Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX2308

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
HD 200.099.470
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechterlijke machtiging tot voortgezet verblijf ex art. 15 Wet BOPZ verstrekt nadat de duur van de eerdere voorlopige machtiging al was verstreken. Schadevergoeding voor de dagen dat de betrokkene zonder machtiging in de instelling is verbleven? (zie ook NJ 1996, nr. 604)

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JVGGZ 2012/42 met annotatie van W. Dijkers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.099.470

arrest van de tweede kamer van 10 juli 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. K.P.T.G. Flos,

tegen:

de stichting STICHTING ARDUIN,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.M.W.L. van Boven,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 december 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, gewezen vonnis van 21 november 2011 tussen appellante - [appellante] - als eiseres en geïntimeerde - Arduin - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 225140/ 11-3487)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. In de inleidende dagvaarding in hoger beroep heeft [appellante] één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing alsnog van haar vordering.

2.2. Arduin heeft bij memorie van antwoord, onder overlegging van vijf producties, geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

2.3. Hierna hebben de partijen de gedingstukken overgelegd voor uitspraak.

3. De gronden van het hoger beroep

De grief richt zich tegen r.o. 4 van het vonnis waarvan beroep.

4. De beoordeling

4.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:

a. [appellante] verblijft in een huis te [woonplaats] dat behoort tot het psychiatrisch ziekenhuis van Arduin. [appellante] verbleef hier vanaf 4 maart 2010 op grond van een rechterlijke machtiging waarvan de geldigheidsduur op 2 november 2010 verstreek.

b. Door een administratieve fout bij Arduin is niet tijdig een verzoek ingediend voor een machtiging - als voorzien in art. 15 Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (verder BOPZ) - tot een voortgezet verblijf van [appellante] in Arduin voor de duur van één jaar. Het desbetreffende verzoek is door de officier van Justitie eerst op 15 november 2010 ingediend.

c. De rechtbank Middelburg heeft op dat verzoek beslist bij beschikking van 2 december 2010. Die beslissing luidde, onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad van 19 januari 1996, NJ 1996, nr. 604: “verleent de machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop de voorgaande machtiging is verstreken, derhalve tot uiterlijk 4 november 2011.”

4.1.2. [appellante] stelt zich op het standpunt dat zij in de periode tussen de afloop van de eerdere rechterlijke machtiging op 4 november 2010 en de datum (2 december 2010) waarop de machtiging tot het voortgezet verblijf door de rechtbank is gegeven zonder enige rechterlijke machtiging daartoe in de besloten setting van het huis te [plaats] heeft verbleven en dat zij daarom die periode wederrechtelijk van haar vrijheid beroofd is geweest. [appellante] stelt dat Arduin aldus onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en vordert voor die 27 dagen verblijf in Arduin een schadevergoeding van € 4.050,= (€ 150,= per dag).

4.1.3. De kantonrechter heeft bij het vonnis waarvan beroep deze vordering afgewezen. De kantonrechter overwoog, kort samengevat, dat, nu de rechtbank bij haar beslissing van 2 december 2010 een machtiging tot het voortgezet verblijf van [appellante] heeft verleend voor de duur van één jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van de eerdere machtiging, niet kan worden gezegd dat de door [appellante] gestelde vrijheidsbeneming wederrechtelijk is geweest.

4.2.1. Volgens [appellante] gaat de kantonrechter bij zijn hiervoor gerelateerde oordeel er ten onrechte vanuit dat de rechtbank bij haar beschikking van 2 december 2010 een machtiging tot voortgezet verblijf heeft gegeven die met terugwerkende kracht is ingegaan op 4 november 2010.

4.2.2. Hoewel de beslissing in de beschikking van de rechtbank van 2 december 2010 (zie r.o. 4.1.1. onder c) tot een lezing in de door de kantonrechter (in navolging van Arduin) gevolgde zin aanleiding kan geven, heeft de rechtbank met die beschikking naar het oordeel van het hof geen beslissing voor een al verstreken periode willen en kunnen geven. De rechtbank heeft, naar zij uitdrukkelijk overwoog, met haar beschikking van 2 december 2010 de lijn gevolgd die de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 19 januari 1996 (NJ 1996, nr. 604). In dat arrest overwoog de Hoge Raad, kort samengevat, dat (a) het reeds verstreken zijn van een eerdere machtiging er niet aan in de weg hoefde te staan dat op de voet van art. 15 BOPZ een machtiging tot voortgezet verblijf werd verleend maar dat (b) het door de wettelijke termijnen beschermde belang van degene voor wie de machtiging werd gevraagd eraan in de weg stond de machtiging tot het voortgezet verblijf te verlenen voor een langere periode dan ten hoogste een jaar na de datum waarop de eerdere machtiging eindigde (HR arrest r.o. 3.3 en 3.4). In dit licht bezien komt naar het oordeel van het hof aan de formulering van de beslissing van de rechtbank van 2 december 2010 - voor de duur van een jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de voorgaande machtiging is verstreken - dan ook alleen die en geen verderstrekkende betekenis toe.

4.2.3. Het voorgaande geldt temeer nu in het genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 januari 1996 bovendien expliciet is overwogen (r.o. 3.3.) dat het verblijf tussen het verstreken zijn van de eerdere machtiging en het afgegeven zijn van de machtiging tot voortgezet verblijf moet worden beschouwd als een vrijwillig verblijf.

4.3.1. Nu de grief in zoverre gegrond is, zal het hof alsnog dienen te beoordelen of de - door Arduin betwiste - vordering van [appellante] al dan niet toewijsbaar is.

4.3.2. Naar het oordeel van het hof stuit de vordering van [appellante] al af op het feit dat [appellante] haar stelling, dat zij in de periode van 4 november 2010 tot 2 december 2010 tegen haar wil in het BOPZ-huis van Arduin in [woonplaats] is gebleven, op geen enkele wijze feitelijk heeft onderbouwd, terwijl dat wel op haar weg had gelegen nu die stelling door Arduin gemotiveerd is betwist. Uit het enkele feit dat het huis in [woonplaats] een gesloten huis was, waarvan [appellante] geen sleutel had en waaruit zij niet naar believen kon weglopen, kan nog niet worden geconcludeerd dat [appellante] niet vrijwillig in dat huis is blijven wonen. [appellante] heeft verder de stelling van Arduin dat [appellante] overdag alle vrijheid had om niet naar het huis terug te keren niet gemotiveerd betwist. Tegenover die stelling heeft zij alleen aangevoerd dat niet bekend is hoe Arduin daarop zou hebben gereageerd. [appellante] heeft verder wel gesteld dat Arduin haar na het verstrijken van de eerdere machtiging niet heeft gevraagd of zij vrijwillig in het huis wilde blijven maar daar staat tegenover dat [appellante] evenmin heeft gesteld dat zij zelf op enig moment aan Arduin te kennen zou hebben gegeven dat zij na het verstrijken van de lopende machtiging en in afwachting van een aangevraagde en/of aan te vragen machtiging tot voortgezet verblijf niet in het huis zou willen blijven. [appellante] heeft daarentegen de stelling van Arduin dat [appellante] meermalen heeft aangegeven dat zij, kort samengevat, vrijheid niet aankan en daartegen beschermd wil worden en dat zij voorlopig nog niet zonder rechterlijke machtiging kan, niet betwist. Gelet op dat alles heeft [appellante] naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die reden geven om in haar geval niet eveneens, zoals in het geval dat aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 19 januari 1996, uit te gaan van een vrijwillig verblijf in het huis te [woonplaats] in de periode tussen het aflopen van de eerdere machtiging en de verlening van een aangevraagde/ aan te vragen machtiging tot voortgezet verblijf.

4.3.3. Afgezien van het voorgaande heeft [appellante] naar het oordeel van het hof ook haar stelling, dat zij ten gevolge van haar verblijf in het huis van Arduin in de periode tussen 4 november 2010 en 2 december 2010, schade heeft geleden, onvoldoende feitelijk onderbouwd. In de memorie van grieven stelt [appellante] wel dat Arduin tegen het schadebedrag geen verweer heeft gevoerd doch naar het oordeel van het hof ligt een verweer van Arduin tegen de gestelde schade al besloten in het verweer van Arduin dat [appellante] zelf juist meermalen heeft aangegeven de bescherming van de besloten setting van het BOPZ-huis van Arduin nodig te hebben en voorlopig nog niet zonder te kunnen. Uit de stelling van [appellante] bij conclusie van repliek (onder 50), dat ‘het zogenoemde bestwil criterium ... in de ban is gedaan voor zover het betreft een criterium voor de rechter om een inbewaringstelling te verlengen of een rechterlijke machtiging af te geven’, leidt het hof af dat [appellante] op zichzelf niet betwist dat een verblijf in het huis van Arduin in de periode tussen het aflopen van de ene machtiging en het verlenen van de andere in haar eigen belang was. Een nadere toelichting dat en waarom [appellante] tengevolge van dat verblijf niettemin schade zou hebben geleden, zou dan ook op de weg van [appellante] hebben gelegen. Het hof neemt verder in aanmerking dat de ‘te late aanvrage van een machtiging voor voortgezet verblijf’ voor de totale gedwongen verblijfsduur van [appellante] verder geen nadelige gevolgen heeft, nu immers voor de maximale duur van de machtiging tot voortgezet verblijf wordt uitgegaan van de datum van afloop van de eerdere machtiging.

4.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [appellante] voorgedragen grief, hoewel gegrond, niet leidt tot een andere beslissing dan die van de kantonrechter. Het vonnis waarvan beroep zal, onder verbetering van gronden, worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij n de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt, onder verbetering van gronden, het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Arduin tot op heden worden begroot op € 649,= aan verschotten en op € 632,= aan salaris advocaat;

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, H.A.G. Fikkers en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juli 2012.