Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX2424

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
24-07-2012
Zaaknummer
HD 200.098.532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontbinding huurovereenkomst woonruimte wegens overlast toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3953
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD200.098.532

arrest van de zevende kamer van 17 juli 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant, hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,

tegen:

Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde, hierna te noemen: SWS,

advocaat: mr. E.G.M. van den Heuvel,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 november 2011 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven gewezen vonnissen van 26 augustus 2010 en 27 oktober 2011 tussen SWS als eiseres en [appellant] als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 697107 rolnr. 10-6362)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van SWS met veroordeling van SWS in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft SWS de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellant] heeft ingaande 3 maart 2005 van (de rechtsvoorgangster van) SWS de woning [straatnaam] [huisnummer 3] in [woonplaats] gehuurd.

Bij inleidende dagvaarding d.d. 7 juni 2010 heeft SWS bij de kantonrechter in Eindhoven gevorderd dat de huurovereenkomst met [appellant] zal worden ontbonden en dat [appellant] zal worden veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. Aan deze vorderingen heeft zij ten grondslag gelegd dat [appellant] (geluid)overlast aan omwonenden veroorzaakt en geen gehoor geeft aan waarschuwingen en sommaties om aan die overlast een einde te maken.

Bij tussenvonnis van 26 augustus 2010 heeft de kantonrechter SWS toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan blijken dat [appellant] de door SWS gestelde (geluid)overlast heeft veroorzaakt.

Bij eindvonnis van 27 oktober 2011 heeft de kantonrechter SWS geslaagd geacht in haar bewijsopdracht en de vorderingen van SWS toegewezen.

[appellant] kan zich met de voormelde beslissingen van de kantonrechter niet verenigen en is daartegen in hoger beroep gekomen.

4.2. De eerste grief van [appellant] is gericht tegen de bewijsopdracht in het tussenvonnis. Volgens [appellant] was er onvoldoende grond om SWS tot bewijslevering toe te laten.

Deze grief wordt door het hof verworpen. SWS heeft in haar inleidende dagvaarding voldoende gesteld, onderbouwd met schriftelijke stukken, om tot bewijslevering te worden toegelaten.

4.3. De tweede grief van [appellant] heeft betrekking op de bewijswaardering in het eindvonnis.

Hieromtrent overweegt het hof het volgende.

Grondslag voor de vorderingen van SWS is de overlast die [appellant] sinds februari 2006 aan omwonenden bezorgt, welke overlast bestaat in lawaai in de nachtelijke uren doordat [appellant] zich, samen met bezoekers, in de nachtelijke uren te buiten gaat aan drankgebruik, waarbij wordt geschreeuwd, hard gelachen en gebonkt op tafel, ramen en deuren.

Uit de stukken die bij de inleidende dagvaarding zijn overgelegd blijkt dat de naaste buren van [appellant], de heer en mevrouw [Y.] die op [huisnummer 2] wonen, veelvuldig over overlast hebben geklaagd.

4.4. [appellant] ontkent in de onderhavige procedure dat hij zich misdraagt en stelt dat de familie [Y.] alleen maar klaagt om hem weg te pesten.

Dit standpunt van [appellant] kan naar het oordeel van het hof niet worden aanvaard, gelet op de bewijsmiddelen in deze zaak, zoals hierna uiteen zal worden gezet.

4.5. In het kader van het getuigenverhoor in eerste aanleg heeft de heer [Y.] als getuige zijn klachten bevestigd en toegelicht. Hij heeft verklaard dat er sprake is van aanhoudende geluidoverlast in samenhang met biergebruik. Die overlast vindt met name in de nachtelijke uren plaats en wordt veroorzaakt door [appellant] en de mensen die hem bezoeken. Volgens de getuige wordt regelmatig ’s nachts bier aangevoerd met bierwagens. Verder heeft deze getuige verklaard over agressief gedag van [appellant], beledigingen en scheldpartijen. Hij verklaart dat zowel hijzelf als zijn echtgenote gezondheidsklachten hebben als gevolg van de problemen met [appellant].

4.6. De verklaring van deze getuige vindt bevestiging in de getuigenverklaring van de buurtbrigadier [buurtbrigadier], die heeft verklaard dat de overlast, bestaande in luidluchtig nachtelijk bezoek bij [appellant] en biertaxi’s die voor komen rijden. Hij verklaart dat deze overlast wordt bevestigd in politierapporten die hem bekend zijn en in gesprekken die hij heeft gehad met andere omwonenden dan de familie [Y.]. Verder heeft hij verklaard dat hij tot twee maal toe samen met een vertegenwoordiger van SWS een gesprek met [appellant] heeft gehad in verband met de overlast. Bij die gelegenheden werden de nachtelijke feestjes en het “flink doordrinken” niet door [appellant] ontkend.

4.7. De klachten van de familie [Y.] vinden verder bevestiging in de schriftelijke verklaring van mevrouw [Z.], woonachtig op [huisnummer 1], welke verklaring is gevoegd bij de akte van SWS d.d. 23 september 2010.

4.8. Uit de verklaringen van de getuigen die in contra-enquête zijn gehoord ([appellant] zelf, zijn zus en een viertal regelmatige bezoekers) leidt het hof af dat er sprake is van regelmatige aanwezigheid van bezoekers in de woning van [appellant] waarbij de inname van bier een belangrijke rol speelt. Dat er bij die bezoeken sprake zou zijn van (geluid)overlast wordt door deze getuigen weliswaar ontkend, maar het hof acht die ontkenning niet erg geloofwaardig in het licht van de overige bewijsmiddelen.

4.9. Uit de producties bij de inleidende dagvaarding blijkt dat [appellant] in de periode 2006 t/m 2009 regelmatig door SWS, zowel schriftelijk als mondeling, is gesommeerd om aan de overlast een einde te maken. Daarbij is hem aangezegd dat consequenties zullen worden verbonden aan continuering van de overlast.

Op 2 december 2009 heeft er een zogenaamd kritiekgesprek plaatsgevonden tussen de heer [A.] van SWS en [appellant], in het bijzijn van buurtbrigadier [buurtbrigadier]. Blijkens de brief van SWS aan [appellant] d.d. 4 december 2009 zijn tijdens het gesprek op 2 december 2009 de volgende afspraken gemaakt:

- U stopt onmiddellijk met het veroorzaken van geluidsoverlast;

- Na 22.00 uur is er geen bezoek meer aanwezig (uitgezonderd uw vriendin);

- U gedraagt zich als een goed huurder;

- U bespreekt met uw contactpersoon van de GGZE dit kritiekgesprek;

- U gaat uw alcoholprobleem serieus aanpakken met behulp van professionele begeleiding;

- Wanneer de overlast blijft aanhouden zal Woonbedrijf de woning ontruimen. Hier zijn veel

juridische kosten mee gemoeid die dan op u worden verhaald;

- Wanneer u vragen heeft over de overlast neemt u contact op met Woonbedrijf, de heer

[A.], of met de politie, de heer [buurtbrigadier].

Nadat door de politie in april 2010 was geconstateerd dat er ’s nachts bij [appellant] meerdere personen op bezoek waren en geluidoverlast werd veroorzaakt, heeft SWS besloten om een vordering tot ontbinding en ontruiming in te stellen.

4.10. Het hof acht voor de beoordeling van de onderhavige zaak verder nog van belang dat SWS bij akte d.d. 25 augustus 2011 een tweetal processen-verbaal van aangifte bij de politie heeft overgelegd, een van de (ex)vriendin van [appellant], mevrouw [B.]en een van haar zus, mevrouw [C.]. [B.]heeft vanaf augustus 2010 tot in ieder geval juni 2011 met [appellant] samengewoond in diens woning. Zij verklaart in haar aangifte gedetailleerd over de alcohol- en drugsverslaving van [appellant] en zijn agressief gedrag als hij onder invloed is.

In zijn reactie op deze aangifte ontkent [appellant] al hetgeen door zijn (ex)vriendin is verklaard, maar het hof acht die ongespecificeerde ontkenning weinig geloofwaardig, gelet op de gedetailleerdheid van de aangifte, die bovendien deels ondersteuning vindt in de aangifte van [C.].

4.11. [appellant] heeft ter rechtvaardiging nog aangevoerd dat de woningen van hem en zijn buren erg gehorig zijn en dat de overlast (mede) daardoor wordt veroorzaakt, maar deze omstandigheid kan hem niet baten. Zeker in een woonsituatie met gehorige woningen mag van bewoners worden verlangd dat ze met elkaars belangen rekening houden en dat in ieder geval het produceren van nachtelijk lawaai uit den boze is.

4.12. Gelet op de ernst van de overlast, de duur daarvan en de volharding van [appellant] in zijn gedrag ondanks vele waarschuwingen, concludeert het hof dat [appellant] zodanig is tekort geschoten in zijn verplichting om zich als een goed huurder te gedragen dat de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen gerechtvaardigd moet worden geacht. Het woonbelang van [appellant] moet hiervoor wijken.

4.13. [appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden. Hij heeft echter in eerste aanleg op het punt van de (geluid)overlast de gelegenheid gehad om tegenbewijs te leveren en van die gelegenheid heeft hij ook gebruik gemaakt. Hij heeft niet aangegeven wat hij in hoger beroep nog meer aan tegenbewijs zou kunnen of willen leveren.

Gelet hierop wordt het bewijsaanbod van [appellant] gepasseerd.

4.14. De conclusie is dat de grieven van [appellant] falen en dat de vonnissen waarvan beroep moeten worden bekrachtigd.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van SWS op € 649,- voor verschotten en € 894,- voor salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, W.H.B. den Hartog Jager en I.B.N. Keizer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 juli 2012.