Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9711

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
HV 200.096.959
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2011:BR5518, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding; gemeenschappelijke woning met eigendomsverhouding 99% - 1%; vergoedingsrechten; verzekeringspolissen ter compensatie van verloren opbouw AOW vallen niet onder werking verrekenbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht, zevende kamer

Uitspraak : 19 juni 2012

Zaaknummer : HV 200.096.959

Zaaknummer eerste aanleg : 98789/FA RK 10-99

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.A.P.J. van den Biggelaar,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. B. du Fossé.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Roermond van 12 augustus 2009, 6 januari 2010 (verbeterd bij beschikking van 10 februari 2010), 31 maart 2010 en 10 augustus 2011 (hierna: de bestreden beschikking).

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 november 2011, heeft de man verzocht – kort gezegd – de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de huwelijkse voorwaarden af te wikkelen en de gemeenschappelijke goederen te verdelen op de door de man voorgestane wijze, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, met producties, ingekomen ter griffie op 30 december 2011, heeft de vrouw verweer gevoerd, verzocht de beschikking van 10 augustus 2001 (het hof leest 10 augustus 2011) te vernietigen wat betreft de twee AXA polissen en de regeling met betrekking tot de schuld aan de ING Bank met rekeningnummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] en opnieuw rechtdoende – bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat:

1.de schuld aan de ING Bank met rekeningnummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] volledig voor rekening van de man komt, subsidiair te bepalen dat deze schuld voor rekening van partijen komt voor ieder de helft, waarbij met betrekking tot de opnamen van deze rekening na de verbreking van de samenwoning de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 6.275,69;

2.de man te veroordelen uit hoofde van het verrekenbeding met betrekking tot de twee levensverzekeringspolissen bij AXA met polisnummers [polisnummer sub 1.] en [polisnummer sub 2.] aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 48.061,-.

2.3. Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 10 februari 2012, heeft de man verweer gevoerd en verzocht het verzoek van de vrouw in incidenteel appel af te wijzen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 27 april 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Van den Biggelaar;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Du Fossé.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van mr. Du Fossé d.d. 11 april 2012;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 16 december 2010.

3. De beoordeling

3.1. In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan.

i.Partijen zijn op 13 december 1991 na het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

ii.De huwelijkse voorwaarden houden onder meer het volgende in:

“(…)

ARTIKEL 1.

Iedere vermogensgemeenschap wordt uitgesloten.

(…)

ARTIKEL 2.

(…)

b. De door ieder der echtgenoten (…) na de voltrekking van hun huwelijk nog te maken schulden (…) blijven te zijnen of te haren laste.

(…)

ARTIKEL 4.

a. Per het einde van elk kalenderjaar voegen de echtgenoten ter verdeling bij helfte bijeen, hetgeen van hun inkomen over dat jaar onverteerd is of door belegging van onverteerd inkomen is verkregen.

(…)

c. De verplichting tot bijeenvoeging en verdeling geldt niet met betrekking tot de tijd dat de echtelijke samenwoning verbroken is geweest.

ARTIKEL 5.

Onder inkomen als bedoeld in de artikelen 3 en 4 wordt verstaan:

a. winst uit onderneming, stakingswinsten daaronder begrepen, met uitzondering evenwel van overlijdenswinst;

b. zuivere inkomsten uit arbeid, uit vermogen of in de vorm van bepaalde periodieke uitkeringen en verstrekkingen; en

c. waardeveranderingen, ontstaan tijdens het huwelijk van rechten op het vermogen van naamloze- en besloten vennootschappen waarin bij voortduring een economisch belang wordt gehouden van meer dan vijftig procent (50%).

Voor de bepaling van de omvang van dit inkomen wordt voor zoveel mogelijk aangesloten aan de regels van ’s-Rijksbelastingwetgeving.

ARTIKEL 6.

a. Bestaat tussen de echtgenoten een geschil aan wie van hen beiden enig goed toebehoort en kan geen van beiden zijn recht op dit goed bewijzen, dan geldt het vermoeden dat het goed aan ieder der echtgenoten voor de helft toebehoort.

(…)

iii.Bij beschikking van 12 augustus 2009 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

iv.De echtscheidingsbeschikking is op 11 januari 2010 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

v.Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan het bepaalde in artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden.

3.2. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de huwelijkse voorwaarden afgewikkeld en de gemeenschappelijke goederen verdeeld.

3.3. Beide partijen kunnen zich met (onderdelen van) de bestreden beschikking niet verenigen en zijn ervan in hoger beroep gekomen.

3.3.1. De man heeft in principaal appel 16 grieven (waarvan één voorwaardelijk) gericht tegen de bestreden beschikking. De vrouw heeft in incidenteel appel 4 grieven (waarvan één voorwaardelijk) gericht tegen de bestreden beschikking. De grieven van de man en van de vrouw zien op de volgende onderwerpen:

a)De rechter die de bestreden beschikking heeft gegeven (grief 1 in principaal appel);

b)De peildatum voor de verdeling (grief 2 in principaal appel) en de peildatum voor de verrekening (grief 1 in incidenteel appel);

c)Het eigendomsaandeel in de voormalige echtelijke woning (grief 3 in principaal appel);

d)De verrekenvorderingen in verband met de voormalige echtelijke woning (grieven 3, 4, 5, 6 en 8 in principaal appel);

e)De vergoedingsrechten uit hoofde van in de woning geïnvesteerd privévermogen (grieven 11, 12 en 13 in principaal appel);

f)De verdeling van de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning (grieven 3, 4 en 8 in principaal appel);

g)De verdeling van de overige gemeenschappelijke goederen (grieven 6, 7, 14 en 15 in principaal appel en grieven 2 en 4 in incidenteel appel);

h)De gebruiksvergoeding (grief 7 in principaal appel)

i)De schuld aan Sparkasse [vestigingsplaats] (grief 9 in principaal appel);

j)Andere vergoedingsrechten (grief 10 in principaal appel);

k)De door de Nederlandse en Duitse fiscus opgelegde boetes (grief 16 in principaal appel);

l)De AXA verzekeringpolissen (grief 3 in incidenteel appel).

3.4. Het hof zal de onderwerpen hierna bespreken.

3.5. Ad a) De rechter die de bestreden beschikking heeft gegeven (grief 1 in principaal appel)

3.5.1. De rechter die de bestreden beschikking heeft gegeven is niet tegenwoordig geweest bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg.

3.5.2. In zijn eerste grief in principaal appel stelt de man dat de rechtbank aldus onzorgvuldig heeft gehandeld.

3.5.3. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. In het midden kan blijven of de rechtbank onzorgvuldig heeft gehandeld doordat de rechter die de bestreden beschikking heeft gegeven niet tegenwoordig is geweest bij de mondelinge behandeling. Door het hoger beroep wordt (in beginsel) de gehele zaak zoals zij voor de rechtbank diende naar het hof overgebracht ter beslissing door het hof. Dit wordt niet anders na een oordeel van het hof over de zorgvuldigheid van het handelen van de rechtbank. Indien al de rechtbank onzorgvuldig zou hebben gehandeld, is die onzorgvuldigheid in hoger beroep geredresseerd. In die zin heeft de man dan ook geen belang bij zijn grief en kan die verder onbesproken blijven.

3.6. Ad b) De peildatum voor de verdeling (grief 2 in principaal appel) en de peildatum voor de verrekening (grief 1 in incidenteel appel)

3.6.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de peildatum voor de verdeling bepaald op de datum waarop de verdeling feitelijk plaatsheeft en de peildatum voor de verrekening op 1 juli 2008.

3.6.2. In zijn tweede grief in principaal appel stelt de man dat voor de samenstelling en waardering van de eenvoudige gemeenschap uitgegaan moet worden van 1 juli 2008 als peildatum. Hij voert daartoe ten eerste aan dat partijen dat overeengekomen zijn en ten tweede dat de redelijkheid en billijkheid dat met zich brengen, nu de vrouw de woning na het uiteengaan van partijen slecht heeft onderhouden.

3.6.3. In haar eerste grief in incidenteel appel stelt de vrouw dat voor de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden uitgegaan moet worden van 9 augustus 2008. Zij voert daartoe aan dat partijen op die datum de samenwoning hebben verbroken.

3.6.4. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Uit de grieven van de man en de toelichting die hij daarop tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft gegeven, leidt het hof af dat zijn tweede grief uitsluitend is gericht tegen de door de rechtbank bepaalde peildatum voor de waardering van de voormalige echtelijke woning. Wat betreft de overige activa noch wat betreft de passiva behorend tot de eenvoudige gemeenschap heeft de man (voldoende duidelijk) te kennen gegeven zich niet te kunnen vinden in de door de rechtbank te dien aanzien bepaalde peildata.

Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stellingen dat partijen 1 juli 2008 als peildatum voor de waardering van de voormalige echtelijke woning waren overeengekomen en dat de redelijkheid en billijkheid met zich brengen dat uitgegaan wordt van 1 juli 2008 als peildatum onvoldoende onderbouwd, gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw, waarbij zij heeft gewezen op de door haar in eerste aanleg in het geding gebrachte verklaring van de makelaar van 20 januari 2011 (bijlage 1 bij de brief aan de rechtbank van 1 april 2011) waaruit volgt dat de woning zowel van binnen als van buiten in een goede staat van onderhoud verkeert.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn partijen het erover eens geworden dat 1 juli 2008 de peildatum is voor de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen.

3.6.5. Dit betekent dat grief 2 van de man in principaal appel en grief 1 van de vrouw in incidenteel appel beide ongegrond zijn.

3.7. Ad c) Het eigendomsaandeel in de voormalige echtelijke woning (grief 3 in principaal appel)

3.7.1. Partijen hebben op 13 juli 1994 een bouwkavel gekocht voor een koopsom van f. 89.183,- en hebben daarop een woning gebouwd (gelegen aan de [perceel] te [plaatsnaam]). Volgens de notariële akte zijn partijen hierbij overeengekomen dat 99% van de onroerende zaak eigendom is van de vrouw en 1% van de man.

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat van het restant van de verkoopopbrengst (na aftrek van de kosten en de nog openstaande leningen) 99/100 deel aan de vrouw en 1/100 deel aan de man toekomt.

3.7.2. De man stelt zich primair op het standpunt dat het de bedoeling van partijen was dat ieder voor de helft eigenaar van de woning zou zijn. Volgens de man dient daarom de helft van het restant van de verkoopopbrengst aan hem toe te komen. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd betwist.

3.7.3. Naar het oordeel van het hof heeft de man zijn stelling onvoldoende onderbouwd. Hij heeft ter onderbouwing aangevoerd dat de notaris aan partijen het advies had gegeven om de eigendomsverhouding vast te leggen zoals in de notariële akte staat, dit in verband met het voornemen van de man om een eigen onderneming te beginnen. Verder heeft hij aangevoerd dat de vrouw slechts voor een bedrag van f. 50.000,- heeft bijgedragen aan de realisering van de woning en dat de financiering voor het overige is geschied uit zijn privémiddelen. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat hij veel arbeidsuren aan de bouw van de woning heeft gestoken.

Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen deze feiten en omstandigheden, indien al juist, niet de conclusie dat partijen bij de aankoop van het bouwperceel voor ogen hebben gehad dat zij, in afwijking van de tekst van de overeenkomst, ieder voor 50% gerechtigd eigenaar zouden worden van de woning. Voor bewijslevering, zoals door de man is aangeboden, is gelet hierop geen plaats.

3.7.4. Dit betekent dat grief 3 van de man in principaal appel in zoverre ongegrond is.

3.8. Ad d) De verrekenvorderingen in verband met de voormalige echtelijke woning (grieven 3, 4, 5, 6 en 8 in principaal appel)

3.8.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat er op leningen aangegaan ten behoeve van de voormalige echtelijke woning is afgelost, zodat er met betrekking tot de woning geen verrekening aan de orde is.

3.8.2. De man stelt – kort gezegd – dat in de voormalige echtelijke woning is geïnvesteerd met overgespaard inkomen.

3.8.3. Het hof zal in het navolgende eerst vaststellen wat de totale investering in de woning is geweest; vervolgens welk bedrag van de totale investering terug te voeren is op overgespaard inkomen; daarna wat partijen op basis van het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden over en weer van elkaar met betrekking tot de woning te vorderen hebben.

3.8.4. Zoals hiervoor overwogen hebben partijen op 13 juli 1994 een bouwkavel gekocht voor een koopsom van f. 89.183,- en hebben zij daarop een woning gebouwd (gelegen aan de [perceel] te [plaatsnaam]). Ten aanzien van de hoogte van de bouwkosten hebben partijen geen sluitende informatie aan het hof verstrekt, zodat die kosten slechts schattenderwijs kunnen worden vastgesteld.

In dit verband is van belang dat partijen het erover eens zijn dat in ieder geval de volgende bedragen in de aankoop van het perceel en de bouw van de woning zijn geïnvesteerd:

- een hypothecaire lening bij de ING t.n.v. beide partijen ad f. 50.000,-

- een hypothecaire kredietfaciliteit bij de ING t.n.v. beide partijen ad f. 50.000,-

- een lening van de ouders van de vrouw t.n.v. beide partijen ad f. 50.000,-

- een lening van de ouders van de man t.n.v. beide partijen ad f. 35.000,-

totaal f.185.000,-.

Omgerekend gaat het om een bedrag van € 83.949,34.

3.8.5. Door de man is – niet weersproken – gesteld dat partijen op een gezamenlijke rekening bij de Sparkasse [vestigingsplaats] een bedrag aan spaargeld hadden van DM 110.026,81. Volgens de man is dit bedrag volledig geïnvesteerd in de bouw van de woning. De vrouw voert van haar kant aan dat het hier bedoelde spaargeld slechts voor een deel is gebruikt voor de bouw van de woning en voor een ander deel voor woninginrichting.

3.8.6. Naar het oordeel van het hof moet er redelijkerwijs van uit worden gegaan dat het hier bedoelde spaargeld volledig is geïnvesteerd in de aankoop van het bouwperceel en/of de bouw van de woning. Toen partijen de bouwkavel kochten en met de bouw van de woning begonnen, stond het spaargeld reeds op de rekening in [vestigingsplaats]. Het geld van de leningen van de ING en van de ouders van de vrouw kwam pas later beschikbaar. Onder die omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat het spaargeld op de rekening in [vestigingsplaats] volledig in de woning is geïnvesteerd. Omgerekend gaat het om een bedrag van ? 56.255,81.

3.8.7. De man stelt voorts dat de keuken van de woning door zijn ouders is geschonken en dat ook deze schenking als een investering moet worden aangemerkt. Het hof verwerpt dit standpunt. De schenking van de ouders van de man kan niet als een investering van partijen, of van een van hen, worden aangemerkt.

3.8.8. De man stelt ook nog dat hij in de loop van de jaren van zijn ouders/zijn moeder diverse bedragen geschonken heeft gekregen die door hem in de woning zijn geïnvesteerd. Het gaat om voorhuwelijkse schenkingen tot een bedrag van f. 100.000,- en om schenkingen in de periode 1992-1994 tot een bedrag van f. 42.299,-.

Met betrekking tot de voorhuwelijkse schenkingen is het hof van oordeel dat, gelet op het tijdsverloop tussen de schenkingen en de bouw van de woning en gelet op het ontbreken van stukken die het standpunt van de man ondersteunen, niet als vaststaand kan worden aangenomen dat het geld is geïnvesteerd in de woning. Met betrekking tot de kleinere bedragen die in de periode 1992-1994 regelmatig aan de man zijn geschonken, geldt eveneens dat niet is aangetoond dat deze in de woning zijn geïnvesteerd.

3.8.9. De conclusie uit het voorgaande is dat de totale investering in de woning door het hof schattenderwijs wordt vastgesteld op € 83.949,34 + € 56.255,81 = € 140.205,15.

3.8.10. Ter beantwoording staat thans de vraag welk bedrag van de totale investering in de woning terug te voeren is op overgespaard inkomen; dit met het oog op het tussen partijen overeengekomen verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden.

3.8.11. Partijen zijn het erover eens dat tijdens de verrekenperiode overgespaard inkomen is gestort op de gezamenlijke rekening bij de Sparkasse in [vestigingsplaats] die (zo werd hiervoor al overwogen) aangewend is voor de financiering van het bouwperceel en/of de woning. De man heeft in dit verband een bedrag genoemd van DM 43.958,39, omgerekend € 22.475,57.

Het hof zal van dit bedrag uitgaan nu het voldoende is onderbouwd en het door de vrouw genoemde bedrag nauwelijks van het door de man genoemde bedrag afwijkt.

3.8.12. Voor zover de man met zijn achtste grief bedoeld heeft te stellen dat er door aflossing op de hypothecaire kredietfaciliteit bij de ING met nr. [kredietfaciliteitsnummer 2.] met overgespaard inkomen is geïnvesteerd in de woning, kan dit standpunt niet worden aanvaard. Tijdens de verrekenperiode is er weliswaar afgelost op het hier bedoelde krediet, maar er is ook weer geld opgenomen. Op de verrekenpeildatum bedroeg de schuld meer dan het oorspronkelijke leenbedrag van f. 50.000,-.

3.8.13. Voor zover de man met zijn vierde en zesde grief heeft bedoeld te stellen dat er door aflossing op de kredietfaciliteit met rekening [kredietfaciliteitsnummer 1.] is geïnvesteerd in de woning, kan dit standpunt evenmin worden aanvaard. De lening is in het jaar 2000 aangegaan voor de aankoop van aandelen in MITS holding BV. Aflossing van deze lening – zo daar al sprake van zou zijn – kan dan ook niet worden gezien als een investering in de woning. Dat in het jaar 2002 ter zake van deze lening hypothecaire zekerheid verstrekt is op de woning, maakt dat niet anders.

3.8.14. De conclusie uit het voorgaande is dat van de totale investering in de woning een bedrag van € 22.475,57 terug te voeren is op overgespaard inkomen.

3.8.15. De wederzijdse verrekenvorderingen kunnen nu als volgt worden vastgesteld.

Partijen zijn het tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep eens geworden over een waarde van de woning op de verrekenpeildatum 1 juli 2008 van € 402.500,-. Het aandeel van de vrouw hierin bedraagt 99% ofwel € 398.475,-; het aandeel van de man 1% ofwel € 4.025,-.

De man heeft een verrekenvordering op de vrouw van (€ 22.475,57 : € 140.205,15) x € 398.475,- = € 63.877,49 : 2 = € 31.938,74.

De vrouw heeft een verrekenvordering op de man van (€ 22.475,57 : € 140.205,15) x € 4.025,- = € 645,23 : 2 = € 322,61.

3.8.16. Dit betekent dat de grieven 3, 4, 5, 6 en 8 in principaal appel deels gegrond zijn.

3.9. Ad e) De vergoedingsrechten uit hoofde van in de woning geïnvesteerd privévermogen (grief 11, 12 en 13 in principaal appel)

3.9.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat privévermogen van (een van) partijen is geïnvesteerd in de voormalige echtelijke woning, zodat er met betrekking tot de woning geen vergoedingsrechten zijn.

3.9.2. De man stelt – kort gezegd – dat in de voormalige echtelijke woning is geïnvesteerd met gelden afkomstig van zijn privévermogen en dat deze gelden aan hem vergoed dienen te worden.

3.9.3. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De man heeft diverse bedragen genoemd die door hem in de voormalige echtelijke woning zouden zijn geïnvesteerd en tot vergoeding aanleiding zouden geven: het voorhuwelijks vermogen à DM 46.068,42 op de bankrekening bij de Sparkasse in [vestigingsplaats] met nummer [bankrekeningnummer], een schenking à DM 20.000,- en schenkingen door de ouders van de man.

3.9.4. Partijen zijn het erover eens dat ten tijde van het sluiten van het huwelijk op de gezamenlijke spaarrekening bij de Sparkasse in [vestigingsplaats] een spaarsaldo stond van DM 46.068,42. Zoals hiervoor is overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat dit bedrag volledig is geïnvesteerd in de voormalige echtelijke woning.

De man stelt dat het voormelde bedrag zijn eigendom was; de vrouw heeft dit betwist en in dit verband aangevoerd dat partijen al vóór het huwelijk samenwoonden, samen een inkomen hadden en spaarden op de spaarrekening in [vestigingsplaats].

Naar het oordeel van het hof dient er, gelet op de betwisting van de vrouw en bij gebreke van toereikend bewijs van de stelling van de man, van uit te worden gegaan dat het aangebrachte geld op de spaarrekening in [vestigingsplaats] gemeenschappelijk geld was, dit gelet op het bepaalde in artikel 6a van de huwelijkse voorwaarden.

Dit betekent dat aan beide partijen een vergoedingsrecht toekomt wegens het feit dat aangebracht vermogen is geïnvesteerd in de gemeenschappelijke woning. Dat vergoedingsrecht bedraagt voor ieder van partijen DM 23.034,21, omgerekend € 11.777,20.

3.9.5. Tot het spaargeld op de rekening in [vestigingsplaats] hoort ook een schenking van mevrouw [mevrouw] op 29 mei 1992 ten bedrage van DM 20.000,-.

Naar het oordeel van het hof geldt ook voor dit bedrag, gelet op artikel 6a van de huwelijkse voorwaarden en bij gebreke van toereikend bewijs voor de stelling van de man dat de schenking alleen voor hem bedoeld was, dat ervan uitgegaan moet worden dat het door mevrouw [mevrouw] geschonken bedrag van DM 20.000,-, welk bedrag in de woning is geïnvesteerd, van partijen gemeenschappelijk was.

Dit betekent dat ieder van partijen een vergoedingsrecht heeft van DM 10.000,-, omgerekend € 5.112,92.

3.9.6. Wat de schenkingen van de ouders/de moeder van de man betreft, heeft het hof hiervoor reeds overwogen dat niet is komen vast te staan dat die gelden in de woning zijn geïnvesteerd, zodat aan de man ten aanzien van deze bedragen geen vergoedingsrecht toekomt.

Dit geldt ook voor de geschonken keuken, temeer nu de vrouw ter zitting van het hof heeft meegedeeld dat de keuken in verband met de overdracht van de woning aan de nieuwe eigenaar(s) uit de woning wordt gehaald en ter beschikking staat van de man indien hij daar prijs op stelt.

3.9.7. Uit het voorgaande volgt dat de vergoedingsrechten als volgt kunnen worden vastgesteld:

aan ieder van partijen dient uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning nominaal vergoed te worden € 11.777,20 + € 5.112,92 = € 16.890,12.

3.9.8. Dit betekent dat de grieven 11, 12 en 13 in principaal appel deels gegrond zijn.

3.10. Ad f) De verdeling van de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning (grieven 3, 4 en 8 in principaal appel)

3.10.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat voor verdeling in aanmerking komt de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning met daarop in mindering gebracht het restant van de hypothecaire geldlening, de nog openstaande bedragen van de leningen van de ouders van partijen en het oorspronkelijk bedrag van het (hypothecair) krediet met nummer [kredietfaciliteitsnummer 2.] en dat van het resterend bedrag 99/100 toekomt aan de vrouw en 1/100 aan de man.

3.10.2. De man stelt dat, behalve met de posten die de rechtbank in mindering heeft gebracht, ook rekening gehouden dient te worden met de geldlening met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.]. Daarnaast stelt hij dat op het (hypothecair) krediet met nummer [kredietfaciliteitsnummer 2.] aantoonbaar € 12.881,89 is afgelost, waarmee rekening gehouden dient te worden.

3.10.3. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De lening met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] is, zoals hiervoor is overwogen, in het jaar 2000 aangegaan voor de aankoop van aandelen in MITS holding BV. In 2002 is ter zake van deze lening hypothecaire zekerheid verstrekt op de woning. Dat het geleende geld (deels) zou zijn geïnvesteerd in de woning is niet gesteld of gebleken, zodat bij de financiële afwikkeling tussen partijen van de opbrengst van de woning geen rekening dient te worden gehouden met deze lening.

Wat het hypothecair krediet met nr. [kredietfaciliteitsnummer 2.] betreft zal het hof, net als de rechtbank, uitgaan van het oorspronkelijke leenbedrag van f. 50.000,- = € 22.689,01. Zoals hiervoor is overwogen hebben er op dit krediet weliswaar aflossingen plaatsgevonden, maar vervolgens is het negatieve saldo weer opgelopen tot boven het oorspronkelijke leenbedrag van f. 50.000,-.

3.10.4. De woning van partijen is aan (een) derde(n) verkocht voor een bedrag van € 349.000,-. Het hof zal voor de berekening van het bedrag, dat ieder van partijen met betrekking tot de woning toekomt, als uitgangspunt nemen dat de hypothecaire leningen en andere leningen die zijn aangegaan in verband met de aankoop en bouw van de woning op de opbrengst in mindering moeten worden gebracht en dat de aldus berekende overwaarde tussen partijen moet worden verdeeld, nu de rechtbank dit uitgangspunt heeft gehanteerd en daartegen geen grieven zijn aangevoerd.

3.10.5. Op grond van het hiervoor overwogene kan de verdeling van de verkoopopbrengst tussen partijen als volgt worden berekend. Op de verkoopopbrengst van € 349.000,- dienen allereerst in mindering te worden gebracht de hypothecaire geldlening bij de ING, de hypothecaire kredietfaciliteit bij de ING tot het oorspronkelijke bedrag van f. 50.000,- en de geldleningen van de wederzijdse ouders. In totaal gaat het om een bedrag van f. 185.000,-, omgerekend € 83.849,34. Vervolgens dienen op de verkoopopbrengst de hiervoor vermelde vergoedingen van 2x € 16.890,12 in mindering te worden gebracht. In totaal gaat het hierbij om € 33.780,24.

Van de verkoopopbrengst resteert aldus € 349.000,- minus € 83.849,34 minus € 33.780,24 = € 231.370,42. Aan de vrouw komt hiervan 99% toe, dit is € 229.056,71 en aan de man 1%, dit is € 2.313,70.

3.11. Ad g) De verdeling van de overige gemeenschappelijke goederen (grieven 6, 7, 14 en 15 in principaal appel en grieven 2 en 4 in incidenteel appel)

De kredietfaciliteit met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.]

(grief 6 van de man in principaal appel en grieven 2 en 4 van de vrouw in incidenteel appel)

3.11.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking met betrekking tot de kredietfaciliteit met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] bepaald dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft aansprakelijk zijn voor de schuld en dat de man in verband met gedane opnamen aan de vrouw een bedrag van € 1.736,54 (€ 6.115,50 minus € 1.684,50 minus € 2.694,46) dient te betalen.

3.11.2. De man stelt dat partijen ieder de helft van het debetsaldo per de peildatum van de kredietfaciliteit met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] voor hun rekening dienen te nemen, dat alle mutaties nadien voor rekening van de vrouw dienen te komen en dat de vrouw de rentelast volledig voor haar rekening dient te nemen.

Daarnaast maakt de man aanspraak op vergoeding van een tweetal aflossingen op de kredietfaciliteit, die hij heeft gedaan met aan hem door zijn moeder geschonken gelden, te weten een bedrag van € 4.342,- en een bedrag van € 5.000,-.

3.11.3. De vrouw stelt dat het debetsaldo van de kredietfaciliteit met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid volledig voor rekening van de man dient te komen. In het geval het hof oordeelt dat partijen ieder de helft van het debetsaldo van de kredietfaciliteit voor hun rekening dienen te nemen met verrekening van opnamen na de verbreking van de samenwoning, voert de vrouw tegen de bestreden beschikking aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de afschrijvingen ten laste van de kredietfaciliteit van de kinderalimentatie over 2010 van € 7.060,30 en over de periode 1 januari 2011 – 31 mei 2011 van € 2.018,-.

3.11.4. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Zoals reeds meermalen is overwogen is het geleende geld van kredietfaciliteit [kredietfaciliteitsnummer 1.] ad f. 400.000,- gebruikt voor de aankoop van aandelen in MITS holding BV. Deze vennootschap is nadien gefailleerd.

Beide partijen hebben zich met betrekking tot deze lening hoofdelijk verbonden. Dit betekent dat zij in de onderlinge verhouding ieder voor de helft draagplichtig zijn.

3.11.5. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende grond om ten aanzien van de hier bedoelde lening af te wijken van het uitgangspunt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is. Dat zou zijn afgesproken dat de vrouw de volledige rentelast voor haar rekening zou nemen, zoals de man stelt, is door de vrouw betwist en door de man niet aangetoond. In het door de man overgelegde uittreksel uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling waarop de voorlopige voorzieningen zijn behandeld (bijlage 1 bij de brief aan de rechtbank d.d. 22 februari 2011) valt een afspraak als door de man gesteld niet te lezen. Voor zover (ook) de vrouw bedoeld heeft te stellen dat partijen anders zijn overeengekomen, heeft zij dit standpunt onvoldoende onderbouwd, zodat het niet kan worden aanvaard. Ook haar stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om haar aan haar verplichtingen te houden is ontoereikend onderbouwd.

Het voorgaande betekent dat als uitgangspunt heeft te gelden dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor het actuele saldo van de schuld.

3.11.6. Naar het oordeel van het hof kan uit het feit dat de door de moeder geschonken gelden zijn gestort ter vermindering van een gezamenlijke schuld van partijen worden afgeleid dat het om een schenking aan beide partijen ging. De schriftelijke verklaring van de ouders van 14 december 1991 (bijlage 6 bij het verweerschrift van de man in eerste aanleg) acht het hof onvoldoende als bewijs van het tegendeel, mede gelet op de (zeer) ruime tijd die gelegen is tussen het tekenen van die verklaring en de hier bedoelde schenkingen.

Dit betekent dat aan de man ter zake van deze schenkingen geen vergoedingsrecht toekomt.

3.11.7. Op grond van het hiervoor overwogene heeft te gelden dat het actuele saldo van de lening met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld, met dien verstande dat rekening gehouden moet worden met opnamen die partijen ná 1 juli 2008 van deze kredietfaciliteit hebben gedaan. Die opnamen dienen in beginsel te worden gedragen door degene die het geld heeft opgenomen.

3.11.8. Nu het hof tot het oordeel is gekomen dat het actuele saldo van de lening met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld, met dien verstande dat rekening gehouden moet worden met opnamen die partijen ná 1 juli 2008 van deze kredietfaciliteit hebben gedaan, is voldaan aan de voorwaarde waaronder de vrouw grief 4 in incidenteel appel heeft geformuleerd. Het hof zal deze grief beoordelen.

3.11.9. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de vrouw een bedrag van € 15.600,- heeft opgenomen in verband met door de man niet betaalde kinderalimentatie in het jaar 2009, dat de man daarvan € 12.231,- voor zijn rekening dient te nemen zodat hij aan de vrouw een bedrag van € 6.115,50 moet betalen, dat de vrouw een bedrag van € 3.369,- teveel heeft opgenomen zodat zij aan de man een bedrag van € 1.684,50 moet betalen en dat de vrouw daarnaast in verband met een opname van € 5.388,92 aan de man € 2.694,46 moet betalen.

Ingevolge de bestreden beschikking dient in verband met de opnamen die partijen ná 1 juli 2008 van de kredietfaciliteit met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] hebben gedaan, na verrekening van hetgeen men elkaar verschuldigd is, de man aan de vrouw € 1.736,54 te betalen.

3.11.10. De vrouw stelt dat rekening gehouden moet worden met de afschrijvingen ten laste van de lening met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] van de kinderalimentatie over het jaar 2010 ad € 7.060,30 en over de periode 1 januari 2011-31 mei 2011 ad € 2.018,-. Volgens de vrouw dient in verband met de opnamen die partijen ná 1 juli 2008 van de kredietfaciliteit met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] hebben gedaan, na verrekening van hetgeen men elkaar verschuldigd is, de man aan de vrouw € 6.275,69 (€ 1.736,54 plus € 4.539,15 (€ 7.060,30 + € 2.018,- : 2)) te betalen.

3.11.11. De man stelt dat van het bedrag van € 15.600,- dat zij in het jaar 2009 opgenomen heeft de vrouw € 5.880,- voor haar rekening dient te nemen, zodat zij aan de man een bedrag niet een bedrag van € 1.684,50 maar een bedrag van € 2.940,- moet betalen.

3.11.12. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De stelling van de vrouw dat rekening gehouden moet worden met de afschrijvingen ten laste van de lening met nummer [kredietfaciliteitsnummer 1.] van de kinderalimentatie over het jaar 2010 ad € 7.060,30 en over de periode 1 januari 2011-31 mei 2011 ad € 2.018,- is door de man niet weersproken. Deze bedragen dient de man daarom voor zijn rekening te nemen zodat hij aan de vrouw een bedrag van € 4.539,15 moet betalen.

De stelling van de man dat van het bedrag van € 15.600,- dat zij in het jaar 2009 opgenomen heeft de vrouw € 5.880,- voor haar rekening dient te nemen, zodat zij aan de man een bedrag van € 2.940,- moet betalen, heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat de kinderalimentatie in 2009 € 1.010,25 per maand voor drie kinderen bedroeg en hiertegen is door beide partijen niet gegriefd. Het is dan ook onjuist – zoals de man zonder nadere toelichting doet – uit te gaan van een kinderalimentatie in 2009 van € 972,- per maand voor drie kinderen. Daarnaast dienen zoals de rechtbank terecht heeft overwogen ook de opnames die de vrouw heeft gedaan voor de maanden januari en februari 2009 voor rekening van de man te komen. Niet is komen vast te staan dat de vrouw de alimentatie over de maanden januari en februari 2009 zoals de man stelt tweemaal ontvangen heeft.

Dit betekent dat de man aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 1.736,54 in verband met de kinderalimentatie over het jaar 2009 en een bedrag van € 4.539,15 in verband met de kinderalimentatie over het jaar 2010 en over de periode 1 januari 2011- 31 mei 2011; in totaal derhalve € 6.275,69.

De conclusie is dat de grieven 6 van de man in principaal appel en 2 en 4 van de vrouw in incidenteel appel gedeeltelijk gegrond zijn.

De kredietfaciliteit met nummer [kredietfaciliteitsnummer 2.](grief 7 van de man in principaal appel)

3.11.13. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking met betrekking tot de kredietfaciliteit met nummer [kredietfaciliteitsnummer 2.] bepaald dat partijen in hun onderlinge verhouding ieder voor de helft aansprakelijk zijn voor het debetbedrag en dat de vrouw in verband met de opnames en stortingen na 1 juli 2008 aan de man een bedrag van € 1.146,- (€ 975,- plus € 171,-) dient te betalen.

3.11.14. De man stelt dat (ook) de rentelast na 1 juli 2008 ter zake van deze lening volledig ten laste van de vrouw dient te komen. Hij gebruikt hiervoor dezelfde argumenten als ten aanzien van de rente op de lening met nr. [kredietfaciliteitsnummer 1.].

3.11.15. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Het krediet met nr. [kredietfaciliteitsnummer 2.] (de kredietfaciliteit bij de ING ten bedrage van f. 50.000,-) is, zoals hiervoor reeds is overwogen, gebruikt ten behoeve van de bouw van de voormalige echtelijke woning.

Het standpunt van de man wordt door het hof verworpen met dezelfde overwegingen als die gelden met betrekking tot de rente op de lening met nr. [kredietfaciliteitsnummer 1.].

Ook voor deze kredietfaciliteit geldt dat ieder van partijen voor de helft draagplichtig is voor het actuele saldo, met dien verstande dat de rechtbank heeft beslist dat rekening gehouden moet worden met een tweetal stortingen na 1 juli 2008 (van respectievelijk € 1.950,- en € 342,-), tegen welke beslissing niet is gegriefd en als gevolg waarvan de vrouw aan de man een bedrag van € 1.146,- dient te betalen.

Tevens moet er rekening mee worden gehouden dat in het voorgaande reeds een bedrag van f. 50.000,- ( € 22.689,01) in mindering is gebracht op de verkoopopbrengst van de woning.

Grief 7 van de man in principaal appel faalt in zoverre.

De inboedel

(grieven 14 en 15 van de man in principaal appel)

3.11.16. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de inboedel verdeeld en het verzoek van de man tot toekenning aan hem van een bedrag van € 5.000,- in verband met de waardedaling van de inboedel afgewezen.

3.11.17. De man stelt dat meer inboedelgoederen aan hem moeten worden toegedeeld en dat aan hem een bedrag van € 5.000,- moet worden toegekend in verband met de waardedaling van de inboedel.

3.11.18. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn partijen overeengekomen dat de kast merk [merknaam], die door partijen is aangeschaft voor f. 24.000,-, aan de man wordt toegedeeld, evenals de door de rechtbank aan de man toegedeelde inboedelzaken, onder de voorwaarde dat de kamer van de dochter van partijen intact blijft in verband met de naderende examens. Voor het overige hebben partijen met betrekking tot de inboedel niets meer van elkaar te vorderen.

Nu partijen het eens zijn over de verdeling van de inboedel hoeft niet meer te worden beslist op de grieven 14 en 15 van de man

3.11.19. Uit het bovenstaande volgt dat na verdeling van de overige gemeenschappelijke goederen (de kredietfaciliteiten en de inboedel) partijen ieder aanspraak hebben op de helft van de actuele saldi van de kredietfaciliteiten met nummers [kredietfaciliteitsnummer 2.] en [kredietfaciliteitsnummer 1.] en dat daarnaast de vrouw een vordering heeft op de man van € 6.275,69 en de man een vordering op de vrouw van € 1.146,-.

3.12. Ad h) De gebruiksvergoeding (voorwaardelijke grief 7 in principaal appel)

3.12.1. In het geval zijn stelling dat de vrouw de volledige rente over de leningen met de nummers [kredietfaciliteitsnummer 1.] en [kredietfaciliteitsnummer 2.] na 1 juli 2008 moet dragen wordt verworpen, verzoekt de man (voor het eerst in hoger beroep) te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding moet betalen voor het gebruik van de voormalige echtelijke woning vanaf het moment dat de man deze heeft verlaten.

3.12.2. Aan de door de man gestelde voorwaarde is voldaan zodat het hof zijn grief zal beoordelen.

3.12.3. Het hof is van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om van het uitgangspunt af te wijken dat de man recht heeft op een gebruiksvergoeding over de periode dat hij niet woonachtig is geweest in de woning en niet heeft kunnen beschikken over zijn aandeel in de die woning. Het gaat hierbij om de periode tussen juli/augustus 2008 tot april/mei 2012.

De gemiddelde waarde van de woning in deze periode stelt het hof schattenderwijs vast op € 375.000,-. Daarop komen in mindering de leningen die in verband met de aankoop/bouw van de woning zijn aangegaan, in totaal € 83.849,34. De gemiddelde overwaarde in de periode juli/augustus 2008 tot april/mei 2012 bedroeg aldus € 291.115,66. Hiervan komt aan de man 1% toe = € 2.911,50.

De gebruiksvergoeding kan berekend worden op 4% over € 2.911,50 per jaar ofwel € 9,70 per maand. In totaal heeft de man aldus recht op een gebruiksvergoeding van 45 maanden maal € 9,70 = € 436,72.

3.12.4. Dit betekent dat grief 7 van de man in principaal appel deels gegrond is.

3.13. Ad i) De schuld aan Sparkasse [vestigingsplaats] (grief 9 in principaal appel)

3.13.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat de schuld aan Sparkasse [vestigingsplaats] geheel voor rekening van de man komt.

3.13.2. De man stelt dat de schuld aan Sparkasse [vestigingsplaats] voor rekening van beide partijen dient te komen, aangezien partijen gezamenlijk besloten hebben het project aan te gaan en de opbrengst van een tussentijdse aandelenverkoop ook niet alleen aan de man, maar aan beide partijen ten goede is gekomen.

3.13.3. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Uit artikel 2 sub b. van de huwelijkse voorwaarden volgt dat de schuld ten laste komt van degene die de schuld is aangegaan. Vaststaat dat de schuld aan Sparkasse [vestigingsplaats] is aangegaan door de man. De man dient nu dan ook de schuld voor zijn rekening te nemen en dat wordt door het door de man gestelde niet anders.

3.13.4. Dit betekent dat grief 9 van de man in principaal appel ongegrond is.

3.14. Ad j) Andere vergoedingsrechten (grief 10 in principaal appel)

3.14.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de man tot vergoeding van een bedrag van € 972,20 aan door hem betaalde schulden van de vrouw afgewezen.

3.14.2. De man stelt dat hij ten behoeve van de vrouw een bedrag van € 972,20 heeft betaald, welk bedrag aan hem vergoed dient te worden.

3.14.3. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof over de stelling van de man. Nu de vrouw in eerste aanleg blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 december 2010 ingestemd heeft met vergoeding van deze kosten aan de man en zij de stelling van de man in hoger beroep niet heeft weersproken, kan het verzoek van de man met betrekking tot de vergoeding van deze kosten worden toegewezen.

3.14.4. Dit betekent dat grief 10 in principaal appel gegrond is.

3.15. Ad k) De door de Nederlandse en Duitse fiscus opgelegde boetes (grief 16 in principaal appel)

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de man verklaard grief 16 in te trekken. Deze grief hoeft dan ook niet meer besproken te worden.

3.16. Ad l) De AXA verzekeringpolissen (grief 3 in incidenteel appel)

3.16.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat de AXA verzekeringspolissen buiten de verrekening vallen.

3.16.2. De vrouw stelt dat de premies van de AXA verzekeringspolissen zijn betaald met overgespaard inkomen en dus vallen onder de werking van het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden.

3.16.3. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De man is sinds 1 mei 1988 werkzaam in Duitsland. De opbouw van AOW in Nederland is sindsdien gestopt. De stelling van de man dat partijen gezamenlijk hebben besloten ter compensatie van het verlies van AOW de AXA polissen af te sluiten in plaats van een vrijwillige AOW-verzekering aan te gaan omdat dit goedkoper was, is door de vrouw niet weersproken. Naar het oordeel van het hof brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid, zoals die ook tussen ex-echtgenoten gelden, met zich dat onder deze omstandigheden de AXA verzekeringspolissen, gelijk de AOW, buiten de werking dienen te blijven van het periodiek verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden.

3.16.4. Dit betekent dat grief 3 van de vrouw in incidenteel appel ongegrond is.

3.17. Resumerend betekent dit het volgende.

Aan de man komt toe:

- verrekenvordering op de vrouw € 31.938,74

- vergoedingsrecht (investering in woning) € 5.112,92

- vergoedingsrecht (investering in woning) € 11.777,20

- verkoopopbrengst woning € 2.313,70

- vergoedingsvordering op de vrouw (opnamen [kredietfaciliteitsnummer 2.]) € 1.146,-

- vergoedingsvordering op de vrouw (gebruiksvergoeding) € 436,72

- vergoedingsvordering op de vrouw (voor de vrouw betaalde schulden) € 972,20

Aan de vrouw komt toe:- verrekenvordering op de man € 322,61

- vergoedingsrecht (investering in woning) € 5.112,92

- vergoedingsrecht (investering in woning) € 11.777,20

- verkoopopbrengst woning € 229.056,71

- vergoedingsvordering op de man (opnamen [kredietfaciliteitsnummer 1.]) € 6.275,69

Verder dient ieder van partijen de helft van het actuele saldo van de rekeningen [kredietfaciliteitsnummer 2.] en [kredietfaciliteitsnummer 1.] voor zijn/haar rekening te nemen.

3.18. In het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn, ziet het hof aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 10 augustus 2011 wat betreft veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 1.736,54 ter zake van de ING Bank rekening [kredietfaciliteitsnummer 1.], wat betreft het bedrag door de rechtbank aangeduid als Z, wat betreft de afwijzing van de verrekenvordering en van de vergoedingsrechten in verband met de voormalige echtelijke woning, wat betreft de vergoeding van de gemaakte kosten en wat betreft de inboedel in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat ieder van partijen gerechtigd is uit de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning te nemen een bedrag van € 16.890,12 ter zake van vergoeding van gedane investeringen;

bepaalt het bedrag door de rechtbank aangeduid als Z (het van de verkoopopbrengst van de voormalige echtelijke woning voor verdeling in aanmerking komende bedrag) op € 231.370,42 en bepaalt dat daarvan aan de vrouw € 229.056,71 toekomt en aan de man € 2.313,70;

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 322,61 ter zake van de verrekenvordering;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 31.938,74 ter zake van de verrekenvordering;

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 6.275,69 ter zake van de ING Bank rekening [kredietfaciliteitsnummer 1.];

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 972,20 ter zake van voor de vrouw betaalde schulden;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een gebruiksvergoeding van € 436,72;

verstaat dat partijen ten aanzien van de inboedel zijn overeengekomen zoals in rechtsoverweging 3.11.18 is vermeld;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en A.E. van Solinge en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2012.