Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX1231

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
12-07-2012
Zaaknummer
K11/0272
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beklag ex artikel 13 SV jo artikel 510 SV tegen beslissing niet strafrechtelijk vervolgen raadsheer ivm mogelijke valsheid in geschrifte bij het opmaken van het proces-verbaal van de terechtzitting.

Beklag wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K11/0272

Beschikking

inzake

[klager],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

klager,

bijgestaan door mr J.C. Oudijk, advocaat te Venlo,

tegen

[beklaagde],

lid van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,

beklaagde.

Op 8 augustus 2011 is ter griffie van het hof ’s-Hertogenbosch een voorlopig klaagschrift binnengekomen van klager dat zich richt tegen de beslissing van de officier van justitie te ’s-Hertogenbosch om tegen beklaagde geen strafvervolging in te stellen. Omdat beklaagde werkzaam is als raadsheer bij het hof ’s-Hertogenbosch, heeft de voorzitter van de beklagkamer van de strafsector van het hof ’s-Hertogenbosch het hof Arnhem verzocht de behandeling van het klaagschrift over te nemen. Het voorlopig klaagschrift is vervolgens op 10 augustus 2011 ter griffie van het hof Arnhem binnengekomen. Op 23 november 2011 is ter griffie van het hof Arnhem een aanvullend klaagschrift binnengekomen.

Het hof heeft kennisgenomen van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie te 's-Hertogenbosch, het schriftelijk verslag van de advocaat-generaal en de overige op deze zaak betrekking hebbende stukken.

Het beklag

Klager heeft in april 2011 schriftelijk aangifte gedaan bij de hoofdofficier van justitie te ‘s-Hertogenbosch van valsheid in geschrift dan wel frauduleus handelen dan wel oplichting, gepleegd door beklaagde. Beklaagde is werkzaam als raadsheer bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Hij was voorzitter van de strafkamer van dat hof in twee in hoger beroep dienende strafzaken tegen klager, die op 3 november 2009 zijn behandeld. Aanvankelijk had klager negen punten in zijn aangifte aangevoerd die volgens hem strafbare feiten zouden opleveren.

De officier van justitie heeft bij brief van 9 mei 2011 aan klager medegedeeld dat hij in de aangifte geen aanknopingspunten ziet die een strafrechtelijke vervolging van beklaagde rechtvaardigen.

Uit het aanvullend klaagschrift volgt dat het beklag nog maar gericht is tegen één punt. Dit punt houdt in dat beklaagde in de processen-verbaal van de terechtzitting in de strafzaken op 3 november 2009 een onjuiste weergave heeft vermeld van hetgeen daadwerkelijk met betrekking tot het voeren van het laatste woord heeft plaatsgevonden. Indien dit opzettelijk is gebeurd, is er volgens klager sprake van valsheid in geschrift.

De beoordeling van het beklag

Klager kan als rechtstreeks belanghebbende worden beschouwd en is derhalve ontvankelijk in zijn beklag.

Bij de beoordeling van het beklag is van belang allereerst vast te stellen dat beklaagde werkzaam is als raadsheer in het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het hof verstaat daarom het op de voet van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ingediende klaagschrift aldus dat ex artikel 13 van het Wetboek van Strafvordering ge¬klaagd wordt over het uitblijven van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 510 van het Wetboek van Strafvordering. Op grond van artikel 13 Wetboek van Strafvordering is dit hof aangewezen als het gerecht dat bevoegd is dit beklag te beoordelen.

Klager stelt dat hij tijdens de behandeling van zijn strafzaken op 3 november 2009 niet heeft gezegd “Ik wil niets als laatste woord zeggen”, maar dat hem het laatste woord juist onthouden is doordat beklaagde heeft gezegd dat hij de zitting sloot en niets meer van klager wilde horen. Volgens klager dient nader onderzoek te worden verricht en moeten in dat kader naast beklaagde en de griffier, ook de andere ter terechtzitting aanwezig personen, te weten de overige leden van het hof, de advocaat-generaal en de toenmalige raadsman van klager worden gehoord over hetgeen met betrekking tot het voeren van het laatste woord is voorgevallen.

Volgens artikel 326 van het Wetboek van Strafvordering dient in het proces-verbaal van de terechtzitting vermeld te worden of en hoe de in acht te nemen vormen zijn nageleefd en verder al hetgeen met betrekking tot de zaak op de terechtzitting is voorgevallen. In het proces-verbaal hoeft niet letterlijk weergegeven te worden wat onder meer een verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. Volstaan kan worden met een zakelijke, niet woordelijke weergave van die verklaring. Het proces-verbaal wordt vastgesteld en ondertekend door de voorzitter of één van de rechters/raadsheren die over de zaak hebben geoordeeld én de griffier. Met de vaststelling en ondertekening geven degenen die hebben ondertekend te kennen dat zij gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de juistheid en volledigheid van het proces-verbaal. Het proces-verbaal wordt in beginsel voor juist gehouden, tenzij er zwaarwegende aanwijzingen zijn voor het tegendeel daarvan. Naar het oordeel van het hof is daarvan in de onderhavige zaak niet gebleken. Niet alleen beklaagde heeft de processen-verbaal van de terechtzitting van 9 november 2009 ondertekend en daarmee aangegeven dat hij voor de juistheid en de volledigheid daarvan instaat. Ook de griffier heeft de processen-verbaal ondertekend en aldus te kennen gegeven dat hij voor de juistheid en de volledigheid daarvan instaat.

Mede gelet op het tijdsverloop van ruim twee jaar sinds de terechtzitting op 3 november 2009 acht het hof het door klager verlangde nader onderzoek, bestaande uit het horen van de overige tijdens de terechtzitting aanwezige personen, thans niet meer zinvol.

Het hof stelt bovendien vast dat óók in de lezing van klager hem het laatste woord niet is onthouden, maar dat hem dit zou zijn ontnomen. Een dergelijke processuele beslissing behoort tot de bevoegdheden van de voorzitter van een strafkamer.

Nu bij deze stand van zaken niet blijkt van een redelijk vermoe¬den van het plegen van enig strafbaar feit door beklaagde is er geen aanleiding om op voet van artikel 13 van het Wetboek van Strafvordering het indienen van een verzoekschrift als bedoeld in artikel 510 van het Wetboek van Strafvordering te bevelen.

Uit het voorgaande volgt dat het beklag kennelijk ongegrond is. Daarom kan een verhoor van betrokkenen achterwege blijven. Er wordt beslist als volgt.

Beslissing

Het hof:

Wijst het beklag af.

Deze beschikking is gegeven door mr R. van den Heuvel, voorzitter, mr G. Mintjes en mr M.L.H.E. Roessingh-Bakels, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr C.J. Broersma, griffier, op

en ondertekend door de voorzitter en de griffier.