Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9024

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
11-00659, 11-00660, 11-00666, 11-00667, 11-00668 en 11-00669
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2011:BU1599, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in 2006, vlak voor zijn emigratie naar Hongarije, zijn assurantieportefeuille verkocht. De koper heeft een gedeelte van de verkoopopbrengst in een depot gestort. In 2010, als belanghebbende een gedeelte van het in depot gestorte bedrag ontvangt, is het depotbedrag belastbaar. Belanghebbende is in 2010 echter geen premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet verschuldigd. Op de nagekomen lasten, die naar het oordeel van het Hof niet onder het bereik van de vaststellingsovereenkomst vallen, is goed koopmansgebruik van toepassing; deze zijn aftrekbaar in 2008 en 2010. Belanghebbende heeft geen recht op een vergoeding van materiële schade doch wel op een vergoeding van immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1547
V-N 2012/41.4 met annotatie van Redactie
V-N 2012/45.2.1
FutD 2012-1694
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 11/00659, 11/00660, 11/00666, 11/00667, 11/00668 en 11/00669

Uitspraken op de hoger beroepen van

De voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Oost Brabant van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

en de hoger beroepen van

De heer X,

wonende te Y (Hongarije) en domicilie kiezende te Z,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraken van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 augustus 2011, nummers AWB 10/4653, AWB 11/2444, AWB 11/2445 en AWB 11/2446 in de gedingen tussen

de Inspecteur

en

belanghebbende.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 met nummer 000.00.000.H.62 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 130.000 (hierna: de H.62), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 113.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.000.

1.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil (hierna: de H.86), alsmede bij beschikking een boete van € 226. De aanslag en de boetebeschikking zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.3. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.524 (hierna ook: de H.00), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.4. Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een voorlopige aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 14.524 (hierna ook: de W.00), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.5. Belanghebbende is van de uitspraken genoemd in 1.1 tot en met 1.4 in beroep gekomen bij de Rechtbank, bij de Rechtbank bekend onder kenmerken AWB 10/4653, AWB 11/2446, AWB 11/2444 respectievelijk AWB 11/2445. Ter zake van het beroep met nummer AWB 10/4653 alsmede ter zake van het beroep met nummer AWB 11/2446 heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard voor zover het betreft de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 en de voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010; de uitspraken op bezwaar betreffende de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 en de voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010 vernietigd; de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2010 verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 2.792 en een premie-inkomen van nihil; de voorlopige aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet 2010 vernietigd; het beroep voor het overige ongegrond verklaard; de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 537; de Inspecteur gelast aan belanghebbende een schadevergoeding te voldoen van € 695; en gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 in procedurenummer 10/4653 en van € 41 in procedurenummer 11/2444 aan deze vergoedt.

1.6. De Inspecteur heeft hoger beroep tegen de uitspraken van de Rechtbank met nummers AWB 11/2444 en AWB 11/2445 ingesteld bij het Hof, bij het Hof bekend onder kenmerken 11/00659 respectievelijk 11/00660. Belanghebbende heeft ter zake van beide hoger beroepen een verweerschrift ingediend.

1.7. Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep tegen de uitspraken van de Rechtbank met nummers AWB 10/4653, AWB 11/2444, AWB 11/2445 en AWB 11/2446 ingesteld bij het Hof, bij het Hof bekend onder kenmerken 11/00666, 11/00668, 11/00669 respectievelijk 11/00667. De Inspecteur heeft ter zake van alle hoger beroepen een verweerschrift ingediend. Ter zake van het beroep met nummer 11/00666 heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 112.

1.8. De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank met nummer AWB 10/4653. Belanghebbende heeft het incidentele hoger beroep beantwoord.

1.9. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende ter zake van het beroep met nummer 11/00666 vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.10. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 april 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigden, alsmede de Inspecteur. Daar zijn gezamenlijk behandeld de zaken met de kenmerken 11/00659, 11/00660, 11/00666, 11/00667, 11/00668 en 11/00669.

1.11. De Inspecteur heeft te dezer zitting drie pleitnota's voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota's behorende bijlage. Belanghebbende heeft te dezer zitting eveneens een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.12. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek in alle zaken gesloten.

1.13. Na de sluiting van de onderzoek heeft belanghebbende bij faxbericht en brief van 2 mei 2012 verzocht om heropening van het onderzoek als bedoeld in artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de zaak 11/00666. Op de hierna in 7.1 vermelde grond heeft het Hof dit verzoek afgewezen.

1.14. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander niet, dan wel onvoldoende, bestreden.

2.1. Belanghebbende heeft in Nederland een onderneming geëxploiteerd. Op 30 juni 2006 heeft belanghebbende de assurantieportefeuille van die onderneming verkocht voor een bedrag van € 457.500. Bij de verkoop is overeengekomen dat van dit bedrag een bedrag van € 75.000 zou worden gestort op een depot bij een notaris. In verband daarmee is bij A Notarissen in B een bedrag van € 75.000 in depot gestort.

2.2. Belanghebbende is op 1 augustus 2006 geëmigreerd vanuit Nederland naar Hongarije.

2.3. Tussen belanghebbende en de koper van de assurantieportefeuille is een geschil ontstaan over de vraag welk deel van het in depot gestorte bedrag van € 75.000 aan belanghebbende toekomt.

2.4. Met dagtekening 17 november 2006 is aan belanghebbende de H.62 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 130.000. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 113.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 4.000.

2.5. De aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006 (hierna: de H.66) is met dagtekening 23 juli 2008 opgelegd naar een belastbaar inkomen van € 44.717, waarbij rekening is gehouden met het nog te verrekenen verlies uit voorafgaande jaren van € 5.296, en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 0.

2.6. Belanghebbende en de Inspecteur hebben op 25 augustus 2008 een vaststellingsovereenkomst gesloten (hierna: de vaststellingsovereenkomst). In deze vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende overeengekomen:

"Gisteren hebben wij (...) overeenstemming bereikt over de hoogte van uw aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006. Volgens de brief van mijn collega (...) is de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.876 (na aftrek van het te verrekenen verlies uit 2005 ad € 5.296). Wij zijn overeengekomen dat ik dit bedrag ambtshalve zal verminderen met de hierna volgende bedragen. Tegenover deze vermindering zegde u toe tegen de aanslag geen bezwaar te zullen indienen. (...)

De bedragen waarmee ik uw belastbaar inkomen uit werk en woning zal verminderen zijn:

1. een bedrag van € 15.846 wegens een verlies uit ter beschikking gesteld vermogen als gevolg van een ontstane regresvordering door aansprakelijkstelling door de ontvanger.

2. een bedrag van € 15.000 aan winstneming op het in depot gestorte deel ad € 75.000 van de verkoopopbrengst van uw onderneming.

3. een bedrag van € 1.313 aan rente-aftrek op de hypotheekschuld. Dit is 75/270 deel van de niet in aanmerking genomen rente-aftrek.

Deze rekensom leidt tot de conclusie dat wij het erover eens geworden zijn dat uw belastbare inkomen uit werk en woning over 2006 dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 50.013. Daarnaast zal nog rekening worden gehouden met verrekening van het verlies uit 2005 ten bedrage van € 5.296.

Naast het vorenstaande hebben we afgesproken dat de fiscale afrekening van het depot van € 75.000 plaatsvindt in het jaar waarin dat daadwerkelijk wordt afgewikkeld. Momenteel loopt daar nog een procedure over, waarvan de uitspraak van de rechter in oktober van dit jaar wordt verwacht. Ik merk hier nog over op dat het volle bedrag van de rekening van de heer C in dit verband in mindering is gebracht op het resultaat in 2008, terwijl dit (nog) niet (volledig) is betaald. Deze aspecten horen dan bij de genoemde definitieve afwikkeling van deze problematiek. (...)

Op uw vraag hoe met eventuele nagekomen bedrijfslasten in 2008 of later zal worden omgegaan, gelet op de in dat jaar beperkte mogelijkheden tot verliesverrekening, heb ik u toegezegd dat ik zal nagaan of op dit punt overgangsrecht is dat u kan baten. Ik zal u dit bij aparte brief nog laten weten.".

2.7. De vaststellingsovereenkomst is cijfermatig nader uitgewerkt in de brief van 8 oktober 2008 (hierna: de cijfermatige uitwerking). In deze cijfermatige uitwerking is onder meer het volgende overeengekomen:

"Nadat wij het in augustus jl. eens geworden waren over de hoogte van uw belastbare inkomen uit werk en woning in het jaar 2006, zijn er nieuwe problemen c.q. onduidelijkheden ontstaan, die wij middels de in deze brief opgenomen vaststellingsovereenkomst oplossen. (...)

Hierbij geven wij een overzicht van de tot nu toe betaalde en terug (te) ontvangen bedragen. De hoofdmoot hiervan bestaat uit inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006 en 2007. (...) Onder de streep leidt dit tot een bepaald bedrag. Vervolgens komen wij met u overeen dat dit bedrag nog zal worden betaald, waarbij open gelaten wordt hoe dit wordt geformaliseerd.

Overzicht te betalen en terug (te) ontvangen belasting/premie

Aanslag H66 (dagtek. 23/7/08)€-/- 23.987*Vermindering van deze aanslag volgens met u gesloten overeenkomst.€-/- 18.018*(...)(...)(...)Totaal:€-/- 14.886

Overeenkomst

Uit het hiervoor weergegeven overzicht volgt dat u nog recht heeft op een teruggave van € 14.886. Dit bedrag wordt zo spoedig mogelijk naar u overgemaakt, zodra deze overeenkomst door u ondertekend is terugontvangen.

De ten onrechte afgegeven verminderingsbeschikkingen van de voorlopige aanslag met nummer H62, met bedragen van resp. € 51.094 en € 2.414, zullen niet worden uitbetaald.".

2.8. Rechtbank 's-Hertogenbosch heeft bij vonnis van 27 augustus 2008 het volgende beslist:

"in conventie

5.1. verklaart voor recht dat het depot zoals dat berust onder de stichting derdengelden van Notariskantoor A te B conform de overeenkomst dient te worden verdeeld, met dien verstande dat aan D een bedrag van EUR 61.758,61 toekomt en aan X een bedrag van EUR 14.524,--,

5.2. veroordeelt X in de proceskosten, aan de zijde van D tot op heden begroot op EUR 2.113,80,

5.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.5. wijst de vorderingen af,

5.6. veroordeelt X in de proceskosten, aan de zijde van D tot op heden begroot op EUR 1.421,00,

5.7. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.".

2.9. Gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft op 22 december 2009 het vonnis van Rechtbank 's-Hertogenbosch bekrachtigd en belanghebbende veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep groot € 1.197. Die uitspraak van het gerechtshof staat onherroepelijk vast.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen in de procedure met kenmerk 11/0666

3.1. Het geschil in hoger beroep van belanghebbende in de procedure met kenmerk 11/00666 betreft het antwoord op de volgende vragen:

a. Is de H.62 tot een te hoog bedrag vastgesteld?

b. Heeft belanghebbende recht op integrale vergoeding van proceskosten?

c. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van materiële schade?

d. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van immateriële schade?

Het geschil in incidenteel hoger beroep van de Inspecteur in de procedure met kenmerk 11/00666 betreft het antwoord op de volgende vraag:

e. Is belanghebbende ontvankelijk in zijn beroep?

Belanghebbende is van mening dat al deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de H.62 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 31.267 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 493 en tot veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de door hem geleden schade. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen in de procedure met kenmerk 11/0667

4.1. Het geschil in de procedure met kenmerk 11/00667 betreft het antwoord op de volgende vragen:

a. Mag belanghebbende in het jaar 2008 nagekomen bedrijfslasten in aanmerking nemen?

b. Heeft de Inspecteur ten onrechte een boete opgelegd?

Belanghebbende is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

4.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

4.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vaststelling van het verlies over 2008 op € 18.814 en vernietiging van de boetebeschikking. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

5. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen in de procedures met kenmerk 11/00659 en 11/0668

5.1. Het geschil in de procedures met kenmerk 11/00659 en 11/00668 betreft het antwoord op de volgende vragen:

a. Heeft de Inspecteur het inkomen uit werk en woning op het juiste bedrag vastgesteld?

b. Is belanghebbende premieplichtig voor de volksverzekeringen?

c. Heeft de Rechtbank de Inspecteur terecht en tot het juiste bedrag veroordeeld in de kosten van belanghebbendes beroep?

d. Heeft de Rechtbank terecht gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende een schadevergoeding voldoet?

e. Indien vraag 5.1.d bevestigend wordt beantwoord, heeft de Rechtbank het bedrag van de schadevergoeding ten onrechte vastgesteld op € 695?

f. Heeft de Rechtbank terecht gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt?

Belanghebbende is van mening dat de vragen 5.1.a en 5.1.b ontkennend en de vragen 5.1.c tot en met 5.1.f bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

5.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

5.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de H.00. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

6. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen in de procedures met kenmerk 11/00660 en 11/00669

6.1. Het geschil in de procedures met kenmerk 11/00660 en 11/00669 betreft het antwoord op de volgende vragen:

a. Is de W.00 terecht en tot het juiste bedrag opgelegd?

b. Heeft de Rechtbank de Inspecteur terecht veroordeeld in de kosten van belanghebbendes beroep?

c. Heeft de Rechtbank terecht gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende een schadevergoeding voldoet?

d. Indien vraag 6.1.c bevestigend wordt beantwoord, heeft de Rechtbank het bedrag van de schadevergoeding tot een te laag bedrag vastgesteld?

Belanghebbende is van mening dat vraag 6.1.a ontkennend en de vragen 6.1.b tot en met 6.1.d bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

6.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

6.3. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

7. Gronden

Vooraf

7.1. Zoals vermeld in 1.13 heeft de Inspecteur verzocht om heropening van het onderzoek als bedoeld in artikel 8:68 van de Awb in de zaak 11/0666. Naar het oordeel van het Hof is het onderzoek evenwel volledig geweest. Het verzoek om heropening wordt dan ook afgewezen. Het Hof zal overigens geen acht slaan op de inhoud van het faxbericht en de brief zoals vermeld in 1.13.

Ten aanzien van het geschil in de procedure met kenmerk 11/00666

Ten aanzien van vraag 3.1.e

7.2. Het Hof beantwoordt allereerst de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in zijn beroep. Tot de stukken van het geding behoort een brief van 12 januari 2007. Deze brief bevat alle kenmerken van een uitspraak op bezwaar doch bevat geen rechtsmiddelenverwijzing. Het Hof is van oordeel dat deze brief moet worden aangemerkt als uitspraak op bezwaar. Aan dit oordeel doet niet af dat deze brief niet de woorden "uitspraak op bezwaar" bevat en door partijen niet als zodanig is aangemerkt. Partijen en de Rechtbank zijn er ten onrechte van uitgegaan dat de verminderingsbeschikking van 2 februari 2007 als uitspraak op bezwaar moet worden aangemerkt.

7.3.1. De uitspraak op bezwaar van 12 januari 2007 bevat geen rechtsmiddelenverwijzing. De door partijen en de Rechtbank als uitspraak op bezwaar aangemerkte verminderingsbeschikking van 2 februari 2007 bevatte de mededeling dat geen beroep mogelijk was. Deze beschikking behelsde de volgende passage:

"U kunt tegen deze vermindering geen bezwaar maken en niet in beroep gaan. Wel kunt u een schriftelijk verzoek indienen bij uw belastingkantoor om het bedrag van de vermindering te wijzigen. Vermeld altijd de reden van uw verzoek en om welke kennisgeving het gaat."

7.3.2. Belanghebbende heeft derhalve nimmer de juiste rechtsmiddelenverwijzing gekregen, noch in de 'echte' uitspraak op bezwaar, noch in de vermeende uitspraak op bezwaar. Belanghebbende voert aan dat als gevolg daarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Ingevolge het arrest HR 19 maart 2010, BNB 2010/240, dient niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding dan op de voet van artikel 6:11 van de Awb achterwege te blijven, tenzij aannemelijk is dat belanghebbende anderszins tijdig op de hoogte was van de termijn waarbinnen het desbetreffende rechtsmiddel diende te worden aangewend.

7.4.1. Met betrekking tot de brief van 12 januari 2007, is het Hof van oordeel dat belanghebbende redelijkerwijs niet behoefde te onderkennen dat hij tegen deze uitspraak op bezwaar een rechtsmiddel moest aanwenden. De brief bevat immers geen rechtsmiddelenverwijzing. Het kan belanghebbende derhalve niet worden tegengeworpen dat hij daartegen niet, althans niet tijdig, in beroep is gegaan.

7.4.2. De vraag rijst vervolgens of hij niet binnen 6 weken na ontvangst van de verminderingsbeschikking beroep had moeten instellen. Volgens partijen was dat immers de uitspraak op bezwaar. Die verminderingbeschikking bevatte echter de mededeling dat daartegen geen beroep mogelijk was. De Inspecteur heeft in dat kader gesteld dat belanghebbende zich uiterlijk in mei 2010 bewust was van de onjuiste rechtsmiddelenverwijzing en dat hij vanaf dat moment onredelijk lang gewacht heeft met het instellen van beroep. Belanghebbende schrijft in zijn reactie op de conclusie van antwoord in de kort gedingprocedure immers:

"10. De verminderingsbeschikking is voorzien van de tekst: 'U kunt tegen deze vermindering geen bezwaar maken en niet in beroep gaan.'

11. Hiermee is in strijd met artikel 9.5 sub 2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 gehandeld.

12. De mogelijkheid van bezwaar en beroep werd (...) [belanghebbende] dus ontnomen.".

7.4.3. Naar het oordeel van het Hof kan hieruit weliswaar worden afgeleid dat belanghebbende ervan op de hoogte was dat een (juiste) rechtsmiddelenverwijzing ontbrak, maar tevens dat hij meende dat hem een rechtsmiddel was ontnomen. Niet aannemelijk is dat belanghebbende op de hoogte was van de termijn waarbinnen het rechtsmiddel diende te worden aangewend.

7.4.4. Voorts heeft de Inspecteur in dat kader gesteld dat belanghebbende is bijgestaan door twee advocaten en dat de kennis van deze advocaten moet worden toegerekend aan belanghebbende. Belanghebbende heeft daartegen, onweersproken, ingebracht dat die advocaten hem niet hebben bijgestaan in het onderhavige geschil en dat van hen daarom niet mag worden verwacht dat zij hem zouden wijzen op het aanwenden van een rechtsmiddel, en dat zij zulks ook niet hebben gedaan. Het Hof vermag niet in te zien waarom de door de Inspecteur bedoelde advocaten belanghebbende hadden moeten wijzen op de noodzaak van het aanwenden van een rechtsmiddel, aangezien niet aannemelijk is dat een zodanige verwittiging voortvloeide uit de overeenkomst van opdracht tussen belanghebbende en die advocaten.

7.4.5. Gesteld noch gebleken is dat mr. F, die belanghebbende heeft bijgestaan in beroep in het onderhavige geschil, belanghebbende eerder had moeten wijzen op het aanwenden van een rechtsmiddel.

7.4.6. Het Hof acht derhalve niet aannemelijk dat belanghebbendes advocaten hem hebben of hadden moeten wijzen op het aanwenden van een rechtsmiddel.

7.5. Ten slotte heeft de Inspecteur nog gesteld dat met belanghebbende tijdens de behandeling van zijn bezwaarschrift overeenstemming was bereikt over de hoogte van de H.62. Het Hof is evenwel van oordeel dat dit geenszins betekent dat belanghebbende afstand heeft gedaan van rechtsmiddelen. De grief van de Inspecteur faalt derhalve.

7.6. Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat de Rechtbank terecht heeft geoordeeld dat belanghebbende niet in verzuim is en dat het beroep ontvankelijk is. Het Hof verklaart het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.

Ten aanzien van vraag 3.1.a

7.7. Vervolgens is in geschil of de H.62 terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld. In dat kader ziet het Hof zich voor de vraag gesteld of en, zo ja, in hoeverre partijen daarbij zijn gebonden aan de vaststellingsovereenkomst en de cijfermatige uitwerking.

7.8. Ten aanzien van de gebondenheid van belanghebbende aan de vaststellingsovereenkomst heeft de Rechtbank het volgende geoordeeld:

"2.8. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden de vaststellingsovereenkomst onverbindend te achten. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van dwaling of van misbruik van omstandigheden. Belanghebbende is derhalve aan de vaststellingsovereenkomst gebonden.".

Het Hof acht dit oordeel van de Rechtbank juist en op goede gronden genomen. Het voegt daaraan toe dat gesteld noch gebleken is dat er enige andere grond is voor het oordeel dat belanghebbende niet aan de vaststellingsovereenkomst zou zijn gebonden. Naar 's Hofs oordeel strekt die gebondenheid zich tevens uit tot de cijfermatige uitwerking, zoals genoemd in onderdeel 2.7 hiervóór. Gesteld noch gebleken is dat de Inspecteur niet is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst en/of aan de cijfermatige uitwerking. Het Hof is mitsdien van oordeel dat zowel belanghebbende als de Inspecteur is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst en de cijfermatige uitwerking.

7.9. In het arrest HR 13 maart 1981, LJN: AG4158, NJ 1981, 635 (Ermes/Haviltex) heeft de Hoge Raad de zogenoemde Haviltexnorm voor de uitleg van schriftelijke overeenkomsten geformuleerd. Deze norm luidt:

"De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van pp. is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die pp. in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen pp. behoren en welke rechtskennis van zodanige pp. kan worden verwacht.".

7.10. Het Hof is, indachtig de Haviltexnorm, van oordeel dat partijen met de vaststellingsovereenkomst van 25 augustus 2008 en de cijfermatige uitwerking van 8 oktober 2008, in onderlinge samenhang bezien, een afspraak hebben gemaakt over een door belanghebbende netto te ontvangen belastingbedrag in verband met de H.66. Uit de vastgestelde feiten blijkt dat de H.66 was vastgesteld op het moment van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en de cijfermatige uitwerking. De door partijen gemaakte "netto-afspraak" heeft alleen betekenis, indien partijen hebben bedoeld de H.62, die is verrekend met de H.66, in stand te laten en de H.66 te verminderen, in die zin dat belanghebbende recht heeft op een belastingteruggaaf van € 23.987. De omstandigheid dat de H.62 achteraf bezien ingevolge artikel 13 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) niet is opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de belastingaanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, doet aan het voorgaande niet af. De netto-afspraak betekent, dat de vaststellingsovereenkomst ook de H.62 omvat. Het gelijk ten aanzien van vraag 3.1.a is aan de Inspecteur.

Ten aanzien van vraag 3.1.b

7.11. Gelet op hetgeen in 7.2 tot en met 7.10 is overwogen, is belanghebbendes hoger beroep met kenmerk 11/00666 ongegrond. Het Hof acht geen termen aanwezig tot (integrale) vergoeding van proceskosten.

Ten aanzien van vraag 3.1.c

7.12. Gelet op hetgeen in 7.2 tot en met 7.10 is overwogen, is belanghebbendes hoger beroep met kenmerk 11/00666 ongegrond. Hieruit volgt, dat de grondslag aan zijn verzoek om vergoeding van de schade ten gevolge van de invordering van de H.62 is ontvallen, zodat het wordt afgewezen.

Ten aanzien van vraag 3.1.d

7.13. Voorts ziet het Hof zich voor de vraag gesteld of belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. Belanghebbende heeft gesteld dat het geschil niet binnen een redelijke termijn is beslecht. In het arrest HR 10 juni 2011, nr. 09/02639, LJN: BO5046, BNB 2011/232 in samenhang met het arrest HR 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AT4468, BNB 2005/337, heeft de Hoge Raad uitgangspunten geformuleerd voor de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden. Voor de berechting van de zaak in bezwaar en beroep geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de Rechtbank niet binnen twee jaar nadat de Inspecteur het bezwaarschrift ontvangt, uitspraak doet. Voor de berechting in hoger beroep geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien het Hof niet binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, uitspraak doet.

7.14. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat de Inspecteur het bezwaarschrift heeft ontvangen op 1 december 2006. De Rechtbank heeft uitspraak gedaan op 26 augustus 2011. Derhalve is de redelijke termijn voor bezwaar en beroep overschreden met, afgerond op hele maanden naar boven, 33 maanden. Ter zitting heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn voor bezwaar en beroep volledig is te wijten aan de Inspecteur. Gelet op hetgeen in 7.2 tot en met 7.6 is overwogen, acht het Hof aannemelijk dat de overschrijding aan de Inspecteur moet worden toegerekend en is het Hof van oordeel dat niet aannemelijk is dat de vertraging in de afhandeling van het bezwaar is te wijten aan belanghebbende. Het Hof ziet echter aanleiding de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep gedeeltelijk te compenseren met bijzondere voortvarendheid in hoger beroep. Het Hof heeft uitspraak gedaan in, afgerond op hele maanden naar boven, 8 maanden nadat belanghebbende hoger beroep heeft ingesteld. Het Hof is van oordeel dat de totale duur van het geding een overschrijding van de redelijke termijn oplevert van 17 maanden. Belanghebbende heeft ingevolge Hoge Raad 10 juni 2011, nr. 09/02639, LJN: BO5046, BNB 2011/232 recht op een schadevergoeding van driemaal € 500 ofwel € 1.500.

Ten aanzien van het geschil in de procedure met kenmerk 11/00667

Ten aanzien van vraag 4.1.a

7.15. Belanghebbende stelt dat nagekomen bedrijfslasten in 2008 in aanmerking mogen worden genomen. Evenals in eerste aanleg heeft belanghebbende zijn stelling als volgt gemotiveerd. Belanghebbende heeft in 2008 voor een bedrag groot € 17.836 aan kosten, met name juridische kosten, gemaakt ter zake van de afwikkeling van het depot. De voorlopige voorzieningenrechter van de Rechtbank heeft bij uitspraak van 24 augustus 2009 geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst niet belet om ter zake van het bedrag van € 17.836 een voorlopig verlies over 2008 te constateren en van dat verlies 80 procent of € 14.278 voorlopig te verrekenen met het inkomen uit werk en woning van 2006. De Inspecteur heeft vervolgens bij brief van 3 september 2009 aan de gemachtigde van belanghebbende te kennen gegeven te berusten in de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter. Hij heeft een voorlopige verliesverrekeningsbeschikking gegeven en het verlies voorlopig verrekend conform de uitspraak van de voorzieningenrechter. Met dagtekening 24 december 2010 heeft de Inspecteur aan belanghebbende de H.86 opgelegd en verlies verrekend.

7.16. Dienaangaande heeft de Rechtbank het volgende geoordeeld:

"Een voorlopige voorziening als deze strekt naar zijn aard niet verder dan het voorlopig vaststellen van het voorlopige verrekenbare verlies over 2008 in het kader van de voorlopige aanslagregeling. Het staat de inspecteur vrij om bij de definitieve aanslagregeling een ander standpunt over de vaststelling van het te verrekenen verlies in te nemen dan bij de voorlopige aanslagregeling, tenzij hij in het kader van die voorlopige aanslagregeling een uitlating heeft gedaan waardoor bij belanghebbende het vertrouwen is gewekt dat het standpunt ook bij de definitieve aanslagregeling zal worden gevolgd. De rechtbank acht niet aannemelijk dat een dergelijke uitlating is gedaan. Integendeel: de inspecteur heeft belanghebbende in de brieven van 3 en 23 september 2009 gevraagd om een schriftelijke verklaring in het kader van de voorlopige verliesverrekening. Daarin is duidelijk aangegeven dat het bedrag van de teruggaaf bij de definitieve terugwenteling van het verlies lager zou kunnen zijn dan het bedrag van de voorlopige verliesverrekening. Ook het verzoek van de inspecteur aan belanghebbende om de bodemprocedure in te trekken kan bij belanghebbende in redelijkheid niet het vertrouwen hebben gewekt dat de inspecteur bij de definitieve aanslagregeling het standpunt van de voorzieningenrechter zou volgen. Die bodemprocedure betrof immers ook de voorlopige terugwenteling van verlies uit 2008 naar 2006 en zag niet op de definitieve aanslagregeling of daaruit voortvloeiende verliesverrekening.".

Het Hof acht deze beslissing van de Rechtbank juist en op goede gronden genomen.

7.17. Belanghebbende heeft zijn stelling in hoger beroep voorts als volgt gemotiveerd. In de vaststellingsovereenkomst is volgens belanghebbende overeengekomen dat wordt nagegaan hoe met nagekomen bedrijfslasten in 2008 of later zal worden omgegaan. De Inspecteur zou dit bij nadere brief laten weten. Hieruit trekt belanghebbende de conclusie dat de vaststellingsovereenkomst niet ziet op nagekomen bedrijfslasten en dat het niet de bedoeling was om de fiscale behandeling van die lasten vast te leggen. Bovendien is belanghebbende van mening dat de kosten niet samenhangen met het depot en er, ingevolge goed koopmansgebruik, ook niet aan kunnen worden toegerekend.

7.18. Het Hof beantwoordt de vraag of de fiscale behandeling van nagekomen bedrijfslasten bindend is geregeld in de vaststellingsovereenkomst en de cijfermatige uitwerking, aan de hand van de eerder in 7.9 beschreven Haviltexnorm. De bedoeling van beide partijen daaromtrent blijkt naar het oordeel van het Hof niet uit de vaststellingsovereenkomst noch uit de cijfermatige uitwerking. Belanghebbende mocht naar het oordeel van het Hof in redelijkheid menen dat de fiscale behandeling van nagekomen bedrijfslasten geen onderdeel vormde van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst en ook niet bindend is af te leiden uit de cijfermatige uitwerking. De Inspecteur heeft, mede gelet op het hierna overwogene, niet aannemelijk gemaakt dat de bedoeling van partijen er over en weer op was gericht een op dit punt bindende afspraak te maken. Het Hof is dan ook van oordeel dat nagekomen bedrijfslasten niet worden bestreken door de vaststellingsovereenkomst noch door de cijfermatige uitwerking.

7.19. Het Hof vindt in de stellingname van de Inspecteur in dit verband geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Ten eerste meent de Inspecteur naar 's Hofs oordeel ten onrechte dat de term "fiscale afrekening" zoals vermeld in de vaststellingsovereenkomst (per definitie) een saldobegrip is, waarin zowel de opbrengsten als de kosten zijn begrepen. De term "fiscale afrekening" is daartoe, althans in de context van de onderhavige vaststellingsovereenkomst, te onbepaald. Ten tweede heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat uit de wijze waarop de vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, onder meer uit de door hem in het geding gebrachte handgeschreven kladaantekeningen, kan worden afgeleid dat partijen zijn overeengekomen zoals hij stelt. Ten derde heeft de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende door zijn positie en gedrag de Inspecteur op het verkeerde been heeft gezet. Ten vierde stelt de Inspecteur, gelet op hetgeen is overwogen in 7.17 ten onrechte, dat belanghebbende geen enkel bewijs heeft aangedragen voor zijn stelling waarom de vaststellingsovereenkomst niet leidt tot de nihil-aanslag over 2008. Ten vijfde heeft de Inspecteur gesteld dat belanghebbende zelf heeft gepleit voor verlaging van het belaste deel van het depot, juist vanwege de gemaakte advocaatkosten. Naar het oordeel van het Hof blijkt dit geenszins uit de vaststellingsovereenkomst, waaraan zowel de Inspecteur als belanghebbende is gebonden. Deze blote stelling is, in het licht van de ontkenning zijdens belanghebbende, evenmin aannemelijk.

7.20. Gelet op hetgeen in 7.18 en 7.19 is overwogen, is het Hof van oordeel dat nagekomen bedrijfslasten niet onder het bereik van de vaststellingsovereenkomst vallen. De verantwoording van de nagekomen bedrijfslasten wordt derhalve beheerst door regels van goed koopmansgebruik. Het Hof constateert in dit verband dat tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat zowel de opbrengst uit het depot als de door belanghebbende na zijn emigratie gemaakte kosten, als nagekomen bedrijfslasten, in Nederland in de belastingheffing moeten worden betrokken. Aangezien het Hof niet is gebleken dat partijen daarbij noodzakelijkerwijs uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting, zal het Hof partijen hierin volgen.

7.21. Vervolgens is aan de orde of belanghebbende in het jaar 2008 nagekomen bedrijfslasten in aanmerking mag nemen. Belanghebbende heeft gesteld dat in het jaar 2008 een bedrag van € 18.814 aan nagekomen lasten is opgekomen. Dit bedrag is volgens belanghebbende als volgt opgebouwd:

€Kosten advocaat en fiscalist15.930,83Af: correctie van 40% in verband met privé-aangelegenheden mediation651,88Subtotaal15.278,95Kostenveroordelingen3.534,80Totaal18.813,75

Partijen verschillen niet van mening dat deze schulden in het jaar 2008 zijn ontstaan.

7.22. De Inspecteur stelt echter dat belanghebbende in 2008 niet de intentie heeft om zijn schuld aan G, later genaamd H, te voldoen. Voor zover de Inspecteur daarmee stelt dat belanghebbende zijn schuld aan G in 2008 niet op het nominale bedrag mag waarderen, heeft het navolgende te gelden. Een schuld mag in beginsel op haar nominale bedrag worden gewaardeerd. Dit is slechts anders indien kosten tot uitdrukking worden gebracht, waarvan vaststaat of zo goed als zeker is dat deze nooit zullen worden betaald (vergelijk het arrest HR 25 juni 2010, nr. 08/03864, LJN: BJ8485, BNB 2010/273). Niet in geschil is dat de schuld aan G in 2008 is ontstaan. De enkele omstandigheid dat belanghebbende in 2008 niet de intentie heeft om zijn schuld aan G, al dan niet gedeeltelijk, te voldoen, rechtvaardigt naar het oordeel van het Hof nog niet de conclusie dat vaststaat of zo goed als zeker is dat belanghebbende de schuld niet hoeft te voldoen. Overige omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat ultimo 2008 vaststaat of zo goed als zeker is dat de bedoelde schuld, al dan niet gedeeltelijk, niet zou worden voldaan, zijn gesteld noch gebleken. Belanghebbende mag in 2008 aldus zijn schuld aan G waarderen op het nominale bedrag.

7.23. Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat het verlies van het jaar 2008 moet worden vastgesteld op € 18.814.

Ten aanzien van vraag 4.1.b

7.24. De bewijslast dat de boete terecht is opgelegd, rust op de Inspecteur. In dat kader heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat belanghebbende de aangifte, na daartoe te zijn aangemaand, te laat heeft ingediend. De Rechtbank heeft daarenboven het volgende geoordeeld:

"Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van afwezigheid van alle schuld.".

Het Hof sluit aan bij dit oordeel van de Rechtbank. Het Hof is van oordeel dat de boete passend en geboden is. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen grieven aangevoerd op grond waarvan tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen.

Ten aanzien van het geschil in de procedures met kenmerk 11/00659 en 11/00668

Ten aanzien van vraag 5.1.a

7.25. Gelet op hetgeen in 7.21 tot en met 7.23 is overwogen, worden de aldaar genoemde advocaatkosten en kostenveroordelingen in aanmerking genomen in het jaar 2008. Deze kosten komen in het jaar 2010 derhalve niet meer voor aftrek in aanmerking.

7.26. De Inspecteur heeft gesteld dat het bij de H.00 vastgestelde inkomen niet te hoog is vastgesteld. De Inspecteur heeft belanghebbendes inkomen over het jaar 2010 immers berekend op € 21.509, bestaande uit de volgende componenten:

€Uitkering uit het depot14.524Niet verschuldigde advocaatkosten9.068Af: notariskosten2.083Vast te stellen inkomen over het jaar 201021.509

De Inspecteur heeft enerzijds gesteld dat belanghebbende in het jaar 2010 een winst heeft behaald van € 9.068, enerzijds omdat belanghebbende van zijn schuld van € 15.110 aan G slechts € 11.042 heeft hoeven te voldoen en anderzijds omdat belanghebbende € 5.000 heeft ontvangen wegens finale kwijting.

7.27. Belanghebbende heeft hier slechts tegen ingebracht dat niet G finale kwijting heeft verleend, maar dat belanghebbende finale kwijting heeft verleend aan G.

7.28. In de fax van G aan een gemachtigde van belanghebbende van 17 december 2010 is het volgende vastgelegd:

"Het bedrag in depot van (tenminste) € 11.041,68 wordt door de notaris onverwijld overgemaakt naar bankrekeningnummer 00 00 00 000 ten name van J G te K. Na ontvangst zullen wij u hiervan een bedrag van € 5.000 overnaken naar uw derdenrekening. Uw cliënt verleent zowel G als ondergetekende onvoorwaardelijk en onherroepelijk algehele finale kwijting en ziet onvoorwaardelijk en onherroepelijk af van voortzetting van alle lopende en eventuele toekomstige acties jegens G, ondergetekende en samenwerkingsverbanden van ondergetekende.".

Naar het oordeel van het Hof kan uit de inhoud van de fax geen andere conclusie worden getrokken dan dat belanghebbende van G € 5.000 zal ontvangen. Belanghebbende heeft niet gesteld dat hij het bedrag van € 5.000 niet in het jaar 2010 heeft ontvangen. Belanghebbende heeft ook niet weersproken dat hij het bedrag van € 4.068 (namelijk € 15.111 minus € 11.042) niet meer hoeft te voldoen. De Inspecteur heeft derhalve terecht gesteld dat belanghebbende in het jaar 2010 een bate heeft behaald van € 9.068 (namelijk € 5.000 plus € 4.068). Voor zover belanghebbende stelt dat artikel 3.13, lid 1, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) van toepassing is op die bate, heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten. Zoals de Inspecteur heeft gesteld, ligt het naar het oordeel van het Hof veeleer voor de hand dat G uit praktische overwegingen, alsmede het bijkomende kostenaspect, van nadere invorderingsmaatregelen heeft afgezien. De bate van € 9.068 is aldus belast.

7.29. De Inspecteur heeft anderzijds gesteld dat belanghebbende de notariskosten van € 2.082,50 in aanmerking dient te nemen als nagekomen bedrijfslasten in het jaar 2010. De factuur van notaris A aan belanghebbende is gedagtekend 27 december 2010. Belanghebbende heeft verklaard dat hij zich in het standpunt van de Inspecteur kan vinden. De notariskosten van afgerond € 2.083 kunnen derhalve in het jaar 2010 op de baten in mindering worden gebracht.

7.30. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij overigens recht heeft op aftrek van nagekomen bedrijfslasten in het jaar 2010.

7.31. Gelet op hetgeen in 7.25 tot en met 7.30 is overwogen, acht het Hof aannemelijk dat het inkomen uit werk en woning niet te hoog is vastgesteld.

Ten aanzien van vraag 5.1.b

7.32. Belanghebbende is in het jaar 2010 geen ingezetene van Nederland en is evenmin aan de loonbelasting onderworpen ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid. Op grond van artikel 6 van de Algemene Ouderdomswet, artikel 13 van de Algemene nabestaandenwet en artikel 5 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (hierna: de AWBZ) is belanghebbende derhalve niet premieplichtig voor de volksverzekeringen.

7.33. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende op grond van de vaststellingsovereenkomst premie volksverzekeringen is verschuldigd. Daargelaten of de vaststellingsovereenkomst, in weerwil van de wet in formele zin, de grondslag voor die heffing kan vormen, oordeelt het Hof als volgt. De vraag of de heffing van de premie volksverzekeringen wordt bestreken door de vaststellingsovereenkomst, beantwoordt het Hof aan de hand van de eerder in 7.9 aangehaalde Haviltexnorm. Een zuiver taalkundige uitleg van de vaststellingsovereenkomst leidt naar het oordeel van het Hof tot de conclusie dat de heffing van premie volksverzekeringen niet wordt bestreken door de vaststellingsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst wordt immers geen melding gemaakt van die heffing. Voorts is het Hof van oordeel dat belanghebbende op basis van de door de Inspecteur geredigeerde vaststellingsovereenkomst redelijkerwijs niet behoefde te menen of verwachten dat de heffing van premie volksverzekeringen wel door die vaststellingsovereenkomst zou worden bestreken. Onder de zinsnede "de fiscale afrekening" kan naar 's Hofs oordeel redelijkerwijs niet de heffing van de premie volksverzekeringen worden begrepen. Daar doet niet aan af dat de heffing van de premie volksverzekeringen ingevolge artikel 9.1 van de Wet IB 2001 plaatsvindt bij wege van belastingaanslag. De omstandigheid dat in de vaststellingsovereenkomst onder het kopje "betreft" staat vermeld "Vaststellingsovereenkomst IB/PVV 2006", doet daar evenmin aan af, nu hier de heffing van premie volksverzekeringen over het jaar 2010 in geschil is. Het Hof is mitsdien van oordeel dat de heffing van PVV niet onder het bereik van de vaststellingsovereenkomst valt.

7.34. Gelet op het vorenstaande stelt het Hof het premie-inkomen over het jaar 2010 vast op nihil.

Ten aanzien van vraag 5.1.c

7.35. Zoals hierna in 7.40, 7.41 en 7.42 zal blijken, beantwoordt het Hof deze vraag ontkennend.

Ten aanzien van vraag 5.1.d en vraag 5.1.e

7.36. Zoals hierna in 7.43 en 7.44 zal blijken, beantwoordt het Hof vraag 5.1.d ontkennend en behoeft vraag 5.1.e geen beantwoording.

Ten aanzien van vraag 5.1.f

7.37. De Rechtbank heeft gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 in procedurenummer AWB 11/2444 aan deze vergoedt. Het Hof is evenwel gebleken dat de griffier van de Rechtbank ter zake van dat procedurenummer geen griffierecht van belanghebbende heeft geheven. De Rechtbank heeft derhalve ten onrechte gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende ter zake van dat procedurenummer betaalde griffierecht vergoedt.

Ten aanzien van het geschil in de procedures met kenmerk 11/00660 en 11/00669

Ten aanzien van vraag 6.1.a

7.38. De Rechtbank heeft de W.00 vernietigd. Dit betekent dat belanghebbende geen belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep. Het Hof verklaart derhalve het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk.

7.39. Ten aanzien van het hoger beroep van de Inspecteur met kenmerk 11/00660 oordeelt het Hof als volgt. De inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) is ingevolge artikel 41 van de Zvw verschuldigd door de verzekeringsplichtige. Verzekeringsplichtig voor de Zvw is, ingevolge artikel 2, lid 1, van de Zvw, degene die ingevolge de AWBZ en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is. Verzekerd ingevolge de AWBZ is degene die ingezetene is, of degene die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen (artikel 5, lid 1, van de AWBZ). De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende verzekeringsplichtig is voor de AWBZ en dus voor de Zvw. De W.00 is door de Rechtbank derhalve, zij het op andere gronden, terecht vernietigd. Voor zover de Inspecteur heeft gesteld dat de vaststellingsovereenkomst tot een andere uitkomst leidt, geldt hetgeen is overwogen in 7.33. Het Hof verklaart derhalve het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.

Ten aanzien van vraag 6.1.b

7.40. De Rechtbank heeft de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. De Rechtbank heeft de kosten vastgesteld op € 537, bestaande uit een bedrag van € 437 wegens de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het verschijnen ter zitting en een bedrag van € 100 voor de door belanghebbende gevoerde internationale telefoongesprekken. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende geen recht heeft op een proceskostenvergoeding, primair omdat de uitspraken op bezwaar tegen de H.00 en de W.00 niet zijn herroepen wegens een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid en subsidiair omdat de proceskostenvergoeding niet betrekking heeft op de procedures met nummer AWB 11/2444 en AWB 11/2445, maar op de procedure met nummer AWB 10/4653, waarin belanghebbendes beroep ongegrond is verklaard.

7.41. Uit hetgeen het Hof in 7.32 tot en met 7.34 en in 7.38 en 7.39 heeft overwogen, blijkt dat de Rechtbank het premie-inkomen terecht op nihil heeft vastgesteld en de W.00 terecht heeft vernietigd. Reeds om die reden faalt het primaire standpunt van de Inspecteur. Aangaande het subsidiaire standpunt van de Inspecteur oordeelt het Hof als volgt. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank blijkt dat mr. F, ten aanzien van wie niet in geschil is dat hij belanghebbende beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend, uitsluitend in de procedure met nummer AWB 10/4653 is gemachtigd. Hieruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de Rechtbank de forfaitaire proceskostenvergoeding van € 437 heeft toegekend in die procedure. De forfaitaire proceskostenvergoeding heeft derhalve geen betrekking op de procedures met nummers AWB 11/2444 en AWB 11/2445.

7.42. Gelet op hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank, is tussen partijen niet in geschil dat belanghebbende in de procedures met nummers AWB 11/2444 en AWB 11/2445 in totaal een bedrag van € 100 aan kosten in verband met internationale telefoongesprekken heeft gemaakt. De Inspecteur noch belanghebbende heeft dit in hoger beroep betwist. De Rechtbank heeft derhalve aan belanghebbende terecht een bedrag van € 100 als kostenvergoeding toegekend. Naar het Hof begrijpt, heeft de Rechtbank in elk van de procedures met nummers AWB 11/2444 en AWB 11/2445 een kostenvergoeding toegekend van € 50.

Ten aanzien van vraag 6.1.c en vraag 6.1.d

7.43. Belanghebbende heeft, zowel bij de Rechtbank als bij het Hof, verzocht om een vergoeding van de schade, erin bestaande dat hij is geconfronteerd met onnodige notariskosten. De notariskosten houden verband met de invordering van zowel de H.00 als de W.00. De Ontvanger heeft immers beslag gelegd op het bij de notaris gestorte depot.

7.44. De Hoge Raad heeft in het arrest HR 22 juni 2007, nr. 43 170, LJN: BA7736, BNB 2007/255, ten aanzien van de vergoeding van de vergoeding van "kosten van invordering en dergelijke" onder meer het volgende overwogen:

"Het Hof heeft (...) geoordeeld dat het niet bevoegd is kennis te nemen van geschillen ter zake van de kosten van invordering en dergelijke ter zake van de onderhavige aanslag. Uit de omschrijving van het geschilpunt volgt echter niet zonder meer dat belanghebbende beoogde een vergoeding te ontvangen voor kosten die het gevolg waren van vermeend onjuist handelen door de Ontvanger. Die omschrijving laat de mogelijkheid open dat belanghebbende vergoeding wenste van door hem als gevolg van onrechtmatig handelen van de Inspecteur geleden schade, hierin bestaande dat door de te hoge aanslag onnodig kosten of onnodig hoge kosten te zijnen laste waren gekomen in verband met de invordering van de aanslag. In het laatste geval kon het Hof van belanghebbendes verzoek kennisnemen op grond van artikel 8:73, lid 1, Awb.".

Het Hof is, indachtig dit arrest, van oordeel dat belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door belanghebbende geleden schade zijn oorzaak vindt in het handelen van de Inspecteur. De Inspecteur heeft in zijn pleitnota gesteld dat de notaris uitsluitend de bovenmatige kosten in rekening heeft gebracht en dat deze kosten uitsluitend door het gedrag van belanghebbende zijn veroorzaakt. De Inspecteur heeft zijn stelling onderbouwd met de ambtsedige verklaring van L, die is gemandateerd als ontvanger. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Gelet op het vorenstaande komt belanghebbende niet in aanmerking voor een vergoeding van de schade. De Rechtbank heeft derhalve ten onrechte een schadevergoeding toegekend.

Ten aanzien van het griffierecht

Ten aanzien van de procedure 11/00666

7.45. Ten aanzien van het griffierecht in de zaak met nummer AWB 10/4653 heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

"2.21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de onjuiste rechtsmiddelverwijzing op de verminderingsbeschikking van de voorlopige aanslag over 2006 er mede toe geleid dat belanghebbende tegen deze beschikking beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. De rechtbank acht het dan redelijk dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 in de zaak met procedurenummer 10/4653 vergoedt. Daarnaast zal de inspecteur sowieso het griffierecht van eveneens € 41 moeten vergoeden in de procedures over 2010 waarin het beroep gegrond is.".

Het Hof acht dit oordeel juist en op goede gronden genomen.

7.46. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem in de zaak in hoger beroep met kenmerk 11/00666 betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de procedure 11/00667

7.47. Nu de uitspraak van de Rechtbank in de zaak met nummer AWB 11/2446 wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

Ten aanzien van de procedure 11/00666

7.48. De Rechtbank heeft in 2.21 van haar uitspraak geoordeeld dat de onjuiste rechtsmiddelenverwijzing op de verminderingsbeschikking van de H.62 er mede toe heeft geleid dat belanghebbende ter zake van deze beschikking bij de Rechtbank beroep heeft ingesteld. Op de grond dat de uitspraak op bezwaar geen rechtsmiddelenverwijzing bevatte, is het Hof van oordeel dat de Rechtbank de Inspecteur terecht heeft veroordeeld tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De Rechtbank heeft de kosten vastgesteld op € 437, uitgaande van 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een wegingsfactor van 1. Het Hof acht een wegingsfactor van 1 in verband met het gewicht van de zaak in overeenstemming met de bewerkelijkheid en gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.

7.49. Nu het door de Inspecteur ingestelde incidenteel hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

7.50. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1,33 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 582,67. Het Hof merkt hierbij op dat aangezien het Hof de zaken 11/00659, 11/00660, 11/00666, 11/00667, 11/00668 en 11/00669 gezamenlijk heeft behandeld en dientengevolge met eenmaal één behandeling ter zitting kon volstaan, het verschijnen ter zitting 1 punt oplevert, verdeeld over drie zaken waarin het Hof de Inspecteur veroordeelt in de kosten van het geding bij het Hof (vergelijk het arrest HR 28 november 2003, nr. 39 216, LJN: AN9083, BNB 2004/84).

7.51. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

Ten aanzien van de procedure 11/00667

7.52. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep in de zaak met kenmerk 11/00667 gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

7.53. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1,33 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 582,67. Ten aanzien van de toekenning van het aantal punten voor het verschijnen ter zitting, geldt hetgeen is overwogen in 7.50.

7.54. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

Ten aanzien van de procedure 11/00660

7.55. Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep in de zaak met kenmerk 11/00660 ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

7.56. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1,33 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 582,67. Ten aanzien van de toekenning van het aantal punten voor het verschijnen ter zitting, geldt wederom hetgeen is overwogen in 7.50.

7.57. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

Ten aanzien van de procedures 11/00659, 11/00668 en 11/00669

7.58. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissingen

Ten aanzien van de procedure met kenmerk 11/00666

8.1. Het Hof:

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende met kenmerk 11/00666 ongegrond;

- verklaart het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur met kenmerk 11/00666 ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank met nummer AWB 10/4653;

- veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de immateriële schade die belanghebbende heeft geleden tot een bedrag van € 1.500; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 582,67.

Ten aanzien van de procedure met kenmerk 11/00667

8.2. Het Hof:

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende met kenmerk 11/00667 gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank met nummer AWB 11/2446;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de H.86;

- stelt het verlies uit werk en woning in Nederland voor het jaar 2008 vast op € 18.814;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 vergoedt; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 582,67.

Ten aanzien van de procedures met kenmerk 11/00659 en 11/00668

8.3. Het Hof:

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende met kenmerk 11/00668 ongegrond;

- verklaart het hoger beroep van de Inspecteur met kenmerk 11/00659 gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank met nummer AWB 11/2444, behoudens de beslissing omtrent de proceskosten, de uitspraak op bezwaar tegen de H.00.

Ten aanzien van de procedures met kenmerk 11/00660 en 11/00669

8.4. Het Hof:

- verklaart het hoger beroep van belanghebbende met kenmerk 11/00669 niet-ontvankelijk;

- verklaart het hoger beroep van de Inspecteur met kenmerk 11/00660 ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank met nummer AWB 11/2445; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 582,67.

Aldus gedaan op 15 juni 2012 door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en P.C. van der Vegt, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraken kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.