Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9156

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
HD 200.091.816
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2011:BQ3503, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2011:BQ3504, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht; dwaling ten aanzien van de verdeling; afstand van recht; redelijkheid en billijkheid.

Procesrecht: wijziging van convenant dat in de (in kracht van gewijsde gegane) echtscheidingsbeschikking als daarin opgenomen is beschouwd; artikel 236 Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 236
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2012/108 met annotatie van B.E. Reinhartz
RFR 2012/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.091.816

arrest van de zevende kamer van 19 juni 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. L.E.I.K. Jaminon,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D.J.P.H. Stoelhorst,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 juli 2011 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Roermond gewezen vonnissen van 15 september 2010, 16 februari 2011 en 11 mei 2011 tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 101584/HA ZA 10-449)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de man acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van de vordering in eerste aanleg, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in beide instanties en met uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de uitspraak.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de vrouw de grieven bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de man in zijn hoger beroep, dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, onder bekrachtiging van het bestreden eindvonnis, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3.Beide partijen hebben hun standpunten ter zitting van 27 april 2012 doen bepleiten door hun advocaten. Beide advocaten hebben gebruik gemaakt van door hen overgelegde pleitnota’s.

2.4. Na afloop van het pleidooi hebben partijen het hof gevraagd om uitspraak te doen op basis van het voorafgaand aan het pleidooi toegezonden procesdossier.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

4.1.1.Partijen zijn op 27 september 2000 met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Bij beschikking van 8 april 2009 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 1 juli 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.1.2.Bij echtscheidingsconvenant van 5 maart 2009 zijn partijen een regeling overeen gekomen ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

In de echtscheidingsbeschikking van 8 april 2009 is bepaald dat de onderlinge vermogensrechtelijke regeling uit het convenant van 5 maart 2009 als in de echtscheidingsbeschikking opgenomen wordt beschouwd.

4.1.3.De in het convenant overeengekomen vermogensrechtelijke regeling luidt, voor zover van belang:

“ II. Ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap:

Tot deze huwelijksgoederengemeenschap behoort een als inboedel te kwalificeren huisraad, welke in goed onderling overleg tussen partijen is verdeeld, en tevens een tweetal oude automobielen zonder relevante waarde, welke beide op naam staan van de man, en aan laatstgenoemde worden toebedeeld.

(…)

IV. Voorts komen partijen overeen:

(…)

2. Indien en voor zover partijen gerechtigd zullen worden tot enige onverdeeldheid voor de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap verklaren zij reeds nu voor alsdan dit aandeel zonder enige verrekening in eigendom toe te delen aan degene aan wiens zijde deze onverdeeldheid is ontstaan.

3. Van de roerende zaken verlangen partijen geen nadere omschrijving en zij worden aanvaard in de staat waarin deze zich thans bevinden.

4. Schulden en/of vorderingen die niet zijn genoemd onder de activa of passiva van de huwelijksgoederengemeenschap zullen door partijen van wiens zijde zij zijn opgekomen of ontstaan, worden betaald en gedragen respectievelijk geïnd en genoten worden.

5. Goederen, daaronder begrepen zaken, schulden en vorderingen, die partijen voor de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap mochten verwerven respectievelijk aangaan, worden toebedeeld aan diegene van partijen die deze zal hebben verworven respectievelijk zal zijn aangegaan.

6. Partijen verklaren de huwelijksgoederengemeenschap naar volle tevredenheid te hebben verdeeld wanneer uitvoering is gegeven aan de verdeling zoals hierboven gesteld. Zij zullen elkaar over en weer volledige kwijting en décharge verlenen.

7. Partijen aanvaarden de boven omschreven verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap te eigen bate of schade, en doen hierbij afstand van hun recht op ontbinding, vernietiging, waaronder vernietiging ingevolge art. 3:196 BW, en rechterlijke wijziging van deze verdeling te vorderen. (…)”

4.1.4.Na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking heeft de man de vrouw aangeschreven tot voldoening van de helft van de huwelijkse schulden, die aanzienlijk bleken te zijn. De vrouw weigerde aan de sommatie van de man te voldoen omdat die schulden op naam van de man stonden en derhalve naar haar mening op grond van artikel IV.4 van het convenant voor rekening van de man kwamen.

4.2.1.In de onderhavige procedure heeft de man de vrouw bij exploot van dagvaarding van 28 mei 2010 in rechte betrokken en vernietiging gevorderd van de tussen partijen bij echtscheidingsconvenant overeengekomen verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap op grond van dwaling ingevolge artikel 3:196 BW en subsidiair op grond van artikel 6:248 BW. Tevens heeft hij vaststelling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gevorderd.

4.2.2.De vrouw heeft verweer gevoerd, zich primair beroepende op artikel IV.7 van het convenant waarin door partijen afstand van hun recht op vernietiging van de verdeling is gedaan.

4.2.3.Bij tussenvonnis van 16 februari 2011 heeft de rechtbank overwogen dat de man geen belang heeft bij zijn vordering tot vernietiging van het convenant, aangezien partijen in geval van vernietiging van het convenant nog steeds gebonden zouden zijn aan de inhoud van de echtscheidingsbeschikking, waarin de verdeling is vastgesteld overeenkomstig de inhoud van het convenant.

Met betrekking tot de vordering tot vaststelling van de verdeling heeft de rechtbank in genoemd tussenvonnis overwogen dat omtrent de verdeling reeds onherroepelijk bij echtscheidingsbeschikking is beslist, zodat die verdeling in deze procedure niet meer aan de orde kon worden gesteld.

Voorts overwoog de rechtbank dat de verdeling zoals die in de echtscheidingsbeschikking was vastgesteld, niet voor vernietiging op grond van artikel 3:196 BW in aanmerking komt, omdat dit artikel alleen van toepassing is op rechtshandelingen. Omdat een rechterlijke beschikking waarbij de verdeling van een ontbonden huwelijksgemeenschap is vastgesteld, niet aan te merken is als een rechtshandeling, is artikel 3:196 BW daarop niet van toepassing.

Op grond van deze oordelen was de rechtbank voornemens de man in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren maar partijen kregen de gelegenheid zich over dat voornemen uit te laten.

4.2.4.Na aktes van uitlating van partijen van respectievelijk 2 en 16 maart 2011 heeft de rechtbank bij eindvonnis van 11 mei 2011 herhaald dat de man geen belang heeft bij zijn vordering tot vernietiging van de in het convenant overeengekomen verdeling, aangezien partijen in geval van vernietiging van het convenant nog steeds gebonden zouden zijn aan de inhoud van de inmiddels onherroepelijke beschikking van 8 april 2009, waarin de verdeling is vastgesteld overeenkomstig de inhoud van het convenant. De rechtbank heeft de man niet ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen en veroordeeld in de proceskosten.

4.2.5.De man is van genoemde vonnissen in hoger beroep gekomen. Het hoger beroep is mede gericht tegen het comparitievonnis van 15 september 2010. Nu tegen dat vonnis geen grieven zijn gericht zal de man in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 15 september 2010 niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.3.Alle grieven van de man (1 tot en met 8) hebben betrekking op de niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn vorderingen. Ze houden, samengevat, in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen:

- dat de verdeling in dezen geen rechtshandeling is en derhalve niet vernietigd kan worden op grond van artikel 3:196 BW,

- dat de verdeling reeds onherroepelijk in rechte is vastgesteld,

- dat met vernietiging van het convenant partijen nog steeds gebonden zouden zijn aan de verdeling aangezien deze bij rechterlijke beslissing is vastgesteld, en

- dat derhalve de man geen belang heeft bij zijn vordering tot vernietiging.

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.4.Het hof overweegt als volgt.

Indien de rechter in een (echtscheidings)beschikking bepaalt dat de onderlinge vermogensrechtelijke regeling die partijen in een convenant hebben vastgelegd, als in de beschikking opgenomen wordt beschouwd, dan moet in beginsel worden aangenomen dat die veroordeling geen verdere strekking heeft dan om partijen een executoriale titel te verschaffen teneinde zonodig de nakoming van de overeenkomst in rechte af te dwingen. Dat brengt mee dat de overeenkomst tussen partijen door de rechterlijke uitspraak onverlet wordt gelaten. Dit is slechts anders indien uit de rechterlijke uitspraak van een verdergaande strekking blijkt (HR 19 november 1982, NJ 1983, 494). Van een dergelijke verdergaande strekking van de echtscheidingsbeschikking van 8 april 2009 is het hof niet gebleken. De overeenkomst van partijen met betrekking tot de verdeling heeft derhalve rechtskracht behouden en is in principe voor vernietiging vatbaar.

Het feit dat de echtscheidingsbeschikking inmiddels gezag van gewijsde heeft gekregen, betekent, anders dan de rechtbank heeft beslist, niet dat na vernietiging van de regeling uit het convenant, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap niet meer door de rechter kan worden vastgesteld. De rechtbank heeft bij echtscheidingsbeschikking niet beslist ten aanzien van een geschil tussen partijen, maar heeft slechts opgenomen in de beschikking wat partijen zelf zijn overeengekomen. Artikel 236 Rv. ziet in zoverre niet op de “als opgenomen beschouwde” onderlinge vermogensrechtelijke regeling uit het convenant.

De grieven van de man slagen derhalve. Hij is ontvankelijk in zijn vordering tot vernietiging van de in het echtscheidingsconvenant van 5 maart 2009 overeengekomen verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. De vonnissen van de rechtbank van 16 februari 2011 en 11 mei 2011 kunnen derhalve niet in stand blijven.

4.5.Het voorgaande brengt mee dat het hof toekomt aan de inhoudelijke behandeling van de vorderingen van de man.

De man beroept zich op dwaling ten aanzien van de verdeling dan wel de maatstaven van redelijkheid en billijkheid op grond waarvan de verdeling moet worden vernietigd. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op artikel IV.7 van het convenant, waarin partijen onder meer verklaren de in het convenant overeengekomen verdeling te eigen bate of schade te aanvaarden en afstand te doen van hun recht op vernietiging, de man gehouden is aan de bepalingen uit het convenant en dat vernietiging is uitgesloten.

4.5.1.Dwaling ten aanzien van de verdeling wordt vermoed als bij de verdeling benadeling van meer dan ¼ deel heeft plaatsgehad (art. 3:196 lid 2 BW). Er kan niet op grond van dwaling worden vernietigd als de benadeelde de toedeling te zijnen bate en schade heeft aanvaard (art. 3:196 lid 4 BW). Naar het oordeel van het hof heeft de man de toedeling bewust te eigen bate of schade aanvaard en is de man gebonden aan artikel IV.7 van het convenant. De man heeft onvoldoende gesteld en aannemelijk gemaakt om tot het oordeel te kunnen komen dat hij ondanks het feit dat hij afstand van recht op vernietiging heeft gedaan, toch een succesvol beroep op vernietiging kan doen. Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

4.5.2.De man heeft gesteld de Nederlandse taal niet goed machtig te zijn en niet te hebben begrepen dat in het echtscheidingsconvenant de schulden zijn toebedeeld aan degene te wiens naam ze zijn gesteld. Deze stelling van de man kan niet worden aanvaard. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat de man het Nederlands niet goed beheerst. Ter zitting van het hof hebben partijen bovendien verklaard dat zij met de advocaat die het convenant heeft opgesteld, Duits spraken, terwijl de man van Duitse origine is en partijen tijdens het huwelijk uitsluitend Duits met elkaar spraken. De bedoeling van partijen heeft de man, naar het oordeel van het hof aldus aan de advocaat duidelijk kunnen maken. Ook het feit dat de man een in het Nederlands gestelde kredietovereenkomst heeft getekend en overigens de (financiële) administratie deed die in het Nederlands was gesteld, en hij ter zitting van het hof blijk gaf van goed begrip van de Nederlandse taal, wijst erop dat de man het Nederlands beheerst. De conclusie van het hof is dat de man de tekst van het convenant moet hebben begrepen.

4.5.3.De man heeft gesteld dat hij tijdens het opstellen van het convenant niet op de hoogte was van het bestaan, de tenaamstelling en de hoogte van (het grootste deel) van de schulden. De vrouw heeft deze stelling gemotiveerd betwist, wijzende op de data en tenaamstelling van de talrijke stukken die de man in het geding heeft gebracht, waaronder een kredietovereenkomst met de ABN AMRO bank tot een bedrag van f 43.000 die (uitsluitend) de man op 18 september 2000, derhalve vóór het huwelijk heeft getekend. Het hof acht de stelling van de man dat hij niet bekend was met het bestaan, hoogte en tenaamstelling van de schulden, onaannemelijk, dit gelet op het feit dat al die schulden op zijn naam stonden en hij daarvoor aanschrijvingen en aanmaningen kreeg, zoals blijkt uit de overgelegde stukken. De hier bedoelde stelling van de man kan dan ook niet worden aanvaard.

Evenmin kan de stelling van de man worden aanvaard dat hij ervan uitging dat de schulden gelijkelijk zouden worden verdeeld, gelet op de duidelijke bewoordingen van het convenant.

4.5.4.De stelling van de man dat de verdeling uit het convenant naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is aangezien de verdeling zeer nadelig voor hem is, wordt eveneens door het hof verworpen. Weliswaar is er sprake van schulden, maar ter zitting van het hof is gebleken dat tot de huwelijksgemeenschap in ieder geval nog sieraden en een boot met oplegger behoorden van behoorlijke waarde, die niet in het convenant onder II beschreven zijn, en die de man na het huwelijk heeft verkocht. Omtrent de werkelijke waarde van de inboedel en twee auto’s die volgens het convenant aan de man zijn toegedeeld, is onvoldoende door hem gesteld.

Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden die rechtvaardigen dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan de verdeling uit het convenant kan worden gehouden.

4.5.5.De conclusie is dat de vorderingen van de man niet voor toewijzing in aanmerking komen.

4.6.Het hof ziet aanleiding, gelet op de relatie van partijen als gewezen echtgenoten, de proceskosten, zowel die van de eerste aanleg als van het hoger beroep, te compenseren.

4.7.Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 15 september 2010;

vernietigt de vonnissen van 16 februari 2011 en 11 mei 2011 en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van de man af;

compenseert de proceskosten (zowel die van de eerste aanleg als van het hoger beroep) tussen partijen in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en A.E. van Solinge en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 juni 2012.