Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX2004

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2012
Datum publicatie
18-07-2012
Zaaknummer
20-002181-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 8.1 Wet milieubeheer. Medeplegen van oprichten van een nieuwe inrichting, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging. Begrip "één inrichting" a.b.i. art. 1.1 lid 4 Wet milieubeheer.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/111 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 20-002181-11

Uitspraak: 17 juli 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Breda van 4 mei 2011 in de strafzaak met parketnummer 02-993066-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1984],

wonende te [plaats] (België), [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, reeds omdat de rechtbank heeft nagelaten een beslissing te nemen ten aanzien van het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

[naam B.V.] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode

5 september 2005 tot en met 16 februari 2006 te Yerseke, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (zonder daartoe verleende vergunning), een aan of nabij de [adres] gelegen inrichting ten behoeve van een loonbedrijf met stalling van landbouwmachines, opslag aardappelen en opslag dieselolie, zijnde een inrichting als bedoeld in categorie 5 en/of 9 en/of 13 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende bijlage I, althans een inrichting als bedoeld in bijlage I van voornoemd Besluit,

heeft veranderd, althans de werking daarvan heeft veranderd, althans aldaar een (nieuwe) inrichting heeft opgericht,

immers heeft [naam B.V.] tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of een ander of anderen, althans alleen, toen en aldaar die inrichting uitgebreid ten behoeve van de opslag van gevaarlijke afvalstoffen (te weten 2,3 dimethylbutaan), althans toen en aldaar die inrichting ten aanzien van bovengenoemde verandering in werking heeft gehad, althans toen en aldaar een (nieuwe) inrichting opgericht ten behoeve van vorenbedoelde opslag van gevaarlijke afvalstoffen,

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feit verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en/of een of meer natuurlijke-/(rechts)perso(o)n(en), althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke vorenomschreven verboden gedraging verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke-/(rechts)perso(o)n(en), althans alleen, feitelijke leiding heeft gegeven.

Vrijspraak impliciet primair ten laste gelegde

Op grond van artikel 1.1, vierde lid, Wet milieubeheer moeten als één inrichting worden beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Het hof ziet zich aldus gesteld voor de vraag of sprake is van technische, organisatorische en/of functionele bindingen tussen – kort gezegd – de opslag van 2,3-dimethylbutaan en het loonbedrijf van [medeverdachte 1].

Naar het oordeel van het hof was er geen sprake van een organisatorische binding, aangezien uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat de reële zeggenschap over de bedrijfsvoering van alle activiteiten die werden verricht bij dezelfde persoon of personen berustte. Immers, de reële zeggenschap over de bedrijfsvoering van het loonbedrijf berustte bij [medeverdachte 1], terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat de reële zeggenschap over de bedrijfsvoering met betrekking tot de opslag van 2,3-dimethylbutaan bij verdachte berustte. Uit het onderzoek ter terechtzitting is evenmin aannemelijk geworden dat sprake was van technische binding tussen de opslag van 2,3-dimethylbutaan en het loonbedrijf, aangezien het voorhanden bewijs ervoor tekort schiet om vast te stellen dat sprake was van gemeenschappelijk gebruik van voorzieningen.

Ten slotte is niet aannemelijk geworden dat sprake was van functionele binding, in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet van feiten en omstandigheden is gebleken op grond waarvan kan worden aangenomen dat sprake was van uitwisseling van goederen, diensten, personeel of bedrijfsmiddelen tussen het loonbedrijf en de opslag van 2,3-dimethylbutaan.

Gelet op het vorenstaande vormden de opslag van 2,3-dimethylbutaan en het loonbedrijf niet één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, Wet milieubeheer. Bijgevolg is de inrichting voor het loonbedrijf met stalling van landbouwmachines, opslag van aardappelen en opslag van dieselolie niet uitgebreid en aldus veranderd.

Op grond van het vorenoverwogene schiet het bewijs ervoor tekort om vast te stellen dat verdachte, al dan niet tezamen en in vereniging met anderen, een inrichting heeft veranderd, de werking van een inrichting heeft veranderd of een inrichting ten aanzien van een verandering in werking heeft gehad. Bijgevolg zal de verdachte worden vrijgesproken van het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[naam B.V.] op tijdstippen in de periode 5 september 2005 tot en met

16 februari 2006 te Yerseke, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk (zonder daartoe verleende vergunning), nabij de [adres] een nieuwe inrichting heeft opgericht, immers heeft [naam B.V.] tezamen en in vereniging met een ander, toen en aldaar een inrichting ten behoeve van de opslag van gevaarlijke afvalstoffen (te weten 2,3 dimethylbutaan) opgericht,

aan welke vorenomschreven verboden gedraging verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard - zakelijk weergegeven - dat niet gesproken kan worden van het oprichten van een nieuwe inrichting door [naam B.V.], aangezien de hoeveelheid 2,3 dimethylbutaan op het terrein van [medeverdachte 1] in tanks was opgeslagen en – in ieder geval gedeeltelijk - aan [medeverdachte 1] was verkocht.

Het hof is van oordeel dat de verklaring van verdachte in hoger beroep over de gang van zaken met betrekking tot de opslag van de hoeveelheid 2,3 dimethylbutaan niet aannemelijk is geworden. Het hof neemt daarbij de volgende verklaringen in aanmerking:

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte door de belastingdienst/FIOD-ECD, codenummer V2-001 d.d. 19 september 2006:

“Ik heb via een tussenpersoon, [medeverdachte 2], in 2005 en 2006 in totaal een partij van meer dan 100.000 liter industriële ontvetter gekocht. Ik kocht deze grondstof. (…) [medeverdachte 2] kwam bij mij dat hij een fabriek wist die industriële ontvetter kon leveren. De fabriek is [naam fabriek] in Barneveld. [naam fabriek] zou de industrieel ontvetter aan ons leveren. Op datum van de eerste leveringen moest ik afnemen. Ik had zelf nog geen afnemers en ik heb opdracht gegeven om een tank bij [medeverdachte 1] in Yerseke te gaan huren voor de opslag.”

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] door de belastingdienst/

FIOD-ECD, codenummer V8-001 d.d. 16 februari 2006:

“Vraag: Van wie is de tankwagen met opschrift Shell, die op het terrein staat?

Antwoord: Die is van [medeverdachte 3].

Vraag: Hoe lang staat die tankwagen er?

Antwoord: Sinds twee dagen of drie. Hij heeft hier al een keer eerder gestaan. [medeverdachte 4] rijdt erin.

Vraag: Wil je niet weten wat erin zit?

Antwoord: Ik heb het wel gevraagd, maar [medeverdachte 4] zei dat deze leeg was.

Vraag: Hoe lang ken je [medeverdachte 3] al?

Antwoord: Bijna een jaar. Hij maakt altijd papieren op. Hij kwam bij mij vragen of hij olie kon verkopen. Maar dat kon ik niet maken tegenover Shell. Ik heb een paar keer een kubje van [medeverdachte 3] gekocht. (…)

De binnengekomen facturen van [medeverdachte 3] heb ik niet betaald en ook niet in de administratie verwerkt.

Ik zei tegen [medeverdachte 3] dat ik de facturen niet betaal omdat ik geen spul van je gekocht heb.

(…)

Vraag: Je vertelde eerder dat je twee tanks hebt, hoe zit dat?

Antwoord: De grote tank van 50.000 liter verhuur ik aan [medeverdachte 3] zonder dat ik er voor betaald krijg.

Vraag: Welke facturen heb je niet betaald aan [medeverdachte 3]?

Antwoord: Dat had met afwasmiddel te maken.

(…)

De eerder genoemde ongevraagde facturen van [medeverdachte 3] heb ik niet betaald.”

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] door de belastingdienst/

FIOD-ECD, codenummer V8-002 d.d. 27 september 2006:

“Een aantal jaren geleden heb ik een gebruikte dubbelwandige tank van 100 m3 voor

EUR 5000,- kunnen kopen. Die tank heeft altijd leeg gestaan. [medeverdachte 3] heeft die tank gezien en gevraagd om daar een partij ontvetter in op te mogen slaan. Ik wilde hem niet verhuren, maar omdat hij aan bleef houden heb ik uiteindelijk toegestemd.

Noot verbalisanten: Wij tonen gehoorde (…) een factuur met betrekking tot de zending DMB van 5 september 2005.

Ik heb u al eerder verteld dat ik de goederen nooit gekocht heb. Ik heb u ook een creditnota verstrekt.

Noot verbalisanten:

Wij tonen gehoorde een aanmaning inzake vier facturen d.d. 28 december 2005.

Naar aanleiding van deze aanmaning ben ik kwaad naar hem gaan bellen. Hij zei dat er een fout was gemaakt op kantoor. Ik hoefde niet te betalen. (…) Ik heb het nooit betaald.

Noot verbalisanten: Wij tonen een aan ons verstrekte creditnota d.d. 1 maart 2006.

Ik heb herhaaldelijk bij [medeverdachte 3] om deze creditnota gevraagd. Uiteindelijk heb ik hem toen gekregen. De creditnota is nooit gemaakt om mij uit de wind te houden. De facturen bleven maar komen. Ik heb ze nooit betaald. [medeverdachte 3] heeft mij besodemietert en gebruikt.”

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] door de belastingdienst/

FIOD-ECD, codenummer V5-001 d.d. 16 februari 2006:

“Mijn broer, [medeverdachte 3], ik noem hem [medeverdachte 3], heeft mij gevraagd om te komen helpen. Ik moest de vrachtwagenchauffeur van de firma die hier olie of ontvetter kwam lossen, kijken of het met de liters zou kloppen. Mij is gevraagd of de inhoud van de tank klopte met de gegevens op de papieren die de chauffeur bij zich zou hebben.”

Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 4] door de belastingdienst/

FIOD-ECD, codenummer V5-002 d.d. 16 november 2006:

“Vraag: Verricht u wel eens werkzaamheden voor u broer [medeverdachte 3]?

Antwoord: Ik heb in opdracht van [medeverdachte 3] een tankwagen van Druten naar [medeverdachte 1] in Yerseke gereden. Ik heb die auto daar op het terrein geparkeerd. Ik heb de tankwagen in opdracht van [medeverdachte 3] met onvetter geladen uit de grote tank van [medeverdachte 1]. Ik heb ook twee vrachten ontvetter in opdracht van [medeverdachte 3] met zijn tankauto naar Krefeld in Duitsland gebracht.

Vraag: Op 16 februari 2006 was jij bij [medeverdachte 1] om de vrachtwagen van Fasol op te vangen. Wie had jou daar opdracht voor gegeven?

Antwoord: [medeverdachte 3] heeft mij daar opdracht voor gegeven. Zijn tankauto stond er al en er moest nog een auto met ontvetter komen. Dat was een auto van Fasol. Ik kreeg de opdracht van [medeverdachte 3] om de tankwagen van [medeverdachte 3] over te pompen in een andere lege vrachtwagen.”

Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [naam B.V.] een nieuwe inrichting heeft opgericht en in werking heeft gehad, ten behoeve van de opslag van gevaarlijke afvalstoffen, te weten 2,3 dimethylbutaan.

Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte aan deze verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd. Het hof acht oplegging van een geldboete ter hoogte van EUR 4.500,- in dit geval een passende reactie.

De inhoud van het procesdossier geeft het hof evenwel aanleiding te onderzoeken of in de onderhavige zaak het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.

De termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 19 september 2006, de dag waarop de verdachte in verzekering is gesteld.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 4 mei 2011. Aldus is er sprake van een tijdsverloop van meer dan vier jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigen.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot strafvermindering.

In de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn ziet het hof aanleiding een geldboete ter hoogte van EUR 4.000,- op te leggen.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en de artikelen 1a, 2 en 6 van de

Wet op de economische delicten, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof

onderworpen - en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte het onder 2 impliciet subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. T.A. de Roos en mr. F.P.E. Wiemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. van der Heijden, griffier,

en op 17 juli 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. F.P.E. Wiemans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.