Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX2764

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
20-003419-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte gooit tijdens een ruzie spiritus over zijn meerderjarige zoon; daarbij krijgt ook verdachte zelf spiritus over zich heen; vervolgens steekt verdachte de spiritus met een aansteker aan; beide mannen en een deel van een woning vliegen in brand. Vier deskundigen rapporteren over de geestvermogens van verdachte. Vrijspraak van poging tot moord. Bewezenverklaring van poging tot doodslag (287 Sr) en brandstichting (157 Sr) omdat verdachte naar het oordeel van het hof minst genomen het voorwaardelijk opzet op de dood respectievelijk het stichten van de brand heeft gehad. Verdachte is volledig toerekeningsvatbaar. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003419-11

Uitspraak : 26 juli 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 24 augustus 2011 in de strafzaak met parketnummer 04-860708-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1955],

wonende te [woonplaats], [adres 1],

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis, waarbij verdachte ter zake van, kort gezegd:

1. primair: poging tot doodslag;

2. opzettelijke brandstichting met gevaar voor goederen en met levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander;

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 21 maanden voorwaardelijk:

- met aftrek van voorarrest;

- met een proeftijd van 2 jaren;

- met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een (klinische) behandeling bij een kliniek dan wel enige andere door de reclassering aan te wijzen instelling gedurende maximaal de periode van de proeftijd.

Bij vonnis waarvan beroep werd verdachte tevens veroordeeld aan de benadeelde partij

[A] te betalen een bedrag van € 5.482,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2010, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag.

Omvang van het hoger beroep

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 5.300,-, en strekkende tot vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 182,-, beide bedragen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade.

Genoemde vordering is bij vonnis waarvan beroep geheel toegewezen. De voeging duurt in hoger beroep derhalve van rechtswege voort.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- verdachte voor de onder 1 primair (impliciet subsidiaire) ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 2 ten laste gelegde brandstichting zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest;

- de vordering van voornoemde benadeelde partij geheel zal toewijzen, te vermeerderen met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft bepleit dat het hof:

- verdachte ter zake het feit onder 1 en onder 2 zal vrijspreken;

- verdachte, in het geval het hof toch tot een bewezenverklaring komt, zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf;

- de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaart.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair:

hij op of omstreeks 11 oktober 2010 in de gemeente Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [A] van het leven te beroven, met dat opzet en (al dan niet) na kalm beraad en rustig overleg, een hoeveelheid spiritus, althans brandbare vloeistof, over die [A] heeft gegooid en/of gesprenkeld en/of gegoten en/of (vervolgens) met een aansteker die [A] in brand heeft gestoken, althans een vlam heeft ontstoken tengevolge waarvan hij, verdachte, en/of [A], althans de kleding van hem verdachte en/of de kleding van [A], vlam heeft/hebben gevat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 11 oktober 2010 in de gemeente Venray aan [A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, (tweedegraads brandwonden in het aangezicht en/of op de hals en/of beide handen), heeft toegebracht door opzettelijk een hoeveelheid spiritus, althans brandbare vloeistof, over die [A] te gooien en/of sprenkelen en/of gieten en/of (vervolgens) met een aansteker, die [A] in brand te steken, althans een vlam te ontsteken, tengevolge waarvan hij, verdachte, en/of [A], althans de kleding van hem verdachte en/of de kleding van [A], vlam heeft/hebben gevat, zulks terwijl dit misdrijf werd begaan tegen zijn, verdachtes, kind;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [A] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, een hoeveelheid spiritus, althans brandbare vloeistof, over die [A] heeft gegooid en/of gesprenkeld en/of gegoten en/of (vervolgens) met een aansteker die [A] in brand heeft gestoken, althans een vlam heeft ontstoken, tengevolge waarvan hij, verdachte, en/of [A], althans de kleding van hem verdachte en/of de kleding van [A], vlam heeft/hebben gevat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, zulks terwijl dit misdrijf werd begaan tegen zijn, verdachtes, kind;

meest subsidiair:

hij op of omstreeks 11 oktober 2010 te Venray een persoon (te weten [A]) opzettelijk heeft mishandeld door (opzettelijk) een hoeveelheid spiritus, althans brandbare vloeistof, over die [A] te gooien en/of sprenkelen en/of gieten en/of (vervolgens) met een aansteker die [A] in brand te steken, althans een vlam te ontsteken, tengevolge waarvan hij, verdachte, en/of [A], althans de kleding van hem verdachte en/of de kleding van [A], vlam heeft/hebben gevat, tengevolge waarvan die [A] zwaar lichamelijk letsel (tweedegraads brandwonden in het aangezicht en/of op de hals en/of beide handen), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden, zulks terwijl dit misdrijf werd begaan tegen zijn, verdachtes, kind;

2.

hij op of omstreeks 11 oktober 2010 in de gemeente Venray opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres 2], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in de woonkamer van genoemde woning (open) vuur in aanraking gebracht met een hoeveelheid spiritus, althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan kleding en/of (een gedeelte van) het interieur van die woonkamer geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de zich in die woning bevindende goederen en/of voor de belendende percelen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in genoemde woning bevindende perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

primair:

hij op 11 oktober 2010 in de gemeente Venray ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [A] van het leven te beroven, met dat opzet een hoeveelheid spiritus over die [A] heeft gegooid en vervolgens met een aansteker een vlam heeft ontstoken tengevolge waarvan hij, verdachte en [A] vlam hebben gevat, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 11 oktober 2010 in de gemeente Venray opzettelijk brand heeft gesticht in een woning gelegen aan de [adres 2], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk in de woonkamer van genoemde woning open vuur in aanraking gebracht met een hoeveelheid spiritus ten gevolge waarvan kleding en het interieur van die woonkamer gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die woning en de zich in die woning bevindende goederen en voor de belendende percelen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich in genoemde woning bevindende personen te duchten was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

A.1.

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de onder 1 primair tot laste gelegde poging tot moord. Daarnaast is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat verdachte niet het ‘boos’ opzet heeft gehad op het doden van zijn zoon [A] en het in brand steken van de woning aan de [adres 2] te Venray. Van voorwaardelijk opzet is volgens de rechtbank ten aanzien van beide feiten wel sprake. De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 primair (impliciet subsidiaire) ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 2 ten laste gelegde brandstichting.

A.2.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de eerste rechter dient te worden gevolgd in het oordeel dat geen sprake is van poging tot moord. Wel is sprake van ‘vol’ (‘boos’) opzet op het ten laste gelegde onder 1 en onder 2, hetgeen tot een bewezenverklaring gelijk de rechtbank heeft te leiden.

A.3.

De verdediging heeft primair bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten omdat het opzet, in welke vorm dan, voor al die feiten ontbreekt. Verdachte heeft slecht de bedoeling gehad te dreigen met in het in brand steken van de woning en hij heeft niet gewild dat zijn zoon, hijzelf of de woning in brand zouden vliegen.

Subsidiair betoogt de verdediging dat voorwaardelijk opzet slecht kan worden aangenomen ten aanzien van de ten laste gelegde brandstichting.

A.4.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

A.5.

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevinden voor het bewijs dat verdachte heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, derhalve met voorbedachten rade. Verdachte zal om die reden worden vrijgesproken van de onder 1 primair (impliciet primair) ten laste gelegde poging tot moord.

A.6.

Vervolgens ziet het hof zich gesteld voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag op [A] en derhalve de vraag of hij de opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op de dood van die [A] heeft gehad.

A.7.

Uit de ter zake gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte bevond zich op 11 oktober 2010 in de woning van zijn zoon [A]. Op een bepaald moment kregen verdachte en [A] een woordenwisseling. Verdachte, [A], en [B], zijnde zowel de ex-echtgenote van verdachte als de moeder van [A], zaten toen op de bank in de woonkamer. [A] deelde aan verdachte mede dat hij de betreffende woning ging verkopen. Verdachte zei daarop tegen zijn zoon dat hij, verdachte, in dat geval het huis in brand zou steken. Vervolgens liep verdachte naar een kast die in de woonkamer stond. Uit die kast pakte verdachte een volle fles spiritus. Daarna liep verdachte terug in de richting van de bank en draaide ondertussen de dop van de fles af. Verdachte gooide vervolgens een hoeveelheid spiritus vanuit de fles over [A], die nog op bank zat, heen. [A] stond toen op en pakte ook de fles met spiritus vast. Zowel verdachte als [A] kregen daarna een hoeveelheid spiritus over zich heen. Verdachte pakte een aansteker uit zijn zak en probeerde die te laten ontbranden. De aansteker deed het echter niet. Toen verdachte de aansteker voor de tweede maal ontstak, vlogen zowel [A] als verdachte in brand. Vervolgens viel de fles spiritus op de grond. Ook de vloer en de bank van de woonkamer vlogen in de brand.

A.8.

Verdachte heeft toegegeven op 11 oktober 2011 naar aanleiding van een opmerking van [A] te hebben gezegd dat hij het huis van zijn zoon in brand zou steken als deze het huis zou verkopen. Verder heeft verdachte erkend dat hij vervolgens een fles spiritus heeft gepakt (alhoewel die volgens verdachte op de salontafel stond). De verdere gebeurtenissen kan verdachte zich echter niet meer herinneren.

A.9.

Met de rechtbank en anders dan de verdediging valt naar het oordeel van het hof uit de bewijsmiddelen af te leiden dat verdachte bij zijn handelen minst genomen het voorwaardelijk opzet had op het overlijden van het slachtoffer en op de brandstichting van de woning.

A.10.

Het hof leidt uit de bewijsmiddelen namelijk af dat verdachte vanaf korte afstand gericht een hoeveelheid spiritus over zijn zoon heeft gegooid terwijl beiden zich in de woonkamer van een woning bevonden, waarna er een worsteling tussen verdachte en [A] is ontstaan. Gedurende die worsteling heeft verdachte een aansteker gepakt en die ontstoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat brand ontstaat wanneer spiritus in aanraking wordt gebracht met open vuur. Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden acht het hof in de eerste plaats bewezen dat door het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans heeft bestaan dat [A] zou worden gedood en brand zou worden gesticht in de woning, en ten tweede dat verdachte zich van die kans bewust is geweest. Dat verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard, volgt naar het oordeel van het hof uit het feit dat verdachte de aansteker na een vergeefse poging nogmaals heeft ontstoken terwijl hij zijn zoon, van wie hij wist dat die tot tweemaal toe een hoeveelheid spiritus over zich heen had gekregen, vasthad.

A.11.

Evenals de rechtbank is het hof er door de informatie in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting echter niet van overtuigd geraakt dat, zoals de advocaat-generaal heeft gesteld, verdachte ‘vol’ opzet heeft gehad op de dood van zijn zoon. Het hof kan namelijk niet uitsluiten dat verdachte wilde dreigen met het in brand steken van zijn zoon (en de woning) door, in de situatie zoals hiervoor geschetst, de vlam uit een aansteker bij de spiritus te houden.

A.12.

De suggestie van de raadsman dat de aansteker in de worsteling tussen verdachte en [A] bedoeld of onbedoeld is ontvlamd (mede) als gevolg van het handelen van [A], vindt geen enkele steun in de bewijsmiddelen nu zowel [A] als [B] onomwonden verklaren dat verdachte de aansteker ontstak - hetgeen een bedoelde activiteit van de verdachte verlangt - en de verdachte zich deze gebeurtenissen niet meer kan herinneren.

A.13.

Het verweer van de verdediging wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 primair (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat verdachte ter zake het ten laste gelegde als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten verdachte volledig kunnen worden toegerekend.

De verdediging heeft zich achter het standpunt van de advocaat-generaal geschaard.

Omtrent de geestvermogens van verdachte zijn in de loop van het strafproces door vier deskundigen rapporten uitgebracht. In eerste aanleg hebben psychiater J.R. Nijdam en klinisch psycholoog F. van Nunen over verdachte gerapporteerd. In opdracht van de verdediging hebben psychiater J.M.J.F. Offermans en psycholoog J.M. Oudejans in hoger beroep een rapportage uitgebracht over verdachte.

In het rapport van 29 juni 2011 concludeert psychiater Nijdam dat verdachte lijdende is aan een gemengde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en dwangmatige kenmerken. Nijdam komt tot het advies dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is voor het ten laste gelegde.

Klinisch psycholoog Van Nunen trekt in zijn rapport van 20 juli 2011 de conclusie dat verdachte lijdende is aan een lichte/milde persoonlijkheidsstoornis. Er is sprake van een neurotisch aandoende, rigide aangepaste façade met daarachter (vroeg)narcistische pathologie. Ook volgens Van Nunen dient verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar voor de ten laste gelegde feiten te worden beschouwd.

De conclusie van psychiater Offermans in zijn rapport van 24 april 2012 is dat bij verdachte geen sprake is van een psychiatrische stoornis in engere zin en evenmin van een persoonlijkheidsstoornis. Wel zijn er bij verdachte narcistische kenmerken te bespeuren maar deze interfereren niet zodanig zijn functioneren dat van een persoonlijkheidsstoornis gesproken kan worden. Verdachte is derhalve volledig toerekeningsvatbaar voor de feiten op de tenlastelegging, aldus Offermans.

Ten slotte komt psycholoog Oudejans in zijn rapport van 25 april 2012 tot de conclusie dat er bij verdachte weliswaar sprake is van een narcistisch gekleurde dynamiek maar dat verdachte niet lijdende is aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Ook Oudejans stelt zich op het standpunt dat de ten laste gelegde feiten verdachte volledig kunnen worden toegerekend.

Het hof heeft de indruk gekregen dat alle vier de bovengenoemde rapporten op een zorgvuldige en afgewogen wijze tot stand zijn gekomen. Deze indruk is bevestigd door het horen als deskundige van de vier rapporteurs ter terechtzitting in hoger beroep. Uit genoemde rapporten en de verklaringen van de deskundigen ter zitting leidt het hof het volgende af.

Om bij een persoon de diagnose van een persoonlijkheidsstoornis te kunnen stellen, moet volgens het classificatiesysteem DSM-IV aan een aantal criteria worden voldaan. Daarbij dient in ieder geval ook rekening te worden gehouden met de culturele achtergrond van de onderzochte. Bij de beoordeling of een persoon al dan niet lijdende is aan een persoonlijkheidsstoornis is sprake van een glijdende schaal.

Alle vier de deskundigen hebben bij verdachte (in ieder geval) op zijn minst narcistische kenmerken geconstateerd. De deskundigen komen echter door een andere invulling van bovengenoemde criteria tot verschillende conclusies met betrekking tot de aanwezigheid van een (persoonlijkheids)stoornis en de mate van toerekenbaarheid. Daarom dient er naar het oordeel van het hof, met de advocaat-generaal en de verdediging, in het voordeel van verdachte te worden uitgegaan van de conclusies van de laatste twee rapporteurs, inhoudende dat verdachte niet lijdende is aan een stoornis en de ten laste gelegde feiten hem volledig kunnen worden toegerekend.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De rechtbank heeft verdachte, uitgaande van en rekening houdend met zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 21 maanden voorwaardelijk:

- met aftrek van voorarrest;

- met een proeftijd van 2 jaren;

- met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een (klinische) behandeling bij een kliniek dan wel enige andere door de reclassering aan te wijzen instelling gedurende maximaal de periode van de proeftijd.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte in geval van een bewezenverklaring veroordeelt tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Met de rechter in eerste aanleg, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Hierbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting en een poging tot doodslag op zijn zoon [A]. [A] heeft daarbij tweedegraads brandwonden in het gezicht, op het bovenlichaam en op de handen opgelopen. Hij is zeven dagen opgenomen geweest in het Brandwondencentrum te Rotterdam en in die periode maar ook daarna erge pijn geleden. Als gevolg daarvan heeft [A] littekens op handen en borst opgelopen die waarschijnlijk nooit meer helemaal zullen verdwijnen. Daarnaast heeft het slachtoffer, blijkens de informatie in het voegingsformulier benadeelde partij d.d. 15 februari 2011, hierdoor het nodige psychische leed ondervonden, niet op de laatste plaats omdat zijn eigen vader, bij wie je je veilig en geborgen moet kunnen voelen, hiervoor verantwoordelijk is. Het hof neemt de verdachte het plegen van deze feiten dan ook ernstig kwalijk, te meer omdat verdachte de indruk heeft gewekt slechts mondjesmaat het laakbare van zijn handelen in te zien en vooral zichzelf als te slachtoffer te beschouwen.

Het hof kan zich dan ook in beginsel vinden in een straf zoals door de advocaat-generaal gevorderd.

Anderzijds heeft het hof oog voor de ingewikkelde familiaire en culturele verhoudingen waarbinnen de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld. Daarnaast is verdachte ook zelf ernstig gewond geraakt, zelfs in die mate dat hij veertien dagen in coma heeft gelegen, waardoor ook hij voor het leven is getekend. Het hof begrijpt dan ook zeer goed dat het gebeurde ook voor verdachte op lichamelijk en emotioneel vlak grote persoonlijke gevolgen heeft en zal blijven hebben.

Bij de straftoemeting heeft het hof ten slotte ook rekening gehouden met het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 13 februari 2012, waaruit volgt dat hij zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten.

Alles overziende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde mede tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Mede gelet op hetgeen is overwogen onder het kopje ‘strafbaarheid van verdachte’ alsook het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, acht het hof oplegging van een bijzondere voorwaarde gelijk de rechtbank niet aangewezen.

Vordering van de benadeelde partij [A]

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.482,-. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij

[A] als gevolg van verdachtes onder 1 primair (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 157 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair (impliciet subsidiair) en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair (impliciet subsidiair) en onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [A]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] terzake van het onder 1 primair (impliciet subsidiair) bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.482,00 (vijfduizend vierhonderdtweeëntachtig euro) bestaande uit € 182,00 (honderdtweeëntachtig euro) materiële schade en € 5.300,00 (vijfduizend driehonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormelde toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [A], een bedrag te betalen van € 5.482,00 (vijfduizend vierhonderdtweeëntachtig euro) bestaande uit € 182,00 (honderdtweeëntachtig euro) materiële schade en € 5.300,00 (vijfduizend driehonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 62 (tweeënzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 11 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. H.A. Marquart Scholtz, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Nieuwendijk, griffier,

en op 26 juli 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. E.A.A.M. Pfeil en mr. H.A. Marquart Scholtz zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.