Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9333

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-06-2012
Datum publicatie
26-06-2012
Zaaknummer
20-000054-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak koperdiefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000054-12

Uitspraak : 22 juni 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 23 december 2011, parketnummer 12-715461-11 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling, parketnummer 12-715353-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op 8 april 1970,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van verdachte en de omvang van het hoger beroep

Blijkens de inhoud van de ‘akte rechtsmiddel’ van 27 december 2011 is het hoger beroep namens verdachte onbeperkt ingesteld. Dit hoger beroep is niet beperkt door een partiële intrekking. Wel heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2012 medegedeeld dat het hoger beroep niet is gericht tegen de door de meervoudige kamer van de rechtbank gegeven vrijspraak van de onder 2, 7 (primair en subsidiair) en 8 ten laste gelegde feiten.

Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat er voor een verdachte geen hoger beroep open van een vrijspraak. Het hof zal derhalve, mede gelet op het bepaalde in artikel 407, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, de verdachte voor de feiten 2, 7 (primair en subsidiair) en 8 niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Al hetgeen hierna wordt overwogen heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen, te weten de feiten 1, 3, 4, 5 (primair en subsidiair), 6 en 9.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1) in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep – binnen de grenzen van haar eerste vordering – opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van € 36.008,38.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 4) in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep – binnen de grenzen van haar eerste vordering – opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van € 4.500,00.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 6) in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich niet opnieuw in hoger beroep gevoegd. De in het vonnis, waarvan beroep, gegeven beslissing op de vordering van de benadeelde partij is derhalve niet aan het oordeel van het hof onderworpen.

Het hoger beroep heeft mede betrekking op de beslissing van de rechtbank Middelburg op de vordering na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 12-715353-10. Het gaat daarbij om een voorwaardelijk aan verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte zal vrijspreken van het onder 1 en 5 primair ten laste gelegde en bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 3, 4, 5 subsidiair, 6 en 9 is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot het verrichten van een taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] in hun vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren.

De verdediging heeft:

- integrale vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde bepleit;

- zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot de overige ten laste gelegde en thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen feiten;

- geen strafmaatverweer gevoerd.

De advocaat-generaal en de verdediging hebben zich niet uitgelaten over de in eerste aanleg genomen beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 augustus 2011 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid koper en/of elektriciteitskabel, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] (gevestigd aan de [adres] te Vlissingen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij in of omstreeks de periode van 20 augustus 2011 tot en met 22 augustus 2011 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig gereedschap (waaronder een schuurmachine en/of één of meer stofzuigers), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (gevestigd aan de [adres] te Vlissingen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij op of omstreeks 21 augustus 2011 te Vlissingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig gereedschap (waaronder een decoupeerzaag en/of een zaagmachine), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan de [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5 primair.

hij in of omstreeks de periode van 31 augustus 2011 tot en met 1 september 2011 te Vlissingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een laptop en/of enig gereedschap, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair en voor zover ter zake het onder 5 ten laste gelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen:

hij op of omstreeks de periode van 31 augustus 2011 te Vlissingen, in elk geval in Nederland, een laptop heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die laptop wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

6.

hij op of omstreeks 24/25 augustus 2011 te Vlissingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig gereedschap (waaronder een boormachine en/of 3, althans één of meer, zaagmachines en/of een hoeveelheid ratels en/of bitjes), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan winkelbedrijf [benadeelde 3] (gevestigd aan de [adres] te Vlissingen), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

9.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 5 augustus 2011 tot en met 31 augustus 2011, te Vlissingen, althans in Nederland, (telkens) een voorwerp, te weten enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 1

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep gemotiveerd aangevoerd dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu geen sprake is van wettig en overtuigend bewijs.

Het hof is van oordeel dat zich in het dossier op zich genomen voldoende wettig bewijs bevindt, maar heeft, evenals de advocaat-generaal, op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet de overtuiging bekomen dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde diefstal van een hoeveelheid koper en elektriciteitskabels, toebehorende aan de [benadeelde 1], heeft gepleegd. Het hof zal verdachte daarvan derhalve vrijspreken.

Ten aanzien van feit 5 primair

Het hof is, met de rechtbank en de advocaat-generaal, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de onder 5 primair ten laste gelegde diefstal van de laptop heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 5 subsidiair

Het hof heeft, anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, niet kunnen vaststellen dat verdachte wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de laptop van diefstal afkomstig was. Het hof overweegt daartoe nog dat de prijs van de via internet aangeschafte tweedehands laptop – volgens de verklaring van verdachte € 40,00 à € 50,00 – niet zodanig laag was dat verdachte op grond daarvan had moeten weten dat het een gestolen laptop betrof.

Ook voor het overige zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen waaruit die wetenschap kan worden afgeleid. Het hof zal verdachte derhalve eveneens van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3, 4, 6 en 9 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

3.

hij in de periode van 20 augustus 2011 tot en met 22 augustus 2011 te Vlissingen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig gereedschap (waaronder een schuurmachine en één stofzuiger), toebehorende aan [slachtoffer 1] (gevestigd aan de [adres] te Vlissingen);

4.

hij op 21 augustus 2011 te Vlissingen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig gereedschap (waaronder een decoupeerzaag en een zaagmachine), toebehorende aan een ander dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

6.

hij op 24/25 augustus 2011 te Vlissingen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen enig gereedschap (waaronder een boormachine en 3 zaagmachines en een hoeveelheid ratels en bitjes), toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

9.

hij op tijdstippen in de periode van 5 augustus 2011 tot en met 31 augustus 2011, te Vlissingen, telkens een voorwerp, te weten enig geldbedrag, heeft verworven, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 9 bewezen verklaarde levert op:

witwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal inbraken in bedrijfspanden, waarbij hij veelal dure machines en gereedschap heeft buitgemaakt. De drie bewezen verklaarde diefstallen zijn bijzonder hinderlijke en ergerlijke feiten die grote financiële schade en overlast aan de benadeelden hebben toegebracht. Vervolgens heeft verdachte de door hem gestolen goederen verkocht en zich daarmee schuldig gemaakt aan witwassen. Hierdoor heeft verdachte inbreuk gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Het hof merkt daarbij op dat verdachte, blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 mei 2012, sinds 1993 al veelvuldig is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten, met name voor gekwalificeerde diefstallen. Die eerdere veroordelingen, inclusief oplegging van een ISD-maatregel, hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw soortgelijke strafbare feiten te plegen. Ook de omstandigheid dat verdachte nog in een proeftijd liep was voor hem geen beletsel daarmee door te gaan. Het hof heeft hiermee, evenals de rechtbank, in de bepaling van de strafmaat in negatieve zin rekening gehouden.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten – zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd – niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal is gevorderd. Het hof zal verdachte, gelet op het hiervoor overwogene en op de omstandigheden dat:

- het hof minder bewezen heeft geacht dan de meervoudige kamer van de rechtbank;

- blijkens voornoemd Uittreksel Justitiële Documentatie, artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is,

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 36.008,38. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn (feit 1), geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde 1] in haar vordering niet worden ontvangen. Het hof zal derhalve evenals de rechtbank, zij het op andere gronden, de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.500,00. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes onder 4 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft bij haar voegingsformulier een offerte gevoegd, inhoudende een overzicht van gereedschap en de prijs daarvan. Gelet op de bewezenverklaring in combinatie met de bijlage bij aangifte, gaat het hof met betrekking tot de geleden schade uit van de vervanging van de volgende voorwerpen:

- 1 Festool cirkelzaagmachine TS55EBQ Plus FS incl. geleiderail FS1400/2 (€469,00);

- 1 Festool decoupeerzaagmachine Trion PS300EQ Plus (€ 247,00);

- 3 Festool accu schroefboormachines T12LI 2.6 Plus (totaal € 1.197,00);

Het hof komt hiertoe omdat uit de aangifte blijkt dat een deel van de gereedschapskisten is blijven staan. Het hof kan niet beoordelen wat zich in die gereedschapskisten bevond. De bijlage geeft evenwel voldoende duidelijkheid over wat er in ieder geval gestolen is.

Zoals de benadeelde partij zelf ook in haar aan het voegingsformulier aangehechte brief beschrijft, betreffen bovenstaande prijzen de nieuwwaarde van het gereedschap en ligt de dagwaarde van het gestolen gereedschap lager. Het hof stelt de rechtstreeks geleden schade derhalve naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid vast op een bedrag van € 1.500,00. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, met een beslissing omtrent de kosten als hierna zal worden vermeld.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Voorts is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in dat deel van haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

De rechtbank Middelburg heeft de vordering d.d. 27 juli 2011 tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk aan verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 weken in de zaak met parketnummer 12-715353-10, wegens overtreding van de bijzondere voorwaarde, bij separate beslissing van 23 december 2011 toegewezen. Gelet op de omstandigheid dat er derhalve reeds een tenuitvoerlegging is gelast, zal het hof – gelijk de rechtbank – de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering na voorwaardelijke veroordeling d.d. 23 november 2011 wegens overtreding van de algemene voorwaarde.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 310, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing van de rechtbank ter zake van het onder 2, 7 primair en subsidiair en 8 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof

onderworpen – en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 5 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 3, 4, 6 en 9 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3, 4, 6 en 9 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde 1], in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van € 1.500,00 (duizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging, met parketnummer 12-715353-10.

Aldus gewezen door

mr. R.R. Everaars-Katerberg, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. M. Bakhuis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Oort, griffier,

en op 22 juni 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. Bakhuis is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.