten] een memorie na enquête (hierna: [memorie van enquête X,Y,Z.].) genomen.

7.3. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

8.1. Bij bovengenoemd tussenarrest (hierna: het tussenarrest) is [geïntimeerde] toegelaten te bewijzen dat tussen hem en [appellanten] een overeenkomst tot stand is gekomen, die inhoudt dat [appellanten] aan [geïntimeerde] de activa van de vof, althans het grootste deel daarvan, verkoopt tegen een koopprijs van € 70.000,-- en waarbij als overdrachtsdatum 16 juli 2008 of 1 september 2008 is overeengekomen.

8.2. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeerde] niet in het hem opgedragen bewijs geslaagd. Dit oordeel berust op de volgende overwegingen (8.3. tot en met 8.6.).

8.3. [geïntimeerde] heeft als getuige doen horen [B.] (hierna: [B.]). [B.] heeft als vrijwilliger voor de organisatie Emplooi [geïntimeerde] ondersteund bij het zoeken naar betaald werk. Ten aanzien van (de rol van) [B.] is sprake van de volgende als onbetwist vaststaande feiten. [B.] is aanwezig geweest bij gesprekken in de periode november 2007 tot en met juli 2008 in verband met de mogelijke overname van [geïntimeerde] van (het grootste deel van) de activa van de vof. Op 4 juli 2008 heeft een bespreking plaatsgevonden waarbij [appellant 1], [geïntimeerde] en [B.] aanwezig waren. Dit was de bespreking waarin [appellant 1] heeft meegedeeld niet tot verkoop van de activa van de vof aan [geïntimeerde] te willen overgaan.

8.4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat over de koopprijs van € 70.000,-- voor de activa van de vof overeenstemming bestond. Op grond van de getuigenverklaring van [B.] is echter aannemelijk geworden dat er ten aanzien van andere wezenlijke punten nog geen overeenstemming was bereikt en dat er sprake was van omstandigheden die aan het bereiken van die overeenstemming in de weg stonden.

8.4.2. Zo verklaart getuige [B.] onder meer: “(…)Wij hebben toen onder andere besproken dat de koopovereenkomst gelijktijdig zou dienen te worden ondertekend op het moment van ondertekening van de huurovereenkomst tussen de heer [geïntimeerde] (Hof: dit is de voornaam van [geïntimeerde]) en de verhuurder van het pand waarin de zaak werd uitgeoefend. Een huurovereenkomst was immers cruciaal. (…) Daarna heb ik een tweede versie van het conceptkoopcontract gemaakt. Omdat er enige vertraging was ontstaan, onder meer omdat de overname van het huurcontract (…) nog niet geregeld was (de heer [appellant 1] had dit op zich genomen), is in plaats van streefdatum 16 juli gekozen voor streefdatum

1 september 2008. Dit tweede concept is nooit inhoudelijk tussen partijen besproken. (…)De bespreking van 4 juli 2008 was in onderling overleg afgesproken en was bedoeld om het tweede concept door te nemen. Zaken die nog hingen zouden worden besproken, waaronder het overzetten van het huurcontract. Dit verliep blijkbaar moeizaam om voor ons onduidelijke redenen.(…)Het punt van het eventueel als adviseur verbonden verblijven van de heer [appellant 1], was een initiatief van de heer [geïntimeerde].(…) Dit, omdat in eerdere gesprekken door de heer [appellant 1] probleempjes werden genoemd. Deze gingen niet over de competenties van de heer [geïntimeerde] maar het was niet zo makkelijk onderhandelen met de heer [appellant 1].(…)”

Zowel uit de eigen stellingen van [geïntimeerde] als uit de verklaring van [B.] blijkt dat het van groot belang werd geacht dat [geïntimeerde] het pand waarin de schoenmakerij werd uitgeoefend zou kunnen gaan huren. Dit was nog niet geregeld en verliep moeizaam. [geïntimeerde] was daarvan op de hoogte.

Zoals [geïntimeerde] tijdens de comparitie van partijen van 24 juli 2009 naar voren heeft gebracht, was voor het door [geïntimeerde] kunnen overnemen van het huurcontract bovendien vereist dat hij beschikte over een financiering. Hoewel [geïntimeerde] meermaals ter onderbouwing van het bestaan van de te bewijzen koopovereenkomst aanvoert dat hij (ten tijde van het afbreken van de onderhandelingen door [appellant 1] op 4 juli 2008) de financiering al rond had, wordt dit niet ondersteund door de verklaring van [B.] en de overgelegde stukken. [B.] verklaart slechts dat de bank in januari 2008, voordat [appellanten] in februari 2008 voor de eerste keer had meegedeeld niet verder te willen onderhandelen, had laten weten dat zij bereid was tot financiering. Dit is ook in overeenstemming met de overgelegde brief van ABN AMRO Bank van 8 juni 2009 (productie 2 bij [memorie na enquête A.]). Hierin schrijft de bank dat zij eind januari 2008 een rekening-courant faciliteit van € 75.000,-- aan [geïntimeerde] kon aanbieden voor de overname. Tevens schrijft de bank dat zij door het niet doorgaan van de koop geen offerte heeft kunnen aanbieden. Van een nadien alsnog tot stand gekomen financiering spreekt de bank niet en stukken ter onderbouwing hiervan zijn evenmin overgelegd. Tijdens de comparitie van partijen van 24 juli 2009 heeft [geïntimeerde] verklaard dat hij op dat moment nog in contact was met de bank over financiering maar dat hij daarvoor gegevens van [appellant 1] over 2008 nodig had. Gelet op het voorgaande, wordt dan ook als vaststaand aangenomen dat er ten tijde van het afbreken van de onderhandelingen geen sprake was van een bestaande financiering.

Voorts waren er kennelijk door [appellant 1] in eerdere gesprekken dusdanige bezwaren in verband met de overname van de schoenmakerij geuit, dat [geïntimeerde] voorstelde dat [appellant 1] als adviseur aan de schoenmakerij verbonden zou blijven. Dit sluit aan bij het standpunt van [appellanten] dat de door [geïntimeerde] van 6 mei tot 1 juli 2008 gelopen stage in de schoenmakerij niet naar tevredenheid verliep, waardoor [appellanten] er niet meer op vertrouwde dat [geïntimeerde] de schoenmakerij zelfstandig kon overnemen. Kennelijk was er in elk geval aan de kant van [appellanten] sprake van gebrek aan vertrouwen in de capaciteiten van [geïntimeerde].

Ook volgt uit de verklaring van [B.] dat er nog geen overeenstemming was over de tekst van de schriftelijke koopovereenkomst en dat het tweede concept (hierna: het tweede concept, productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg) nog niet tussen partijen was besproken.

8.5.1. Partijen hebben voorts uitvoerig gedebatteerd over het door [geïntimeerde] te bewijzen, ook door hem als essentieel aangemerkte, punt van overeenstemming over de overdrachtsdatum 16 juli 2008 of 1 september 2008.

8.5.2. Uit de ondertekening door [appellant 1] van het KvK-formulier (zie tussenarrest onder 4.1.7.), blijkt dat tussen partijen sprake is geweest van een mogelijke overdrachtsdatum van 16 juli 2008. Gelet op de eigen stellingen van [geïntimeerde] (onder meer tijdens de comparitie van partijen van 24 juli 2009) en de in het door [B.] opgestelde tweede concept opgenomen streefdatum 1 september 2008, moet echter worden aangenomen, dat (ook) in de ogen van [geïntimeerde] de datum van 16 juli 2008 niet (meer) haalbaar was.

Daar komt nog bij dat, anders dan [geïntimeerde] aanvoert, in geen van de overgelegde concepten voor de koopovereenkomst de datum 16 juli 2008 is vermeld.

Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het bewijs dat er definitief overeenstemming was bereikt over de overnamedatum 16 juli 2008.

8.5.3. Dat vervolgens als overnamedatum 1 september 2008 zou zijn overeengekomen, vindt onvoldoende steun in de door [geïntimeerde] aangedragen bewijsmiddelen.

Dat deze datum is vermeld in het tweede concept, betekent niet dat [appellanten] het daarmee eens was. Uit de verklaring van getuige [B.] volgt immers dat het tweede concept nooit tussen partijen is besproken.

Voorts noemt [B.] in zijn verklaring 1 september 2008 slechts als streefdatum.

Bovendien kan aan de getuigenverklaring van [B.] weinig gewicht worden toegekend voor zover het gaat om data. Zijn verklaring ten aanzien van de door hem zelf destijds op de concepten vermelde data en de verstrekking van deze concepten aan [appellanten] is namelijk inconsistent en, zeker gelet op de daarbij niet goed aansluitende handgeschreven aantekeningen met (doorgestreepte) toevoegingen (productie 1 bij [memorie na enquête A.]), onvoldoende geloofwaardig.

8.6. Gelet op overwegingen 8.3. tot en met 8.5.3. is [geïntimeerde] niet geslaagd in de aan hem gegeven opdracht te bewijzen dat tussen hem en [appellanten] de gestelde overeenkomst met overdrachtsdatum 16 juli 2008 of 1 september 2008 tot stand is gekomen.

De enkele ondertekening door [appellant 1] van het KvK-formulier kan, mede gelet op hetgeen hierover in 8.5.2. is overwogen, niet tot een ander oordeel leiden. Dit sluit ook aan bij de eigen stellingen van [geïntimeerde] (memorie van antwoord nr. 28).

8.7. Voor zover [geïntimeerde] zich er subsidiair op beroept dat [appellanten] verplicht zou zijn tot dooronderhandelen over overname of tot vergoeding van de door hem gestelde schade, wordt het volgende overwogen.

Bij afgebroken onderhandelingen geldt, dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan. De hier weergegeven maatstaf is een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf.

8.8. Tussen partijen vonden serieuze onderhandelingen plaats over overname door [geïntimeerde] van de activa van de vof. Dit kan worden afgeleid uit het verlenen van de koopoptie door [appellant 1], het hervatten van de onderhandelingen, de contacten tussen [appellant 1] en de verhuurder en het ondertekenen door [appellant 1] van het KvK-contract.

Echter, gelet op al hetgeen is overwogen in 8.3. tot en met 8.6. en het blijkbaar niet soepel verlopende onderhandelingsproces, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen van [geïntimeerde] in het tot stand komen van de gestelde overeenkomst. Dit wordt ook geïllustreerd door de als onbetwist vaststaande omstandigheden dat [geïntimeerde] (al dan niet op verzoek van [appellant 1]) nog niet met de medewerkers van de schoenmakerij over de overname had gesproken en nog geen contact had opgenomen met de boekhouder van [appellanten] over voorzetting van de boekhouding.

Voorts is er geen sprake van andere omstandigheden die kunnen leiden tot het oordeel dat afbreken van de onderhandelingen door [appellanten] in dit stadium onaanvaardbaar was. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] (mogelijk) een hoger toekomstig inkomen misliep, is hiertoe mede gelet op bovengenoemde strenge maatstaf (8.7.) niet voldoende. Tevens houdt het hof rekening met het gerechtvaardigde belang van [appellant 1] dat hij begin juli 2008 consequenties mocht verbinden aan zijn op dat moment weggevallen vertrouwen in [geïntimeerde], die de schoenmakerij bij overname op naam van [appellant 1] zou gaan voortzetten. Kennelijk heeft in elk geval in de optiek van [appellant 1] de stage van [geïntimeerde] in de schoenmakerij tot een (onvoorziene) vertrouwensbreuk geleid, waardoor hij op dat moment niet meer tot verkoop van de activa van de vof aan [geïntimeerde] wilde overgaan.

Alles overziend, wordt geoordeeld dat het [appellanten] vrij stond de onderhandelingen af te breken, dat hij niet gehouden is tot dooronderhandelen en dat hij evenmin verplicht is tot vergoeding van de door [geïntimeerde] gestelde schade als gevolg van het afbreken van de onderhandelingen. De vorderingen van [geïntimeerde] zullen dan ook worden afgewezen.

Voor alle duidelijkheid wordt overwogen, dat het voorgaande onverlet laat dat in de koopoptie is overeengekomen, dat zodra [appellanten] de tijd gekomen acht zijn zaak te verkopen, hij deze eerst aan [geïntimeerde] voor € 70.000,-- zal aanbieden.

8.9. De stellingen van [appellanten] (in reconventie in eerste aanleg) worden aldus gelezen dat hij zich er op beroept dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door te weigeren mee te werken aan het ongedaan maken van diens inschrijving onder de handelsnaam van de vof. Volgens [appellanten] bestaat zijn schade uit de aan hem in rekening gebrachte kosten van de door zijn accountant verrichte werkzaamheden (onder meer het indienen van een bezwaarschrift bij de Kamer van Koophandel) om de bewuste inschrijving weer “om te zetten” op zijn naam. [appellanten] heeft in dit kader facturen van ABAB overgelegd met een totaalbedrag van € 1.844,52. [geïntimeerde] heeft de reconventionele vordering van [appellanten] gemotiveerd betwist.

Nog daargelaten de vraag wanneer en op welke wijze [geïntimeerde] onrechtmatig zou hebben gehandeld in de hierboven bedoelde zin, heeft [appellanten] naar het oordeel van het hof in elk geval onvoldoende, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld welke schade hij op welk moment als gevolg van de gestelde onrechtmatige daad heeft geleden. Het enkel overleggen van bovengenoemde facturen, waarop bovendien slechts een summiere omschrijving is vermeld, is daartoe niet voldoende. Derhalve zal het bestreden vonnis, voor zover in reconventie gewezen, worden bekrachtigd. Grief 5 faalt.

8.10. Resumerend faalt grief 5 in het principaal appel, slagen de overige grieven in het principaal appel of hoeven zij geen behandeling meer en faalt het incidenteel appel. Het hof zal het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen vernietigen en zelf rechtdoende de vorderingen van [geïntimeerde] afwijzen. Het bestreden vonnis voor zover gewezen in reconventie, zal worden bekrachtigd.

Gelet op het bepaalde in 4.5. van het tussenarrest, zal de vof niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep tegen het bestreden vonnis.

8.11. Als de in eerste aanleg in conventie en in het principaal en incidenteel appel in het ongelijk gestelde partij, zal [geïntimeerde] worden veroordeeld in de proceskosten van [appellanten] in eerste aanleg in conventie en in principaal en incidenteel appel.

9. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

verklaart de vof niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het bestreden vonnis van de rechtbank Breda van 28 oktober 2009;

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Breda van 28 oktober 2009 voor zover in conventie gewezen;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie, welke kosten aan de zijde van [appellanten] worden begroot op € 1.788,--;

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Breda van 28 oktober 2009 voor zover in reconventie gewezen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het principaal en incidenteel appel, welke kosten aan de zijde van [appellanten] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op:

€ 2.173,89 (€ 2.100,-- + € 73,89) aan verschotten en € 6.524,-- aan salaris advocaat voor het principaal appel en op € 815,50 aan salaris advocaat voor het incidenteel appel;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.N.M. Antens, P.M. Arnoldus-Smit en H.E.G. van der Flier en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 juli 2012.