Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0732

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
12-00040
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking WOZ 2010. Vanwege een summiere motivering heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Om die reden is belanghebbende, ondanks zijn verzoek daartoe, ook niet gehoord. In beroep heeft de Rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigd en de zaak teruggewezen naar de Heffingsambtenaar. Vervolgens heeft de Heffingsambtenaar het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Om die reden is belanghebbende wederom niet gehoord. De Rechtbank heeft het daartegen ingestelde beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. In hoger beroep oordeelt het Hof dat van kennelijke ongegrondheid van het bezwaar geen sprake is. Uit de administratie van de gemachtigde van belanghebbende, een deskundige op het gebied van problematiek inzake de WOZ, volgt dat de WOZ-waarden ten minste voor discussie vatbaar zijn. Bovendien heeft de Heffingsambtenaar deze waarden slechts met taxatieverslagen onderbouwd. Eerst na het instellen van het tweede beroep heeft de Heffingsambtenaar een taxatierapport op laten stellen. Volgens het Hof heeft de Heffingsambtenaar in ernstige mate in strijd gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook heeft hij in ernstige mate de hoorplicht geschonden. Wat dit laatste betreft merkt het Hof op dat het de Heffingsambtenaar niet siert dat hij zich in zijn verweerschrift in hoger beroep en ter zitting heeft afgevraagd wat überhaupt de toegevoegde waarde van het horen van belanghebbende zou kunnen zijn.

Terugwijzing van de zaak vindt niet plaats omdat partijen ermee akkoord zijn gegaan dat het Hof de WOZ-waarden vermindert met € 8.000. Volgt gegrondverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1745
Belastingblad 2012/416 met annotatie van J.P. Kruimel
V-N 2012/46.27.8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00040

Uitspraak op het hoger beroep van

X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Roermond (hierna: de Rechtbank) van 9 december 2011, nummer

AWB 10/1201, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leudal,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende na te noemen beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 28

februari 2010 (hierna: de beschikking) krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ), per waardepeildatum 1 januari 2009, voor het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010, de waarde van de te A gelegen onroerende zaken A-straat 1, B-straat 1, B-straat 2 en B-straat 3 vastgesteld op € 131.000 en van de te A gelegen onroerende zaak A-straat 2 op € 133.000 (hierna gezamenlijk: de onroerende zaken). Bij uitspraak van 17 mei 2010 heeft de Heffingsambtenaar het tegen de beschikking gemaakte bezwaar ingevolge artikel 6:6, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Belanghebbende is van de uitspraak van 17 mei 2010 in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

Bij schriftelijke uitspraak van 20 juli 2010, nummer AWB 10/628, heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van 17 mei 2010 vernietigd, gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 41 vergoedt en de Heffingsambtenaar veroordeeld in de kosten van de beroepsprocedure bij de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op

€ 437 (wegens kosten van rechtsbijstand).

Bij uitspraak van 3 augustus 2010 heeft de Heffingsambtenaar vervolgens de beschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van de uitspraak van 3 augustus 2010 in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41.

Bij schriftelijke uitspraak van 9 december 2011, nummer AWB 10/1201, heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van

€ 112.

De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 23 mei 2012 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Heffingsambtenaar.

1.6. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat in afschrift aan partijen is gezonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende heeft op 9 april 2010 bezwaar aangetekend tegen de beschikking, welk bezwaar, voor zover van belang, als volgt luidt:

"(...) Deze WOZ-waarden zijn naar mijn oordeel te hoog vastgesteld. Op basis van de bij mij bekende administratieve gegevens vind ik de door u vastgestelde WOZ-waarden tenminste (Hof: bedoeld is ten minste) 20% te hoog.

(...) Ik verzoek u van elk WOZ-object op deze aanslag ons een exemplaar van het taxatieverslag toe te zenden zodat wij de door u vastgestelde WOZ-waarden op (...) juistheid kunnen beoordelen.

(...) Tot slot vraag ik u de uitspraak op bezwaar aan te houden totdat u van een door mij ingeschakelde taxateur het taxatierapport of waardeadvies heeft ontvangen. Mocht u evengoed voornemens zijn dit bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond te verklaren dan wil graag gehoord worden (...)."

2.2. Bij brief van 12 april 2010 heeft de Heffingsambtenaar de ontvangst van het bezwaarschrift bevestigd. Tevens heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende in die brief verzocht het bezwaar binnen 3 weken te motiveren. Voor het geval binnen die termijn geen motivering zou volgen, heeft de Heffingsambtenaar aangekondigd het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk te zullen verklaren. Omdat een reactie van belanghebbende is uitgebleven, heeft de Heffingsambtenaar vervolgens bij uitspraak van 17 mei 2010 het bezwaar ingevolge artikel 6:6, onderdeel a, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft de Heffingsambtenaar in die uitspraak opgemerkt dat hij ingevolge artikel 7:3, onderdeel a, van de Awb heeft afgezien van het horen van belanghebbende.

2.3. Nadat belanghebbende beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 17 mei 201, heeft de Rechtbank bij uitspraak van 20 juli 2010, nr. AWB 10/628, het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van 17 mei 2010 vernietigd. Vervolgens heeft de Heffingsambtenaar, zonder contact op te nemen met (de gemachtigde van) belanghebbende, bij uitspraak van 3 augustus 2010 het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Tevens heeft de Heffingsambtenaar in die uitspraak opgemerkt dat hij ingevolge artikel 7:3, onderdeel b, van de Awb heeft afgezien van het horen van belanghebbende.

2.4. Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen de uitspraak van 3 augustus 2010 bij de Rechtbank ingestelde beroep, heeft de Heffingsambtenaar de onroerende zaken laten taxeren door B, gediplomeerd WOZ-taxateur. In haar rapporten van 19 november 2010 heeft B de waarde van de onroerende zaken, zoals vastgesteld bij de beschikking, bevestigd. Bij uitspraak van 9 december 2011, nr. AWB 10/1201, heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaken per waardepeildatum 1 januari 2009 juist, althans niet te hoog, heeft vastgesteld.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak van de Heffingsambtenaar en tot terugwijzing van de zaak naar de Heffingsambtenaar opdat deze, na belanghebbende te hebben gehoord, opnieuw uitspraak op bezwaar doet. De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Belanghebbende bepleit terugwijzing van de zaak naar de Heffingsambtenaar omdat de Heffingsambtenaar na de uitspraak van de Rechtbank van 20 juli 2010, nummer AWB 10/628, reeds op 3 augustus 2010 opnieuw uitspraak op bezwaar heeft gedaan zonder belanghebbende in de gelegenheid te hebben gesteld zijn bezwaar nader te motiveren en zonder hem te hebben gehoord. De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat terugwijzing achterwege dient te blijven omdat evident is dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Belanghebbende heeft zijn bezwaar immers niet gemotiveerd, ook niet nadat hij daartoe in de gelegenheid was gesteld bij de brief van 12 april 2010 en ook niet in zijn schriftuur naar aanleiding van het beroep tegen de uitspraak van 17 mei 2010.

4.2. In zijn uitspraak van 20 juli 2010, nummer AWB 10/628, heeft de Rechtbank, voor zover van belang, het volgende overwogen:

"2.4. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift van 2 april 2010 gronden bevat, hetzij (Hof: bedoeld is zij het) summiere gronden. In bezwaar is door eisers gemachtigde aangegeven dat de WOZ-waarden naar zijn oordeel te hoog zijn vastgesteld. Hij is van mening dat de vastgestelde WOZ-waarden tenminste (Hof: bedoeld is ten minste) 20% te hoog zijn. Verder heeft de gemachtigde gewezen op de hoorplicht.

2.5. De hiervoor weergegeven inhoud van het bezwaarschrift laat geen andere uitleg toe dan dat eiser heeft doen blijken dat hij met verweerder van mening verschilde over de juistheid van de WOZ-beschikking 2010. Volgens de rechtbank ligt hierin onmiskenbaar besloten een grond voor het maken van bezwaar tegen de WOZ-beschikking 2010. Nu artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, (Hof: van de Awb) geen eisen stelt aan de gefundeerdheid van de motivering van een bezwaar, heeft verweerder ten onrechte een verzuim als in die bepaling bedoeld aanwezig geacht."

Naar aanleiding van deze overwegingen heeft de Rechtbank de uitspraak van de Heffingsambtenaar van 17 mei 2010 vernietigd en (impliciet) met toepassing van artikel 8:72, lid 4, onderdeel a, van de Awb de Heffingsambtenaar opgedragen opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.

4.3. Vervolgens heeft de Heffingsambtenaar, zonder contact op te nemen met (de gemachtigde van) belanghebbende, bij uitspraak van 3 augustus 2010 het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 148). Het Hof is van oordeel dat van kennelijke ongegrondheid van het bezwaar van belanghebbende geen sprake is. Uit het bezwaarschrift van belanghebbende volgt immers dat uit de administratie van de gemachtigde van belanghebbende, een deskundige op het gebied van problematiek inzake de WOZ, volgt dat de vastgestelde waarde van de onroerende zaken ten minste voor discussie vastbaar is. Bovendien heeft de Heffingsambtenaar op 3 augustus 2010 de waarde van de onroerende zaken slechts onderbouwd met taxatieverslagen; de door B opgestelde taxatierapporten dateren immers eerst van 19 november 2010. Hieraan doet naar het oordeel van het Hof niet af dat belanghebbende naar aanleiding van de brief van de Heffingsambtenaar van 12 april 2010 zijn bezwaarschrift niet nader heeft gemotiveerd, zij het dat het ten minste voor de hand had gelegen dat belanghebbende naar aanleiding van die brief contact had opgenomen met de Heffingsambtenaar. Hetzelfde heeft te gelden voor het feit dat belanghebbende geen nadere motivering van zijn bezwaar heeft gegeven in zijn beroepschrift ter zake van het beroep tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar van 17 mei 2010, welk beroep is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

4.4. In het vorenstaande ligt besloten dat de Heffingsambtenaar, doordat hij geen contact heeft gezocht met belanghebbende, in ernstige mate in strijd heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die hij in acht dient te nemen bij de behandeling van een bezwaarschrift. Dit geldt te meer nu belanghebbende in zijn bezwaar het aanbod heeft gedaan zijn standpunt met betrekking tot de waarde van de onroerende zaken te onderbouwen met taxatierapporten en/of waardeadviezen. De Heffingsambtenaar had belanghebbende over de stand van zaken daaromtrent ten minste dienen te consulteren. Voorts ligt om dezelfde reden in het vorenstaande besloten dat de Heffingsambtenaar in ernstige mate de op hem rustende hoorplicht van artikel 7:2 van de Awb heeft geschonden. In dit verband merkt het Hof nog op dat het de Heffingsambtenaar niet siert dat hij zich, kennelijk vanuit de overtuiging van de juistheid van de door hem vastgestelde waarde van de onroerende zaken, in zijn verweerschrift in hoger beroep en ter zitting heeft afgevraagd wat überhaupt de toegevoegde waarde van het horen van belanghebbende zou kunnen zijn.

4.5. De omstandigheid dat in bezwaar noch in beroep een inhoudelijke beoordeling van de beschikking heeft plaatsgevonden, is naar het oordeel van het Hof reden om ingevolge artikel 27j, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 8:72, lid 4, onderdeel a, van de Awb de zaak terug te wijzen naar de Heffingsambtenaar en hem te gelasten om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw uitspraak op bezwaar te doen (vergelijk in dit verband onder andere het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2003, 37 790, V-N 2003/22.10). Terugwijzing zal evenwel niet geschieden, omdat partijen, nadat het Hof hen het vorenstaande ter zitting heeft voorgehouden, ermee akkoord zijn gegaan dat het Hof de zaak afhandelt en de vastgestelde waarde van ieder van de onroerende zaken, gelet op de verkoopprijs van

€ 115.000 van het door belanghebbende in zijn hoger beroepschrift genoemde vergelijkingsobject B-straat 4 te A, vermindert met € 8.000.

4.6. Gelet op al het vorenoverwogene is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 respectievelijk € 112 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.9. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 is € 874 in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en op 2 (punten) x € 437 x 1,5 is € 1.311 in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof, is in totaal € 2.185.

4.10. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.11. Ter zitting is aan de orde geweest dat de Rechtbank in zijn uitspraak van 20 juli 2010, nr. AWB 10/628, de Heffingsambtenaar niet heeft veroordeeld in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, terwijl belanghebbende daar in zijn bezwaarschrift wel om heeft verzocht. Partijen zijn overeengekomen dat deze kosten, in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te stellen op € 218, worden toegevoegd aan de in 4.9 berekende kosten.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar,

- vermindert de waarde van ieder van de onroerende zaken A-straat 1, B-straat 1, B-straat 2 en B-straat 3 tot € 123.000 en van de onroerende zaak A-straat 2 tot

€ 125.000,

- gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 153 vergoedt, en

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar en van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.403.

Aldus gedaan op 6 juli 2012

door P.A.G.M. Cools, voorzitter, M. van Dun en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.