Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9100

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
22-06-2012
Zaaknummer
HD 200.085.274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arbeidsrecht, bewijslastverdeling bij ontslag op grond van dringende reden, bewijs geleverd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0595
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.085.274

arrest van de achtste kamer van 19 juni 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. C.C. Berends,

tegen:

[Y.] RECYCLING B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.E. Menger,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 april 2011 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht gewezen vonnissen van 29 september 2010 en 12 januari 2011 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [geintimeerde] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 373877 CV EXPL 10-1599)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] zijn vorderingen gewijzigd, heeft hij twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd,

1. voor recht te verklaren dat hij tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het hem verleende ontslag;

2. voor recht te verklaren dat het gegeven ontslag nietig is;

3. [geintimeerde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen:

- het loon ten bedrage van € 1.747,88 bruto per maand over het tijdvak vanaf 2 maart 2010 tot op het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd (1 juli 2010);

- de vakantiebijslag over de periode van 2 maart 2010 tot 1 juli 2010, ten bedrage van 8% over het brutoloon;

- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over alle gevorderde loonbedragen;

- bovenstaande vermeerderd met de wettelijke rente;

- de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 768,--;

- met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde], onder overlegging van producties, de grieven bestreden.

2.3.Partijen hebben vervolgens hun standpunt schriftelijk bepleit. Zijdens [geintimeerde] is op dezelfde dag nog een repliek in schriftelijk pleidooi overgelegd, terwijl door [appellant] in het pleidooi al is gereageerd op hetgeen [geintimeerde] dezelfde dag naar voren heeft gebracht.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.[appellant] was (in elk geval) sedert 13 juli 1992 voor onbepaalde tijd in dienst van [geintimeerde]. Hij was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker tegen een brutoloon van € 1.747,88 per maand exclusief vakantiebijslag en andere emolumenten.

4.1.2.[geintimeerde] heeft [appellant] op 2 maart 2010 op staande voet ontslagen. Op deze datum heeft [geintimeerde] [appellant] ook de volgende brief gezonden (prod. 2 inl.dagv.) :

“(…)

Op grond van door ons ontvangen informatie is gebleken dat u zich meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan verkoop van aan [geintimeerde] toebehorende materialen (oud ijzer) waarbij de opbrengst van een en ander door u in eigen zak is gestoken.

Laatstelijk heeft dit plaatsgevonden hedenochtend en hedenmiddag waarbij is vastgesteld dat deze transactie u € 300,-- heeft opgeleverd.

Het zal duidelijk zijn dat, mede gelet op de gebeurtenissen in september 2007, een en ander voor [geintimeerde] onacceptabel is.

U heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van bedrijfseigendommen hetgeen zonder meer een dringende reden in de zin der wet oplevert en ertoe leidt dat wij gebruik maken van het recht u op staande voet te ontslaan.

(…)”

4.1.3. Bij brief van 11 maart 2010 (prod. 3 inl.dagv.) aan [geintimeerde] is zijdens [appellant] de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

4.1.4.Bij exploot van 30 maart 2010 heeft [appellant] [geintimeerde] in kort geding gedagvaard voor de kantonrechter te Maastricht en gevorderd, zakelijk weergegeven:

1. [geintimeerde] te veroordelen om [appellant] binnen 24 uur na het te wijzen vonnis toe te laten tot het bedrijf van [geintimeerde] en [appellant] daar in de gelegenheid te stellen de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag/ieder dagdeel dat [geintimeerde] daarmee in gebreke blijft;

2. [geintimeerde] te veroordelen tot betaling van het maandelijkse verschuldigde loon van € 1.747,88 bruto vanaf 2 maart 2010 tot de rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, de wettelijke verhoging over alle gevorderde loonbedragen en de wettelijke rente over het loon en over de wettelijke verhoging;

3. [geintimeerde] te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

Bij vonnis van 22 april 2010 (prod. 11 conclusie van antwoord) heeft de kantonrechter, voorshands oordelend, de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [geintimeerde] gevallen.

4.1.5.Per 1 juli 2010 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen - voor zover die nog zou bestaan - per genoemde datum op verzoek van [geintimeerde] is ontbonden.

4.2.1.[appellant] heeft in eerste aanleg bij exploot van 24 maart 2010 [geintimeerde] gedagvaard voor de kantonrechter te Maastricht en gevorderd, zakelijk weergegeven:

a. voor recht te verklaren dat hij tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het hem verleende ontslag;

b. [geintimeerde] te veroordelen om binnen 24 uur na het te wijzen vonnis toe te laten tot zijn bedrijf en hem daar in de gelegenheid te stellen de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [geintimeerde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

c. [geintimeerde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen:

- het loon ten bedrage van € 1.747,88 bruto per maand over het tijdvak vanaf 2 maart 2010 tot op het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

- de vakantiebijslag over de periode van 2 maart 2010 tot op het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, ten bedrage van 8% over het brutoloon;

- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over alle gevorderde loonbedragen;

- bovenstaande vermeerderd met de wettelijke rente;

- de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 768,--;

- met veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten.

4.2.2.[geintimeerde] heeft als verweer aangevoerd dat [appellant] zich op 2 maart 2010 tweemaal heeft schuldig gemaakt aan diefstal van bedrijfseigendommen van [geintimeerde] door oud ijzer dat eigendom was van [geintimeerde] ten eigen bate aan [Z.] Metaal B.V. (hierna: [Metaal B.V.]) te verkopen. Dit levert, zo stelt [geintimeerde], een dringende reden op in de zin der wet, op grond waarvan [appellant] op 2 maart 2010 op staande voet is ontslagen. [appellant] is daarbij als volgt te werk gegaan.

’s Ochtends moest een collega van [appellant], [getuige C.], zijn auto voor een reparatie naar Care Schadeservices B.V. aan de [vestigingsadres A.] te [vestigingsplaats] brengen. Het was de bedoeling dat [appellant] zijn collega [getuige C.] vanuit genoemd schadereparatiebedrijf een lift terug naar kantoor zou geven. [appellant] was conform afspraak achter [getuige C.] aangereden. Op een gegeven moment volgde [appellant] [getuige C.] echter niet meer met de auto. Volgens [geintimeerde] is [appellant] toen naar het bedrijf van [Metaal B.V.], gevestigd aan de [vestigingsadres B.] te [vestigingsplaats], gereden, waar hij oud ijzer ten eigen bate heeft verkocht. Dit oud ijzer behoorde aan [geintimeerde] toe. [geintimeerde] verwijst in dit verband naar de camerabeelden van 2 maart 2010, waarop is te zien dat [appellant] omstreeks 8.10 uur in de garage van [geintimeerde] doende is oud ijzer in de bestelbus, waarmee [appellant] achter [getuige C.] is aangereden, te gooien vanuit een bak waarin normaal gesproken het aluminiummetaal wordt bijeengebracht. ‘s Middags heeft [appellant], zo stelt [geintimeerde], met een smoes het terrein van [geintimeerde] verlaten; hij moest met spoed even naar huis vanwege klachten van de buren in verband met vuilniszakken in de tuin. Achteraf is duidelijk geworden dat [appellant] op dat moment wederom op weg was naar [Metaal B.V.] waar hij in de middaguren door de interim-boekhoudster, mevrouw [getuige A.], is gesignaleerd en materiaal dat [geintimeerde] in eigendom toebehoorde ten eigen bate heeft verkocht.

4.2.3 Bij vonnis van 29 september 2010 heeft de kantonrechter overwogen dat, hoewel de bewijslast van de aanwezigheid van de dringende reden normaliter bij de werkgever ligt, hij aanleiding ziet om de bewijslast bij [appellant] te leggen en aan hem het bewijs op te dragen van

zijn stelling dat het oud ijzer dat hij ten eigen bate aan [Metaal B.V.] verkocht heeft, afkomstig was van [Las & Montage] Las & Montageen geen eigendom was van [geintimeerde].

4.2.4.Nadat zowel in enquête als in contra-enquête getuigen waren gehoord, heeft de kantonrechter in het vonnis van 12 januari 2011 overwogen dat [appellant] niet is geslaagd in het leveren van het hem opgedragen bewijs. Daarmee, zo overwoog de kantonrechter, is gegeven dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen die een onverwijlde opzegging op 2 maart 2010 alleszins rechtvaardigen en dient de opzegging in stand te blijven. De vorderingen van [appellant] zijn afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

4.3.[appellant] is het met beide vonnissen niet eens en is daarvan tijdig in hoger beroep gekomen. De eerste grief is gericht tegen het tussenvonnis van 29 september 2010 en de tweede grief tegen het eindvonnis van 12 januari 2011. Ter toelichting op beide grieven betoogt [appellant] dat de stelplicht en de bewijslast ter zake de aanwezigheid van een dringende reden rust op degene die zich op die reden beroept. Het was dus volgens [appellant] aan [geintimeerde] om te bewijzen dat er sprake is geweest van diefstal zoals door haar genoemd in de ontslagaanzegging van 2 maart 2010. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

4.3.1.Het hof overweegt als volgt.

4.3.2.De bewijslast van de aanwezigheid van de dringende reden rust op degene die de arbeidsovereenkomst wegens die dringende reden heeft beëindigd, in dit geval dus op [geintimeerde]. Voor omkering van de bewijslast, in die zin dat [appellant] zou hebben te bewijzen dat er géén dringende reden voor het hem gegeven ontslag was, acht het hof geen grond aanwezig. Een omstandigheid om de bewijslast om te keren is in elk geval niet gelegen in het stadium waarin [appellant] de stelling heeft betrokken dat het oud ijzer dat hij had verkocht, afkomstig was van Kraft. [appellant] heeft dat standpunt reeds bij inleidende dagvaarding (sub 11) ingenomen. Evenmin moet worden geoordeeld dat [appellant] in eerste instantie heeft toegegeven dat hij zich jegens [geintimeerde] onrechtmatig heeft gedragen. Uit de door [geintimeerde] aangehaalde opmerking van [appellant] “maak de papieren maar klaar”, of woorden van gelijke strekking kan zulks in elk geval niet worden afgeleid. Dit betekent dat de grieven slagen. Het is derhalve aan [geintimeerde] om te bewijzen dat [appellant] in de ochtend en de middag van 2 maart 2010 oud ijzer van [geintimeerde] heeft verkocht en de opbrengst daarvan in eigen zak heeft gestoken.

4.3.3.Het hof zal allereerst op basis van de inhoud van het procesdossier beoordelen of [geintimeerde] in deze bewijsopdracht is geslaagd.

4.3.4.Van dat procesdossier maakt onder meer deel uit de op schrift gestelde verklaring van de heer [bedrijfsleider van Metaal B.V.], bedrijfsleider bij [Metaal B.V.], d.d. 24 maart 2010 (prod. 4 conclusie van antwoord). Blijkens deze verklaring heeft [appellant] verschillende keren materialen bij [Metaal B.V.] geleverd.

4.3.5.Voorts maakt van het procesdossier deel uit een proces-verbaal van contra-enquête. Blijkens dat proces-verbaal zijn op 15 december 2010 als getuigen gehoord [getuige A.], mevrouw [getuige B.] en de heer [getuige C.]. Schriftelijke verklaringen van deze personen maken eveneens deel uit van het procesdossier en zijn bij conclusie van antwoord overgelegd als:

- productie 5, schriftelijke verklaring van mevrouw [getuige B.], d.d. 11 mei 2010,

- productie 6, schriftelijke verklaring van mevrouw [getuige A.], d.d. 26 maart 2010,

- productie 7, schriftelijke verklaring van de heer [getuige C.], d.d. 26 maart 2010, alsmede zijn aanvullende verklaring d.d. 11 mei 2010.

Als productie 13 bij conclusie van dupliek is overgelegd een door de heren [getuige C.] en [getuige D.] ondertekende verklaring d.d. 16 juni 2010, waarin zij verklaren dat toen [appellant] op 2 maart 2010 rond 13.45 uur naar huis reed, het bestelbusje heel erg heen en weer schudde en nauwelijks goed van het terrein afkwam, waarschijnlijk door de zware belading. Bij dezelfde productie is tevens een door mevrouw [getuige B.], mevrouw [getuige A.] en de heer [getuige C.] d.d. 16 juni 2010 ondertekende verklaring overgelegd, waarin zij verklaren in de namiddag van 2 maart 2010 een cameraopname te hebben bekeken, waarop was te zien dat [appellant] schichtig om zich heen kijkend doende was vanuit een bak waarin het ijzer wordt verzameld, dit in de auto te gooien en dat hij hier ongeveer 15 minuten mee bezig was.

4.3.6.Als getuige heeft mevrouw [getuige A.] verklaard dat zij heeft gezien dat op 2 maart 2010 rond 14.00 uur een bedrijfsbusje van [geintimeerde], bestuurd door [appellant], het terrein van [Metaal B.V.], een handel in oud ijzer, verliet. Op dat moment deed [geintimeerde] al ongeveer negen tot twaalf maanden geen zaken meer met [Metaal B.V.], aldus deze getuige. Voorts heeft deze getuige verklaard omtrent hetgeen de heer [getuige C.] haar heeft verteld over hetgeen die ochtend was voorgevallen. [appellant] zou [getuige C.] bij een bezoek aan de garage met de bedrijfsauto van [geintimeerde] vergezellen. [getuige C.], die in zijn auto reed, verloor [appellant] al op de heenreis uit het zicht en heeft bij de garage een tijdje op [appellant] moeten wachten. De getuige heeft voorts nog verklaard dat zij op 2 maart 2010 naar de opgenomen beelden van die ochtend heeft gekeken en dat niet zichtbaar was of [appellant] inhoud van de container naar het bedrijfsbusje verplaatste. De getuige neemt dat wel aan.

De getuige [getuige C.] heeft verklaard dat hij in de ochtend van 2 maart 2010 [appellant] had gevraagd om hem met het bedrijfsbusje van [geintimeerde] te vergezellen naar Care Schadeservice, waar [getuige C.] een afspraak had voor het spuiten van zijn auto. Na aflevering van de auto kon [appellant] [getuige C.] dan terugbrengen naar [geintimeerde]. [getuige C.] heeft verklaard dat hij [appellant] op een gegeven moment uit het zicht is verloren. Nadat [getuige C.] zijn auto had afgeleverd, heeft hij in totaal een kwartier tot twintig minuten op [appellant] moeten wachten. Voorts heeft de getuige verklaard dat [appellant] hem omstreeks kwart voor twee die dag toestemming had gevraagd om met het busje van [geintimeerde] thuis vuilniszakken op te halen. [appellant] had [getuige C.] gezegd dat hij dit niet aan [getuige B.] moest melden. [getuige C.] heeft die toestemming verleend en zag [appellant] het terrein verlaten met een van links naar rechts schuddend busje. De getuige verbond daaraan de conclusie dat het busje zwaarbeladen was. Ook heeft de getuige nog verklaard omtrent de opgenomen camerabeelden van die ochtend. Volgens de getuige was daarop te zien dat [appellant] een, twee of drie minuten bezig is geweest met de bedrijfsbus en de rolcontainer, maar toonden de camerabeelden niet wat er aan de achterkant van de bus precies gebeurde. Wel had de getuige gezien dat [appellant] (ook) aan de zijkant iets in het busje smeet.

De getuige [getuige B.] heeft verklaard dat zij vanaf 24 februari 2010 de directietaken waarnam van haar vader, die in het ziekenhuis was opgenomen. Over het gebeuren in de ochtend van 2 maart 2010 heeft zij verklaard zich te herinneren dat [getuige C.] met zijn eigen auto, vergezeld door [appellant] met het bedrijfsbusje, naar een garagebedrijf was gereden en dat [getuige C.] haar later heeft verteld dat hij op een gegeven moment [appellant] kwijt was. Voorts heeft de getuige verklaard dat [getuige C.] haar op enig moment op die ochtend heeft gebeld met de vraag waar [appellant] bleef, dat zij dit niet wist, dat [getuige C.] dus heeft moeten afwachten en dat deze haar later heeft verteld dat hij een minuut of tien had gewacht. Later die morgen had een collega van haar vader, genaamd [collega], haar gevraagd wat [appellant] zo vroeg in de ochtend bij [Metaal B.V.] deed. De getuige heeft voorts verklaard dat zij die middag van [getuige C.] had vernomen dat [appellant] hem in de middagpauze toestemming had gevraagd om met het bedrijfsbusje naar huis te gaan, naar diens zeggen om restzakken op te halen. [appellant] had gezegd dat hij een telefoontje van de afdeling handhaving van de gemeente had ontvangen en had [getuige C.] gevraagd dat niet aan de getuige te vertellen. Voorts heeft de getuige verklaard dat [getuige C.] had waargenomen dat [appellant] bij het verlaten van het terrein niet, zoals normaal, rechts de poort was uitgereden, maar door de poort links, die van de vader van de getuige [getuige B.] gesloten moet blijven en dat het busje bovendien heen en weer schudde. Naar het inzicht van [getuige C.] betekende dit dat het busje zwaarbeladen was. Naar aanleiding van de opmerking van [collega] heeft [getuige A.], door de getuige [getuige B.] aangeduid met haar meisjesnaam [getuige A.], navraag gedaan bij [Metaal B.V.]. [getuige A.] heeft, zo verklaart de getuige [getuige B.], gezien dat [appellant] met het bedrijfsbusje het terrein van [Metaal B.V.] opreed en het daarna weer verliet. Van [Metaal B.V.] heeft [getuige A.] volgens de getuige [getuige B.] te horen gekregen dat [appellant] zowel die ochtend als die middag materialen had ingeleverd en daarvoor geld had ontvangen. Ook de getuige [getuige B.] heeft verklaard over de camerabeelden. Volgens de getuige lieten de beelden niet zien dat [appellant] de container uitlaadde.

4.3.7.[appellant] heeft niet bestreden dat hij op 2 maart 2010 bij [Metaal B.V.] oud ijzer heeft verkocht. Hij heeft aangegeven dat hij om wat bij te verdienen geregeld oud ijzer ophaalt bij [Las & Montage] Las & Montage, het bedrijf van zijn ex-zwager [getuige E.]. In de ochtend van 2 maart 2010 was [appellant] gevraagd om zijn collega [getuige C.] op te halen bij een autogarage. Omdat het op de route lag is [appellant] eerst even bij [Las & Montage] Las & Montage langsgereden om oud ijzer op te halen, om dit vervolgens aan [Metaal B.V.] te verkopen. Rond 14.00 uur heeft [appellant], zo stelt hij, aan [getuige C.] gevraagd of hij het terrein van [geintimeerde] mocht verlaten nu hij even naar huis wilde. Dit heeft [getuige C.] toegestaan. De heer [getuige E.] had nog wat extra materiaal over en heeft dit bij [appellant] op zijn thuisadres afgezet. [appellant] erkent dat hij dit niet handig heeft aangepakt, maar zulks betekent niet dat er sprake is van diefstal, aldus [appellant].

4.3.8.[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn stelling onder meer een schriftelijke verklaring overgelegd van de heer [getuige E.], d.d. 17 maart 2010 (prod. 4 inl.dagv.), alsmede van de heer [bedrijfsleider van Metaal B.V.], bedrijfsleider van [Metaal B.V.], d.d. 26 mei 2010 (prod. 13 conclusie van repliek), waarin deze bevestigt dat [appellant] verschillende malen materialen aan [Metaal B.V.] heeft geleverd. Bovendien heeft [appellant] in verband met de in eerste aanleg gegeven bewijsopdracht in enquête twee getuigen laten horen: de heer [getuige E.], voornoemd, en de heer [getuige D.].

De heer [getuige E.] heeft als getuige verklaard zich te herinneren dat hij in maart 2010, een dag voor de gebeurtenis waar het hier om gaat, [appellant] had gebeld met de mededeling dat er bij hem thuis (waar ook zijn bedrijf is gevestigd) materiaal voor hem lag, dat hij voor eigen rekening mocht verhandelen. De getuige heeft verklaard dat hij dat materiaal buiten voor [appellant] had neergelegd. Voorts heeft de getuige verklaard dat hij ’s middags nog een oude ketel bij de woning van [appellant] had neergezet, die [appellant] van hem ook mocht hebben.

De getuige [getuige D.] heeft verklaard dat hij als onderaannemer bij [geintimeerde] werkzaam is geweest en daar met [appellant] heeft samengewerkt. Vragen over 2 maart 2010 kan de getuige beantwoorden, omdat hij zich herinnert dat het dan gaat over de laatste werkdag van [appellant] bij [geintimeerde]. De getuige was erbij toen [appellant] rond het middaguur op 2 maart 2010 aan [getuige C.] toestemming vroeg of hij even weg mocht, omdat hij een telefoontje van de buren had gekregen dat er “huisvuil buiten stond”. [appellant] kreeg toestemming om even weg te gaan en de getuige [getuige D.] heeft [appellant] zien wegrijden met de bedrijfsbus. De getuige weet niet of de bus vol of leeg was. De getuige heeft nader verklaard dat hij het bedrijfsbusje waarmee [appellant] wegreed, heeft heen en weer zien schudden. Gevraagd naar de in rechtsoverweging 4.3.5. genoemde verklaring, heeft de getuige uitdrukkelijk aangegeven niet te kunnen onderschrijven dat dit een gevolg moet zijn geweest van de zware belading van het busje. Hij heeft daar niet op gelet.

4.3.9.Naar het oordeel van het hof kan op basis van de inhoud van het procesdossier niet worden geconcludeerd dat [geintimeerde] heeft bewezen dat [appellant] zich op 2 maart 2010 heeft schuldig gemaakt aan diefstal van bedrijfseigendommen van [geintimeerde]. Niet in geschil is dat [appellant] ten eigen bate materialen aan [Metaal B.V.] heeft verkocht. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige A.], [getuige C.] en [getuige B.] volgt evenwel niet dat zij hebben waargenomen dat [appellant] met materialen van [geintimeerde] het terrein van [geintimeerde] heeft verlaten. De getuige [getuige C.] heeft verklaard over het van links naar rechts schuddende bedrijfsbusje dat door [appellant] werd bestuurd, maar of dit busje ook daadwerkelijk zwaarbeladen was, zoals deze getuige concludeert, en waarmee het dan zou zijn beladen, daarover heeft deze getuige niet verklaard. Mevrouw [getuige A.], de heer [getuige C.] en [getuige B.] hebben in hun in rechtsoverweging 4.3.5 genoemde schriftelijke verklaring d.d. 16 juni 2010 aangegeven wat zij hebben waargenomen op de camerabeelden die op 2 maart 2010 op het terrein van [geintimeerde] waren gemaakt en waarop [appellant] is te zien. In deze schriftelijke verklaring vermelden genoemde personen dat zij hebben waargenomen dat [appellant] materiaal in de auto van, naar het hof begrijpt, [geintimeerde] heeft gegooid. Als getuige heeft mevrouw [getuige A.] echter verklaard dat op de camerabeelden niet zichtbaar was of [appellant] inhoud van de container in het bedrijfsbusje heeft geladen. Ook de heer [getuige C.] en [getuige B.] verklaren niet dat zij dat op de camerabeelden hebben waargenomen. De getuige [getuige B.] verklaart expliciet dat op de camerabeelden niet was te zien dat [appellant] de container uitlaadde. De getuige [getuige C.] heeft wel verklaard dat [appellant] aan de zijkant iets in de bus smeet, maar wat dit dan was en of het uit de container van [geintimeerde] afkomstig was, daarover verschaft deze getuige geen duidelijkheid. Naar het oordeel van het hof is de stelling van [geintimeerde] dat er op 2 maart 2010 sprake was van diefstal van niet nader dan als oud ijzer omschreven bedrijfseigendommen door [appellant] voornamelijk gebaseerd op aannames en conclusies en niet althans onvoldoende op feitelijke waarnemingen. Dat de gedragingen van [Las & Montage] gezien de door [geintimeerde] voorgebrachte getuigen enig vermoeden van onrechtmatig handelen bij [geintimeerde] hebben opgeroepen acht het hof niet onbegrijpelijk, maar dat maakt nog niet dat de beweerdelijke diefstal van eigendommen - die ten grondslag is gelegd aan de dringende reden - ook in voldoende mate is komen vast te staan.

Het hof acht in dit verband nog relevant dat inmiddels is gebleken dat het niet meer mogelijk is de camerabeelden alsnog te bekijken. Dat [geintimeerde] nog heeft getracht deze beelden te laten herstellen doet hier niet aan af. Voorts acht het hof relevant dat [appellant] heeft aangegeven dat het oud ijzer dat hij op 2 maart 2010 bij [Metaal B.V.] heeft afgeleverd afkomstig was van zijn ex-zwager [getuige E.] en dat deze stelling van [appellant] omtrent de mogelijke herkomst van dit materiaal wordt ondersteund door de verklaring die de heer [getuige E.] als getuige heeft afgelegd, terwijl de getuige [getuige D.] nog heeft verklaard niet te kunnen onderschrijven dat het schudden van het bedrijfsbusje het gevolg was van de zware belading ervan. Het hof voegt hier voorts aan toe dat de door [geintimeerde] overgelegde stukken betreffende de diverse routebeschrijvingen niet tot een ander oordeel leiden.

4.3.10.[geintimeerde] heeft ook in hoger beroep aangeboden zijn stellingen te bewijzen. Nu in eerste aanleg aan de zijde van [geintimeerde] reeds getuigen zijn gehoord en ook anderszins bewijsmateriaal is aangedragen, had het op de weg van [geintimeerde] gelegen om in hoger beroep gespecificeerd aan te geven op welke wijze hij (nader) bewijs wilde bijbrengen. [geintimeerde] heeft dit nagelaten en heeft bij memorie van enkel een algemeen bewijsaanbod gedaan. Het hof passeert dit bewijsaanbod als onvoldoende gespecificeerd.

4.3.11.Uit het voorgaande volgt dat de door [geintimeerde] aan het ontslag van [appellant] ten grondslag gelegde dringende reden in rechte niet is komen vast te staan. Hetgeen [geintimeerde] overigens nog heeft aangevoerd over het gedrag van [appellant] - als door [appellant] betwist - omtrent onder meer het voeren van een eigen handeltje en vernielen van eigendommen, is aan het ontslag niet ten grondslag gelegd en kan dan ook - wat er verder van zij - niet bij de beoordeling worden betrokken.

Dit betekent dat het op 2 maart 2010 aan [appellant] gegeven ontslag, nu het ontslag voorts is gegeven zonder de ingevolge artikel 6 lid 1 Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (BBA) vereiste toestemming van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen en [appellant], gelet op het bepaalde in artikel 9 lid 3 BBA (namelijk bij brief van 11 maart 2010; zie rechtsoverweging 4.1.3) tijdig een beroep heeft gedaan op een vernietigingsgrond, nietig is. De bestreden vonnissen worden vernietigd en de vorderingen van [appellant], zoals deze in hoger beroep luiden, dienen te worden toegewezen. Het hof begrijpt in dat verband dat de wettelijke rente door [appellant] wordt gevorderd vanaf de respectieve vervaldagen tot en met de dag der algehele voldoening. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden eveneens toegewezen nu deze niet zijn bestreden.

4.4. [geintimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [appellant] tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van het hem verleende ontslag;

verklaart voor recht dat het gegeven ontslag nietig is;

veroordeelt [geintimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen;

- het loon ten bedrage van € 1.747,88 bruto per maand over het tijdvak vanaf 2 maart 2010 tot op het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd, te weten op 1 juli 2010;

- de vakantiebijslag over de periode van 2 maart 2010 tot 1 juli 2010, ten bedrage van 8% over het brutoloon;

- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over alle toegewezen loonbedragen;

- bovenstaande vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldagen tot en met de dag der algehele voldoening;

- de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 768,--;

veroordeelt [geintimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 208,-- aan griffierecht op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv (oud) te voldoen aan de griffier van de rechtbank te Maastricht,

€ 87,93 vanwege dagvaardingskosten en € 875,-- aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en € 284,-- aan griffierecht, € 101,81 vanwege dagvaardingskosten en € 1.788,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.M. Aarts, M.J.H.A. Venner-Lijten en R.R.M. de Moor en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 juni 2012.