Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX2248

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
20-07-2012
Zaaknummer
HD 200.093.329
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten de grenzen van de rechtsstrijd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.093.329

arrest van de achtste kamer van 10 juli 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. H. Amsing,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. K.M.L.J. Verboeket,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 juli 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen, gewezen vonnis van

22 juni 2011 tussen appellant - [appellant] - als opposerende partij en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als geopposeerde partij.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 395935 CV EXPL 10-4452)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In overweging 2.1. tot en met 2.10. van het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter van de locatie Sittard-Geleen (hierna: de kantonrechter) vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Nu hiertegen geen grief gericht is vormen deze feiten ook in hoger beroep het uitgangspunt.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Met ingang van 23 juli 2005 hebben [appellant] en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Op grond van deze overeenkomst diende [geïntimeerde] verpleegwerkzaamheden te verrichten ten behoeve van [appellant].

De kosten van de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden betaalde [appellant] uit een door hem aangevraagd en verkregen persoonsgebonden budget (hierna: PGB).

Ten behoeve van de betaling van het loon van [geïntimeerde] en de afdracht van loonheffing en sociale premies heeft [appellant] een overeenkomst gesloten met de Facilitaire Dienstverlening SVB Servicecentrum PGB te Utrecht.

Vanaf 29 februari 2008 heeft [geïntimeerde] geen werkzaamheden meer voor [appellant] verricht wegens ziekte. Op 18 maart 2008 heeft [geïntimeerde] de arbodienst Commit daarvan in kennis gesteld.

Op 26 november 2009 heeft [geïntimeerde] een WIA-uitkering aangevraagd. Op 18 december 2009 heeft het UWV aan [geïntimeerde] meegedeeld van oordeel te zijn dat [appellant] niet alle verplichtingen met betrekking tot de re-integratie van [geïntimeerde] is nagekomen en dat dit voor het UWV aanleiding is om de periode waarin [geïntimeerde] tijdens ziekte recht heeft op loon te verlengen tot 26 februari 2011.

Bij brief van 4 mei 2010 heeft het UWV aan [appellant] meegedeeld dat hij zijn tekortkoming heeft hersteld, dat hij aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan en dat het UWV het tijdvak waarin [geïntimeerde] jegens [appellant] recht heeft op loon verkort tot 25 mei 2010.

Met ingang van 25 mei 2010 heeft het UWV aan [geïntimeerde] een IVA-uitkering toegekend.

Over de maanden december 2009 en over de periode van 1 februari 2010 tot 25 mei 2010 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] geen loon betaald.

4.2. Bij inleidende dagvaarding in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] [appellant] in rechte betrokken en heeft zij gevorderd dat (kort weergegeven) [appellant] zou worden veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen het loon (op basis van € 5.508,32 bruto per maand) over de maand december 2009 en de periode van 1 februari 2010 tot en met 25 mei 2010, zijnde totaal

€ 26.475,47 bruto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW en de wettelijke rente, € 1.190,-- (inclusief BTW) aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

Bij verstekvonnis van 8 september 2010 heeft de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen, met dien verstande dat de wettelijke verhoging is vastgesteld op een bedrag van € 3.971,32.

[appellant] is van dit vonnis in verzet gekomen. In de hoofdzaak heeft hij onder meer de afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen van [geïntimeerde] gevorderd. Voorts heeft hij de oproeping in vrijwaring van het SVB Servicecentrum PGB verzocht. Nadat [geïntimeerde] gemotiveerd verweer had gevoerd, heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van

2 februari 2011 in het vrijwaringsincident het verzoek van [appellant] afgewezen en de hoofdzaak verwezen naar de rol om voort te procederen.

Bij eindvonnis van 22 juni 2011 heeft de kantonrechter [appellant] kwaad opposant verklaard, het verstekvonnis van 8 september 2010 bevestigd en [appellant] veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure, waarin begrepen (de kosten van) het incident tot oproeping in vrijwaring.

4.3. [appellant] heeft tijdig appel ingesteld tegen het eindvonnis van 22 juni 2011. Het verzoek om oproeping in vrijwaring is niet in het hoger beroep betrokken.

4.4. Onder de punten 3.5 en 3.6 van het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter het navolgende overwogen:

"3.5. Blijkens hoofdstuk 3 van de Voorwaarden Facilitaire Dienstverlening SVB Servicecentrum PGB verleent het Servicecentrum PGB op basis van de "collectieve regeling vergoeding loondoorbetaling bij ziekte" aan [appellant] een vergoeding gedurende maximaal de eerste twee jaren van arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] wegens ziekte. Doel daarvan is om [appellant] in staat te stellen om vervangende zorgverlening in te kopen.

3.6. Gesteld noch anderszins is gebleken dat [appellant] gedurende de periode dat [geïntimeerde] arbeidsongeschikt is geweest geen vergoeding van het Servicecentrum PGB heeft ontvangen om vervangende zorgverlening in te kopen. [appellant] kan zich derhalve niet op het standpunt stellen dat hij niet in staat is om aan twee zorgverleners loon te betalen."

4.4.1. Grief I is tegen deze overwegingen gericht. [appellant] voert aan dat de kantonrechter met deze overwegingen buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in de artikelen 24 en 25 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Hij heeft nader toegelicht dat geen van partijen ook maar met één woord gerept heeft over enigerlei vorm van vergoeding die [appellant] gedurende maximaal de eerste twee jaren van arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] zou hebben ontvangen.

4.4.2. Het hof oordeelt als volgt.

In overweging 3.5. verwoordt de kantonrechter hetgeen in de "Voorwaarden Facilitaire Dienstverlening SVB Servicecentrum PGB geldend met ingang van 1 januari 2007" in hoofdstuk 3 ("collectieve regeling vergoeding loondoorbetaling bij ziekte") in artikel 3.1 ("Doel en uitgangspunten van de vergoeding loondoorbetaling bij ziekte"), meer in het bijzonder in artikel 3.1.1. daarvan, is bepaald.

Bij dagvaarding in verzet van 30 september 2010 heeft [appellant] gesteld dat deze voorwaarden op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing zijn en heeft hij een afschrift van die voorwaarden als productie 4 in het geding gebracht.

Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter dan ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door weer te geven wat in artikel 3.1.1. van die meer bedoelde voorwaarden is bepaald.

Ook met de enkele vaststelling in overweging 3.6., dat [appellant] niet heeft gesteld (en dat ook niet is gebleken) dat hij geen vergoeding ten behoeve van vervangende zorg heeft ontvangen treedt de kantonrechter niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd.

Voorts is de kantonrechter met overweging 3.6., naar het oordeel van het hof, ingegaan op de stelling van [appellant] (vermeld op pagina 6 van de dagvaarding in verzet) - welke derhalve deel uit maakt van de rechtsstrijd - dat het voor hem 'dan ook partout onmogelijk is aan twee verschillende zorgverleners salaris te moeten betalen'.

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter met de overwegingen 3.5 en 3.6 van het vonnis waarvan beroep niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Grief I faalt.

[appellant] heeft in de toelichting op grief I nog opgemerkt dat hij deze vergoeding ('de vergoeding die [appellant] gedurende maximaal de eerste 2 jaren van arbeidsongeschiktheid van [geïntimeerde] zou hebben ontvangen', aldus [appellant] in meerbedoelde toelichting) absoluut niet heeft ontvangen. Nu hij deze stelling in het geheel niet nader heeft toegelicht en evenmin heeft onderbouwd, zal het hof hieraan voorbij gaan.

4.5. In grief II stelt [appellant] dat de kantonrechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door, zonder dat [geïntimeerde] dat had gesteld, te oordelen dat '[appellant] echter in het geheel niet heeft onderbouwd op grond waarvan hij niet in staat is (geweest) de op hem

rustende verplichtingen als werkgever op correcte wijze na te komen, zodat dit verweer eveneens dient te worden verworpen'.

Naar het oordeel van het hof stond het de kantonrechter vrij (ambtshalve) te oordelen over het al dan niet (voldoende) onderbouwd zijn van bedoelde stelling van [appellant].

Het hof begrijpt de toelichting op de tweede grief voorts aldus dat [appellant] betoogt dat de kantonrechter de stelling van [appellant] als vaststaand had moeten aannemen nu daartegen door [geïntimeerde] geen verweer was gevoerd.

Naar het oordeel van het hof berust dit betoog op een onjuiste lezing van de stukken.

Het gaat hier om de stelling van [appellant] dat hij niet in staat is (geweest) de op hem rustende verplichtingen als werkgever op correcte wijze na te komen. In het kader van deze stelling heeft [appellant] in eerste aanleg erop gewezen dat weliswaar het wettelijk systeem is dat er tussen de betreffende budgethouder (hier [appellant]) en de zorgverlener (hier [geïntimeerde]) een arbeidsrelatie ontstaat waarop het Burgerlijk Wetboek van toepassing is, maar dat de wetgever ook heeft erkend dat de betreffende budgethouder veelal niet in staat zal zijn om de gevolgen van een dergelijke rechtsverhouding te overzien en de in het verlengde daarvan op hem rustende verplichtingen op correcte wijze na te komen en dat om die reden het SVB Servicecentrum PGB in het leven is geroepen. [appellant] heeft betoogd dat het SVB Servicecentrum PGB haar verplichtingen niet correct is nagekomen en dat het Servicecentrum derhalve aansprakelijk is voor de negatieve gevolgen daarvan.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] tegen een en ander uitdrukkelijk verweer gevoerd. Zij heeft onder meer aangevoerd dat [appellant] zijn verplichtingen als werkgever niet op het SVB Servicecentrum kan afwentelen. Het hof verwijst hiervoor bijvoorbeeld naar pagina 2 van de conclusie van antwoord in vrijwaring tevens conclusie van antwoord in oppositie. Ook in de memorie van antwoord is [geïntimeerde] hierop opnieuw ingegaan. Grief II faalt.

4.6. Grief III is gericht tegen de proceskostenveroordeling.

[appellant] stelt dat [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg had moeten worden veroordeeld omdat [appellant] volledig in het gelijk had moeten worden gesteld.

Het hof oordeelt ter zake als volgt.

Bij deze grief gaat [appellant] ervan uit dat de grieven I en II slagen. Nu dat uitgangspunt blijkens het hiervoor overwogene onjuist is, faalt daarmee ook de derde grief.

4.7. Nu alle grieven falen zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 649,-- aan verschotten en op € 1.158,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.H.A. Venner-Lijten, A.P. Zweers-van Vollenhoven en C.A.M. Walsteijn en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juli 2012.