Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BX0729

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
09-07-2012
Zaaknummer
11-00770
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proceskostenvergoeding. De omstandigheid dat de door belanghebbende ingeschakelde gemachtigde en de door hem ingeschakelde taxateur werkzaam zijn bij hetzelfde kantoor staat er niet aan in de weg dat de taxateur aangemerkt wordt als (onafhankelijke) deskundige. De kosten van het taxatierapport komen daarom voor vergoeding in aanmerking naast vergoeding voor kosten wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De taxatie was zodanig complex, dat een uurtarief van 80 euro kan worden vergoed. Klacht van de heffingsambtenaar dat belanghebbende door de 'no cure no pay' afspraak in hoger beroep geen belang meer had bij de uitkomst van de procedure wordt verworpen onder verwijzing naar Hoge Raad 7 oktober 2011, nr. 10/05199, LJN BT6841.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1731
FutD 2012-2035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00770

Uitspraak op het hoger beroep van

het hoofd van de sector Publiekszaken van de dienst Algemene en Publiekszaken van de gemeente Eindhoven,

hierna: de Heffingsambtenaar,

en het incidenteel hoger beroep van

Stichting X,

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de Rechtbank) van 24 november 2011, nummer AWB 10/4267, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende de in het kader van de Wet waardering onroerende zaken aan belanghebbende gegeven beschikking waarbij de waarde van de onroerende zaken plaatselijk bekend als A-straat 1 en A-straat 2 (hierna: de objecten) per de waardepeildatum 1 januari 2009 is vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2010 tot 1 januari 2011, alsmede de gelijktijdig met die beschikking opgelegde aanslag onroerende-zaakbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn de bovengenoemde beschikking en aanslag gegeven. Belanghebbende heeft daartegen tijdig bezwaar ingesteld. Belanghebbende heeft daarbij verzocht om verlaging van de vastgestelde WOZ-waarden en dienovereenkomstige vermindering van de aanslag en om een vergoeding van kosten van bezwaar op de voet van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Bij de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 22 november 2010 heeft de Heffingsambtenaar de vastgestelde waarde van de objecten A-straat 1 en A-straat 2 verlaagd, een vergoeding toegekend voor de kosten van rechtsbijstand, maar het verzoek om vergoeding van de kosten van een door belanghebbende overgelegd taxatierapport afgewezen.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd voor zover de Heffingsambtenaar daarbij de vergoeding van kosten voor het namens belanghebbende in de bezwaarfase ingebrachte taxatierapport had geweigerd, de Heffingsambtenaar veroordeeld in de kosten van voornoemd taxatierapport voor een bedrag van € 150 inclusief BTW, de Heffingsambtenaar veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte proceskosten ten bedrage van € 437 en gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 298 zou vergoeden.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Heffingsambtenaar heeft het incidentele hoger beroep beantwoord en tevens een conclusie van repliek ingediend in het principale hoger beroep. Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 31 mei 2012 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Heffingsambtenaar.

1.6. Het Hof heeft ten slotte het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

2. Feiten

2.1. Het Hof stelt de volgende feiten vast als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander niet, althans onvoldoende, weersproken.

2.2. Belanghebbende was op 1 januari 2010 eigenaar van de objecten. Het betreft verhuurde winkelruimten.

2.3. Belanghebbende heeft zich in de bezwaarfase laten bijstaan door een gemachtigde die verbonden is aan het bureau A. Belanghebbende heeft een taxatierapport van de objecten laten opmaken door een taxateur. Deze taxateur is eveneens verbonden aan het bureau A.

Het bureau A heeft de rechtsvorm van een vennootschap onder firma. Voornoemde gemachtigde en taxateur zijn vennoten in deze vennootschap.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende op de voet van artikel 7:15 van de Awb recht heeft op vergoeding van de kosten van het taxatierapport opgesteld door A. Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daar, zakelijk weergegeven, het volgende aan toegevoegd:

De Heffingsambtenaar

* Namens de gemeente is als reactie op het bezwaar nog eens naar de kwestie gekeken. De gemeente heeft toen aan belanghebbende een advies van zijn bevindingen (taxatie-advies) gezonden en belanghebbende is akkoord gegaan.

* Het taxatierapport van belanghebbende is opgemaakt nadat de taxateur van de gemeente het taxatie-advies aan haar had kenbaar gemaakt.

* Het door belanghebbende ingezonden taxatierapport was dermate slecht, dat men zich ter gemeente daarover verbaasd heeft. Men heeft er wel naar gekeken, maar het vervolgens wegens de slechte kwaliteit terzijde geschoven.

* Het taxatierapport is onnodig opgemaakt. Het heeft niet bijgedragen tot de beslissing.

Namens belanghebbende

* Ik weerspreek dat het taxatierapport niet van goede kwaliteit is.

* Ik weerspreek dat het taxatierapport geen rol heeft gespeeld bij de beslissing van de gemeente.

* Ik weerspreek dat het taxatierapport pas is opgemaakt na ontvangst van het taxatie-advies van de Heffingsambtenaar. Ik wijs op de gang van zaken. Bij brief van 24 september 2010 stuurt belanghebbende het taxatierapport aan de Heffingsambtenaar. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 22 november 2010. In die uitspraak staat dat naar aanleiding van het bezwaar de taxateur de vastgestelde waarde opnieuw heeft onderzocht en dat de taxateur zijn bevindingen in een advies heeft opgenomen. Dat advies is als bijlage bij de uitspraak op bezwaar opgenomen en niet eerder toegezonden aan belanghebbende of haar gemachtigde. De uitspraak verwijst met zoveel woorden naar die bijlage. De Heffingsambtenaar heeft dus twee maanden op het door belanghebbende toegezonden taxatierapport "gekauwd" voordat hij met de uitspraak op bezwaar kwam.

3.3. De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert eveneens tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, alsmede tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot een veroordeling van de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten van het taxatierapport ten bedrage van € 240 exclusief BTW (drie uur x € 80), alsmede tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep op basis van artikel 8:75 van de Awb.

4. Gronden

Vooraf

4.1. De Heffingsambtenaar heeft schriftelijk gesteld dat de gemachtigde niet over een toereikende volmacht beschikte tot het instellen van beroep en hoger beroep, althans hij heeft op dat punt ernstige twijfels geuit en het Hof verzocht de machtiging op rechtsgeldigheid te onderzoeken. Ter zitting heeft hij echter nadrukkelijk verklaard niet (langer) de stelling in te nemen dat de gemachtigde niet beschikte over een toereikende machtiging tot het instellen van beroep of hoger beroep. Hij merkt wel op, dat de gang van zaken rond de schriftelijke volmachten erg rommelig was, maar niet te twijfelen aan het bestaan van een rechtsgeldige volmacht.

4.2. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard al jaren de zaken van belanghebbende te behartigen en met instemming en machtiging van belanghebbende het beroep en hoger beroep te hebben ingesteld. Het Hof heeft geen reden daaraan te twijfelen.

Ten aanzien van het geschil

4.3. De Heffingsambtenaar voert in hoger beroep de volgende klachten aan:

I. De Rechtbank heeft ten onrechte nagelaten een onderzoek in te stellen naar de objectiveerbare expertise van de taxateur en heeft verzuimd om na te gaan of de taxateur wel gediplomeerd en gecertificeerd was om als deskundige aangemerkt worden.

II. (a) De Rechtbank is ten onrechte voorbijgegaan aan de verwevenheid tussen gemachtigde en de taxateur. De Rechtbank heeft het gezamenlijke financieel belang van deze personen ten onrechte niet onderzocht. Deze verwevenheid c.q. dit gezamenlijk financieel belang staat de onpartijdigheid van de taxateur in de weg. De taxateur had zich op zijn minst dienen te verschonen.

(b) Het taxatierapport heeft geen rol gespeeld in de bezwaarfase, zodat de kosten daarvan niet als kosten van werkzaamheden van een deskundige kunnen worden aangemerkt.

III. De gemachtigde en de taxateur werken op een "no cure no pay" basis. De materiële zaak is al in het voordeel van belanghebbende beslecht. De toegekende proceskostenvergoeding vloeit op grond van de "no cure no pay" afspraak geheel toe aan de gemachtigde en de taxateur. Dit betekent dat de procedures in beroep en hoger beroep niet plaatsvinden in het belang van belanghebbende, doch uitsluitend in het belang van de gemachtigde en de taxateur. De Hoge Raad heeft weliswaar geoordeeld dat dergelijke afspraken het toekennen van een proceskostenvergoeding niet belemmeren, maar die jurisprudentie is fout. De Hoge Raad dient om te gaan.

4.4. Belanghebbende voert in incidenteel hoger beroep de volgende klacht aan:

IV. De Rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het door de taxateur in rekening gebrachte tarief van € 80 per uur gematigd dient te worden tot € 50 per uur, inclusief BTW.

4.5. Ten aanzien van deze klachten overweegt het Hof als volgt.

Klacht I. De diploma's van de taxateur

4.6. De Heffingsambtenaar heeft voor de Rechtbank gesteld dat de taxateur niet over de benodigde diploma's en/of certificaten beschikte. De Rechtbank heeft deze stelling onbehandeld gelaten.

4.7. In hoger beroep heeft de Heffingsambtenaar te kennen gegeven niet langer de deskundigheid van de taxateur te betwisten en niet langer te betwisten dat deze over de noodzakelijke diploma's en/of certificaten beschikt. Hij heeft niettemin zijn klacht dat de Rechtbank ten onrechte niet op zijn stelling is ingegaan, gehandhaafd. Deze klacht, hoewel terecht, kan de Heffingsambtenaar niet baten, omdat het Hof aan de gegrondheid van deze klacht, nu de deskundigheid van de taxateur niet langer in geschil is, geen gevolgen kan verbinden. Opgemerkt zij, dat indien het motiveringsgebrek in de uitspraak van de Rechtbank de enige reden zou zijn geweest voor de Heffingsambtenaar tot het instellen van hoger beroep, het Hof in die omstandigheid aanleiding zou kunnen vinden om, zelfs indien het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard, af te zien van het heffen van griffierecht. Die situatie doet zich echter niet voor. Het Hof acht, gelet op de overige door de Heffingsambtenaar aangevoerde grieven, aannemelijk dat hij ook bij een door de Rechtbank uitgevoerd onderzoek naar de deskundigheid van de taxateur, hoger beroep zou hebben ingesteld.

Klacht II. De verwevenheid van belangen en de schijn van partijdigheid

4.8. Het Hof hanteert het volgende uitgangspunt. Zolang de werkzaamheden van de gemachtigde, bestaande uit het verrichten van rechtsbijstand, en de werkzaamheden van de deskundige, optredend als taxateur, daadwerkelijk door twee afzonderlijke personen worden verricht, staat de omstandigheid dat deze twee personen verbonden zijn aan hetzelfde bureau, er niet aan in de weg dat een vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Awb wordt toegekend voor zowel de kosten van rechtsbijstand (de gemachtigde) als voor de kosten van de deskundige (de taxateur).

4.9. Belanghebbende heeft gesteld, en het Hof acht aannemelijk, dat de werkzaamheden bestaande uit rechtsbijstand en de werkzaamheden bestaande uit het verrichten van de taxatie door twee verschillende personen zijn verricht. De kosten van deze werkzaamheden komen daarom afzonderlijk voor vergoeding in aanmerking.

4.10. De Heffingsambtenaar heeft voorts gewezen op de verwevenheid van de gemachtigde en de taxateur en gesteld dat het daaruit voortvloeiende gezamenlijke financiële belang dat dezen hebben bij de uitkomst van het geschil, de schijn van partijdigheid van de taxateur oproept. Het Hof volgt deze stelling niet. Weliswaar kan, indien tussen de deskundige en de belanghebbende een relatie bestaat, bijvoorbeeld een financiële verbondenheid of een familieverhouding, die relatie meebrengen dat geen sprake is van een onpartijdig vervullen van de opdracht als bedoeld in artikel 8:34 van de Awb (vgl. Hoge Raad 24 september 2010, nr. 09/03034, LJN BN8082, V-N 2010/63.13), maar die situatie doet zich hier niet voor. Niet valt in te zien hoe een eventuele, financiële of andersoortige, verwevenheid tussen de taxateur en de gemachtigde mee zou brengen dat de taxateur ten opzichte van de belanghebbende zijn taak niet onpartijdig zou kunnen uitoefenen.

4.11. De Heffingsambtenaar heeft voorts gesteld dat het taxatierapport niet heeft bijgedragen tot de beslissing genomen in de bezwaarfase. Hij stelt in reactie op het bezwaarschrift over te zijn gegaan tot een integrale herbeoordeling, en in dat kader een taxatie-advies aan belanghebbende te hebben gezonden. Belanghebbende is met dat taxatie-advies akkoord gegaan. Pas naderhand heeft belanghebbende, zo stelt de Heffingsambtenaar, het taxatierapport laten opmaken, althans aan de Heffingsambtenaar toegezonden.

4.12. Belanghebbende heeft de door de Heffingsambtenaar geschetste gang van zaken weersproken op de wijze als hierboven, onderdeel 3.2, beschreven.

4.13. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van een brief van de gemachtigde aan de Heffingsambtenaar, gedagtekend 24 september 2010, waarop geplaatst een stempel van ontvangst "gemeente Eindhoven - 27 september 2010". Deze brief vermeldt als onderwerp "taxatierapport ter aanvulling". De eerste alinea van de brief luidt: "bijgaand treft u het taxatierapport van bovengenoemd onroerend goed aan als extra onderbouwing van het door ons ingediende bezwaarschrift". De brief bevat als bijlage genoemd taxatierapport.

4.14. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 22 november 2010. De uitspraak bevat de volgende passage: "Naar aanleiding van uw bezwaar heeft de taxateur de vastgestelde waarde opnieuw onderzocht. Dit wordt een volledige herbeoordeling van het genomen besluit genoemd. De taxateur heeft zijn bevindingen, alsmede een samenvatting van de door u aangevoerde grieven, in een advies opgesteld. Dit advies treft u als bijlage aan."

4.15. Gelet op de inhoud van deze stukken, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende op 24 september 2010 haar taxatierapport aan de Heffingsambtenaar zond, dat de Heffingsambtenaar op 27 september 2010 daarover beschikte en dat de Heffingsambtenaar zijn taxatie-advies voor het eerst bijna twee maanden later, als bijlage bij de uitspraak op bezwaar, aan belanghebbende heeft gezonden. De Heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat het taxatie-advies ook al op een eerdere datum aan belanghebbende is gestuurd. Het Hof acht voorts aannemelijk dat de Heffingsambtenaar het taxatierapport van belanghebbende in deze periode van bijna twee maanden in zijn "volledige herbeoordeling" heeft betrokken. De Heffingsambtenaar heeft immers gesteld naar het taxatierapport van belanghebbende te hebben gekeken, maar het vervolgens als van onvoldoende kwaliteit terzijde te hebben geschoven. Nu tussen partijen, zoals hierboven overwogen, de deskundigheid van de taxateur niet in geschil is, treft de stelling van de Heffingsambtenaar omtrent de kwaliteit van het taxatierapport geen doel. Het Hof is overigens van oordeel dat de stelling onjuist is. Wat daar ook van zij, uit het voorgaande volgt, dat het taxatierapport tijdig is ingebracht in de bezwaarfase, dat de Heffingsambtenaar daarom verplicht was dat stuk bij de behandeling van het bezwaar te betrekken en dat hij dat ook inderdaad gedaan heeft. De omstandigheid dat het rapport de Heffingsambtenaar, naar hij stelt, niet tot andere inzichten heeft gebracht, is niet relevant.

4.16. De werkzaamheden van de taxateur kunnen bijgevolg worden aangemerkt als de werkzaamheden van een deskundige in de zin van artikel 8:34 van de Awb.

Klacht III. No cure, no pay

4.17. De derde klacht verdraagt zich niet met het arrest van de Hoge Raad van 7 oktober 2011, nr. 10/05199, LJN BT6841, BNB 2011/281. Het Hof zal het oordeel van de Hoge Raad volgen, en verwerpt deze klacht.

Klacht IV. De hoogte van het uurtarief van de taxateur

4.18. Naar het oordeel van het Hof was sprake van een lastige en ongebruikelijke taxatie. De werkzaamheden waren van zodanig bijzondere aard, dat getoetst aan het criterium van artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken (dat via artikel 2, lid 1, onderdeel b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht hier van toepassing is), het door de taxateur in rekening gebrachte tarief van € 80 per uur exclusief BTW voor vergoeding in aanmerking komt.

4.19. Het Hof merkt op, dat het taxatierapport betrekking heeft op drie objecten: het object B-straat 1, A-straat 1 en A-straat 2. De onderhavige procedure betreft de twee laatstgenoemde objecten aan de A-straat. Belanghebbende heeft in de onderhavige procedure om vergoeding van een bedrag van drie uren ad € 80 verzocht, zonder daarop een pro rata vermindering toe te passen voor zover de taxatiewerkzaamheden betrekking hadden op het pand aan de B-straat. De Heffingsambtenaar heeft zich evenmin op het standpunt gesteld dat een zodanige vermindering moet worden toegepast. Nu partijen kennelijk eenparig van mening zijn dat voor een dergelijke vermindering geen plaats is, zal het Hof hen daarin volgen.

Slotsom

4.20. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is, dat het incidenteel hoger beroep gegrond is, en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.21. Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft op uitsluitend andere dan door de Heffingsambtenaar in hoger beroep aangevoerde gronden, wordt van de Heffingsambtenaar een griffierecht geheven € 454.

Ten aanzien van de proceskosten

4.22. Nu het door de Heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof en de Rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De Rechtbank heeft reeds een vergoeding toegekend voor de kosten van rechtsbijstand alsmede de kosten van het taxatierapport. Het Hof is slechts met betrekking tot de kosten van het taxatierapport tot een ander oordeel gekomen dan de Rechtbank. Om redenen van eenvoud zal het Hof echter de gehele uitspraak van de Rechtbank vernietigen en opnieuw rechtdoen en daarbij de tegemoetkoming vaststellen.

4.23. Het Hof stelt de tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op:

Rechtsbijstand in beroep:

€ 437 zijnde het door de Rechtbank vastgestelde bedrag. Belanghebbende heeft de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor van 0,5 in hoger beroep niet bestreden.

Rechtsbijstand in hoger beroep:

2 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 874.

4.24. Voor wat betreft de kosten van het taxatierapport heeft belanghebbende recht op een vergoeding van € 240. Naar het Hof begrijpt, heeft belanghebbende recht op vooraftrek van omzetbelasting, zodat het bedrag niet verhoogd behoeft te worden met de door de taxateur in rekening gebrachte BTW.

4.25. Totaal te vergoeden € 437 + € 874 + € 240 = € 1.551.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond,

- verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voor zover de Heffingsambtenaar daarbij de vergoeding van de kosten voor het ingebrachte taxatierapport heeft geweigerd,

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende in de bezwaarfase, verband houdende met de opstelling van het namens haar ingebrachte taxatierapport, ter hoogte van € 240,

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met het beroep bij de Rechtbank en hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken tot een bedrag van (€ 437 + € 874 =) € 1.311,

- gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht bij de Rechtbank ten bedrage van € 298 vergoedt, en

- bepaalt dat van de Heffingsambtenaar ter zake van het door hem ingestelde hoger beroep door tussenkomst van de griffier een griffierecht wordt geheven van € 454.

Aldus gedaan op 6 juli 2012

door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en T.A. Gladpootjes, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.