Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX2845

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
27-07-2012
Zaaknummer
20-003577-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Grondslag wrakingsverzoek: voortvarendheid en (wijze van) stellen gesloten vragen. Niet aannemelijk geworden dat proces-verbaal van de zitting geen getrouw beeld geeft van het onderzoek ter terechtzitting. Afwijzing wrakingsverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ’s-HERTOGENBOSCH

meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek

Registratienummer wraking: 169 / 09-2012

Datum uitspraak: 21 juni 2012

BESLISSING

op het mondelinge verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak met parketnummer 20-003577-08 van:

[verzoeker]

geboren te [geboorteplaats] op [1988],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen: “de verzoeker”,

bijgestaan door raadsman mr. P.M.J. Graus, advocaat te Heerlen,

strekkende tot wraking van mr. A.R.O. Mooy en mr. A.J.M. van Gink, beiden raadsheer in de strafsector van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

1. Het procesverloop

1.1. De wraking van mr. A.R.O. Mooy, mr. A.J.M. van Gink en aanvankelijk ook de jongste raadsheer

mr. N.J.M. Ruyters is mondeling verzocht bij gelegenheid van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak van verzoeker ter terechtzitting van 9 mei 2012.

1.2. Mr. A.R.O. Mooy, mr. A.J.M. van Gink en mr. N.J.M. Ruyters hebben schriftelijk te kennen gegeven niet in de wraking te willen berusten.

1.3. De raadsman van verzoeker heeft bij faxbericht van 1 juni 2012 het wrakingsverzoek toegelicht. Hieruit volgt – onder meer – dat het wrakingsverzoek zich niet langer richt tegen mr. N.J.M. Ruyters.

1.4. Nu voorafgaand aan de behandeling van het wrakingsverzoek door de wrakingskamer is gebleken dat het verzoek tot wraking zich niet langer richt tegen mr. N.J.M. Ruyters, zal de wrakingskamer het verzoek ten aanzien van mr. N.J.M. Ruyters als ingetrokken beschouwen.

1.5. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek in het openbaar behandeld op 4 juni 2012. Bij die gelegenheid was de verzoeker niet aanwezig, doch heeft de raadsman van verzoeker het wrakingsverzoek mondeling toegelicht. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door advocaat-generaal mr. G.T. Sta.

2. Het standpunt van verzoeker

2.1. Aan het wrakingsverzoek heeft de verzoeker – kort en zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat uit de voortvarendheid die door mr. Mooy, voorzitter van het hof, tijdens die zitting werd betracht en uit de gesloten vragen die door mr. Mooy en mr. Van Gink, oudste raadsheer, aan de verdachte en de getuige [getuige] werden gesteld – mede gelet op de wijze waarop deze vragen werden gesteld – blijkt van een vooringenomenheid en een partijdigheid.

3. Het standpunt van de advocaat-generaal

3.1. De advocaat-generaal mr. G.T. Sta heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

4. Wettelijk kader

4.1. Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan wraking van een rechter worden verzocht op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5. De beoordeling van het wrakingsverzoek

5.1. De raadsman van verzoeker stelt voorop dat het proces-verbaal van de zitting van 9 mei 2012 geen getrouw beeld geeft van het verloop van het onderzoek op die terechtzitting. Dit wordt onder meer geadstrueerd door te wijzen op het gesloten karakter van de door de voorzitter en de oudste raadsheer gestelde vragen, hetgeen niet uit het proces-verbaal zou blijken.

5.2 Het hof merkt op dat een proces-verbaal van de terechtzitting blijkens artikel 326, eerste lid, Sv een zakelijke weergave vormt van het procesverloop en hetgeen zich ter zitting heeft voorgedaan. Een zakelijke weergave behelst niet een stenografisch verslag van de gestelde vragen en antwoorden en de door de procesdeelnemers gemaakte opmerkingen. De raadsman kan verzoeken dat een verklaring woordelijk zal worden opgenomen in het proces-verbaal voor zover de verklaring redelijke grenzen niet overschrijdt. Het hof neemt als uitgangspunt dat in dit proces-verbaal van de terechtzitting aantekening is geschied van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak is voorgevallen, alsmede een zakelijke weergave behelst van de verklaringen van verdachte en getuige(n).

5.3. De raadsman van verzoeker heeft enkele voorbeelden gegeven van de door hem gestelde onjuistheid c.q. onvolledigheid van het verslag. Het door de raadsman gestelde is detaillistisch en niet dan wel onvoldoende te herleiden tot de context waarin dit dient te worden verstaan. Daarnaast is de grief in meer algemene bewoordingen gesteld. Het een noch het ander kan de stelling van de raadsman, zowel afzonderlijk als in samenhang bezien, voldoende schragen. De stelling van de raadsman van verzoeker dat het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 mei 2012 geen getrouw beeld geeft van het verloop van het onderzoek ter terechtzitting op 9 mei 2012, is naar het oordeel van de wrakingskamer niet aannemelijk geworden.

5.4. Uit de inhoud van het proces-verbaal van die zitting is de wrakingskamer niet gebleken van een door de voorzitter, mr. Mooy, gehanteerde werkwijze dan wel betracht tempo ter zitting dat op grond daarvan kan worden geoordeeld dat sprake is geweest van enige partijdigheid jegens de verdachte, noch dat dit ten koste is gegaan van een zorgvuldig proces.

5.5. Voor zover de verzoeker zich op het standpunt stelt dat het een rechter is voorgeschreven om aan een getuige open vragen te stellen, merkt het hof op dat die stelling niet op enig wettelijk voorschrift is gebaseerd. Artikel 292, eerste lid, Sv schrijft voor dat de voorzitter de getuige ondervraagt.

Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat aan – onder andere – de overige raadsheren de gelegenheid wordt gegeven tot het stellen van vragen aan de getuige. In deze wetsbepalingen valt geen aanwijzing te lezen omtrent de wijze waarop de vragen aan een getuige dienen te worden gesteld. Hetzelfde geldt ten aanzien van de door de voorzitter en de raadsheren aan de verdachte te stellen vragen. Op het verhoor van de verdachte door de rechter is, blijkens artikel 286, lid 5, Sv, artikel 293 Sv van overeenkomstige toepassing is. Dit artikel bepaalt dat de advocaat van de verdachte, alvorens een vraag wordt beantwoord, bevoegd is opmerkingen te maken. Het had op de weg van verzoeker gelegen om alvorens een wrakingsverzoek in te dienen eerst op de zitting aan te geven dat hij het niet eens was met de manier van formuleren en vragen stellen door de voorzitter en de oudste raadsheer.

5.6. Met de advocaat-generaal is de wrakingskamer van oordeel dat het stellen van open vragen als basisnorm kan gelden voor het komen tot een goede vorm van communicatie tijdens verhoren. Het nodigt de verdachte of getuige uit om veel informatie te geven. Een open vraag begint in de regel met een vraagwoord als wie, wat, waar, wanneer en hoe. Om vaagheden in antwoorden op open vragen duidelijk te krijgen dient te worden doorgevraagd (inzoomen). Dit gebeurt vaak door het stellen van (meer) gesloten vragen die beginnen met een werkwoord. Hierop kan een getuige in beginsel alleen ‘ja’ of ‘nee’ antwoorden. Wanneer het antwoord compleet en duidelijk is, is het van belang dat het wordt samengevat. Het hof merkt in deze op dat het de taak van een strafrechter is om een verdachte en een getuige kritisch te ondervragen tegen de achtergrond van hetgeen uit het dossier volgt; de strafrechter kan zich hierbij een grote mate van vrijheid veroorloven.

5.7. Aan verzoeker zijn verklaringen uit het dossier voorgehouden en zijn niet altijd open vragen gesteld. Het is mogelijk dat de hierbij gehanteerde formuleringen bij verzoeker de schijn van vooringenomenheid hebben gewekt. De wijze waarop aan de verdachte de verklaringen uit het dossier zijn voorgehouden alsmede de vragen die aan hem zijn gesteld kunnen echter, noch afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien, in redelijkheid leiden tot de conclusie dat sprake is van enige vooringenomenheid jegens hem en evenmin dat de bij verzoeker bestaande vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd zou zijn.

5.8. Deze conclusie is evenmin af te leiden uit de wijze waarop de ondervraging van de getuige heeft plaatsgevonden. Zowel het meer open karakter van de aan de getuige gestelde vragen als het vervolgens stellen van meer gesloten vragen, zijn te herleiden uit het proces-verbaal van de terechtzitting. Deze hebben plaatsgevonden volgens het hiervoor in 5.6 gegeven stramien. Deze werkwijze noch de inhoud van de vragen geven blijk van enige vooringenomenheid dan wel enige objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid jegens verzoeker.

5.9. De conclusie op grond van het voorgaande is dat zich in de onderhavige zaak geen uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de mrs. Mooy en van Gink jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, dan wel dat de bij verzoeker (kennelijk) dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Dit geldt ook indien de door verzoeker genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang worden bezien.

Het wrakingsverzoek moet als ongegrond worden afgewezen.

B E S L I S S I N G

Het hof:

wijst het verzoek tot wraking ten aanzien van mr. A.R.O. Mooy en mr. A.J.M. van Gink af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting van 9 mei 2012;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, zijn raadsman, de advocaat-generaal en de raadsheren mr. A.R.O. Mooy, mr. A.J.M. van Gink en mr. N.J.M. Ruyters.

Aldus gedaan in raadkamer door mrs. J.W.J. Huige, voorzitter, C.D.M. Lamers en K. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2012.