Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW9021

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-06-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
11-00549
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2006 ten onrechte twee maal hetzelfde bedrag aan loonheffing als verrekenbare voorheffing aangegeven. Zowel de voorlopige aanslag als de (definitieve) aanslag zijn conform de aangifte opgelegd, onder verrekening van tweemaal het bedrag van de van belanghebbende geheven loonheffing. Nadien heeft de Inspecteur een navorderingsaanslag opgelegd onder verrekening van het juiste loonheffingsbedrag. Tevens is heffingsrente in rekening gebracht. In geschil is de navorderingsaanslag terecht is opgelegd en of de beschikking inzake heffingsrente moet worden verminderd. Het Hof oordeelt dat de Inspecteur, gezien artikel 16, lid 2, onderdeel a, van de AWR, bevoegd was tot het opleggen van de navorderingsaanslag. Er is verder geen grond voor vernietiging van die aanslag op grond van het vertrouwensbeginsel. Het Hof is wel van oordeel dat de beschikking inzake heffingsrente moet worden verminderd. Voor zover heffingsrente is berekend over het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de dagtekening van de (definitieve) aanslag en eindigt op de dag van dagtekening van de navorderingsaanslag, wordt de berekening van heffingsrente louter veroorzaakt door het feit dat de Inspecteur niet voldoende zorgvuldig heeft kennisgenomen van de aangifte voordat hij de (definitieve) aanslag oplegde. Dit levert een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel op die leidt tot vermindering van de beschikking inzake heffingsrente. Dat belanghebbende bij aangifte zelf een fout heeft gemaakt, doet daaraan geen afbreuk. Het hoger beroep is gegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1527
V-N 2012/46.9 met annotatie van Redactie
FutD 2012-1695
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00549

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te België, hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 juni 2011, nummer AWB 10/5023, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen navorderingsaanslag en beschikking inzake heffingsrente.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.H67 over het jaar 2006 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd ten bedrage van € 7.691. Bij in hetzelfde biljet vervatte beschikking is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 1.090. De navorderingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente zijn, na daartegen gemaakte bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 41. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van

€ 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 1 maart 2012 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer A, advocaat te B, als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van de heer C, belastingadviseur, alsmede, namens de Inspecteur, de heer D.

1.5. Aan het slot van deze zitting heef het Hof het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 2006 aangifte in de IB/PVV gedaan. De over het jaar 2006 van belanghebbende geheven loonheffing bedraagt € 6.601. In de aangifte heeft belanghebbendes toenmalige gemachtigde, genoemde heer C, belastingadviseur, zowel bij vraag 13 (Loon of uitkering Ziektewet) als bij vraag 61 (Berekening afwijkend premie-inkomen) als ingehouden loonheffing een bedrag van € 6.601 vermeld. Het bedrag van € 6.601 had enkel als ingehouden loonheffing bij vraag 13 moeten worden ingevuld.

2.2. Met dagtekening 30 november 2007 is de voorlopige aanslag in de IB/PVV over het jaar 2006 (hierna: de voorlopige aanslag) overeenkomstig de aangifte opgelegd. De aanslag in de IB/PVV over het jaar 2006 (hierna: de definitieve aanslag) is met dagtekening 19 september 2008 opgelegd. Bij zowel de voorlopige aanslag als de aanslag is in totaal een bedrag van € 13.202 aan loonheffing verrekend. Dit bedrag is de som van de in de aangifte onder vragen 13 en 61 ingevulde loonheffingsbedragen. Zowel bij de voorlopige aanslag als bij de aanslag is vermeld dat de Belastingdienst van de aangifte is afgeweken. De aanslagbiljetten zijn verstuurd naar en ontvangen door de heer C.

2.3. Bij brief met dagtekening 11 februari 2010 heeft de Inspecteur medegedeeld dat bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV ten onrechte een bedrag van € 13.202 aan voorheffing is verrekend en dat hij in verband hiermee op grond van artikel 16, lid 2, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (hierna: de AWR) voornemens is een navorderingsaanslag op te leggen.

2.4. Met dagtekening 24 april 2010 is de onderhavige navorderingsaanslag opgelegd, waarbij een bedrag van € 6.601 aan loonheffing is verrekend. Bij in hetzelfde biljet vervatte beschikking is heffingsrente in rekening gebracht ten bedrage van € 1.090.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is de navorderingsaanslag terecht opgelegd, gezien het bepaalde in artikel 16 van de AWR?

2. Zo ja, dient de navorderingsaanslag te worden vernietigd op de grond dat deze in strijd met het vertrouwensbeginsel is opgelegd?

3. Zo de navorderingsaanslag in stand blijft, is aan belanghebbende tot het juiste bedrag heffingsrente in rekening gebracht?

3.2. Belanghebbende is van mening dat vraag 2 bevestigend en vragen 1 en 3 ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft belanghebbende zijn grief inzake schending van de hoorplicht laten varen. Hij heeft voorts desgevraagd bevestigd dat de grief inzake invorderingsrente moet worden opgevat als te zijn gericht tegen de beschikking inzake heffingsrente en dat die grief betreft de hoogte van de heffingsrente in verband met het lange tijdvak waarover heffingsrente in rekening is gebracht. De Inspecteur heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze herformulering van belanghebbendes grief. De Inspecteur heeft ter zitting desgevraagd erkend dat de aanslag geautomatiseerd is opgelegd en dat het voor de hand ligt dat, indien de aanslag "handmatig" zou zijn opgelegd, de bij aangifte gemaakte fout reeds bij het vaststellen van die aanslag zou zijn gecorrigeerd.

3.4. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar, de navorderingsaanslag en de beschikking inzake heffingsrente. Subsidiair concludeert belanghebbende, naar het Hof verstaat, tot gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur betreffende de beschikking inzake heffingsrente en tot vermindering van die beschikking.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van de bevoegdheid tot het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag

4.1. Ingevolge artikel 16, lid 2, aanhef en onderdeel a, van de AWR, kan navordering plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat een voorheffing ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend. Niet in geschil is dat in onderhavig geval te weinig belasting is geheven, doordat een voorheffing ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend. Navordering is dus geoorloofd; belanghebbendes andersluidende betoog wordt daarom verworpen.

4.2. Belanghebbende betoogt voorts dat bij het opleggen van de voorlopige aanslag en/of de aanslag vertrouwen is gewekt dat aan navordering in de weg staat. Volgens belanghebbende heeft de Inspecteur in het onderhavige geval de indruk gewekt "dat de Inspecteur een bewust standpunt heeft ingenomen en de resulterende definitieve aanslag het product van een welbewuste afweging en standpuntbepaling is geworden".

De Inspecteur heeft immers bij de voorlopige aanslag en de aanslag vermeld dat de Belastingdienst is afgeweken van de aangifte, hetgeen impliceert dat belanghebbendes aangifte inhoudelijk is beoordeeld en, naar het Hof verstaat, inhoudelijk akkoord is bevonden, aldus belanghebbende.

4.3. Het Hof stelt vast dat de aangifte voor het onderhavige jaar namens belanghebbende is gedaan door de hiervóór genoemde heer C, die als belastingadviseur moet worden geacht deskundig te zijn op het terrein van de fiscaliteit.

De aanslagbiljetten waarin de voornoemde mededeling is vervat zijn voorts naar deze adviseur verstuurd en door hem ontvangen. Het Hof is van oordeel dat het deze toenmalige gemachtigde van belanghebbende aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat de voorlopige aanslag en de aanslag onjuist waren en niet berustten op een bewuste standpuntbepaling van de Inspecteur. Reeds omdat deze kennis aan belanghebbende moet worden toegerekend, kan van in rechte te honoreren vertrouwen geen sprake zijn.

4.4. Gelet op het vorenoverwogene blijft de navorderingsaanslag in stand.

Ten aanzien van de beschikking inzake heffingsrente

4.5. Belanghebbende heeft gesteld dat de beschikking inzake heffingsrente dient te worden verminderd en heeft in dat verband gewezen op de in zijn opvatting lange periode die is verstreken tot de dagtekening van de navorderingsaanslag.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

4.6.1. In het onderhavige geval staat vast dat de bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente is vastgesteld in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke regeling. Die regeling is getroffen in verband met de omstandigheid dat de belastingplichtige tussen het ontstaan van de materiële belastingschuld en het tijdstip van opleggen van de belastingaanslag deze belastingschuld nog niet behoeft te voldoen. De heffingsrente vormt een - gefixeerde - compensatie van de renteschade die als gevolg daarvan door de fiscus wordt geleden.

4.6.2. De Inspecteur is echter niet in alle gevallen bevoegd de heffingsrente die volgens de wet is verschuldigd volledig in rekening te brengen. Het zorgvuldigheidsbeginsel kan daaraan onder omstandigheden in de weg staan.

4.6.3. Voor het opleggen van een definitieve aanslag geldt dat de Inspecteur met zorgvuldigheid kennis moet nemen van de inhoud van de aangifte en, indien hij aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven twijfelt, nader onderzoek moet instellen. Op dit punt heeft de Inspecteur een meer omvattende taak dan bij het opleggen van een voorlopige aanslag, die zonder verder onderzoek overeenkomstig de door de belastingplichtige ingediende aangifte kan worden opgelegd (vgl. HR 25 januari 2011, nr. 09/03966, LJN: BP5536, BNB 2011/138).

4.6.4. In het onderhavige geval staat vast dat de aanslag geautomatiseerd is opgelegd. De Inspecteur heeft voorts, desgevraagd door het Hof, erkend dat, indien die aanslag niet geautomatiseerd, maar "handmatig" zou zijn vastgesteld, het voor de hand ligt dat de Inspecteur bij het vaststellen van die aanslag zou zijn afgeweken van de aangifte omdat hij de onderwerpelijke fout in de aangifte zou hebben opgemerkt. Het Hof acht dan ook aannemelijk dat bij een niet-geautomatiseerde oplegging van de aanslag, van de aangifte zou zijn afgeweken. Het Hof is daarom van oordeel dat het feit dat de definitieve aanslag conform de aangifte is vastgesteld, is te wijten aan het feit dat de Inspecteur niet met een normale mate van zorgvuldigheid van de aangifte heeft kennisgenomen. Aangezien de Inspecteur aldus bij de voorbereiding van de aanslag niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht, heeft hij het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden (vgl. HR 18 juni 2010, nr. 09/00370, LJN: BM7705, BNB 2010/301). Het feit dat de onderwerpelijke fout eerst bij navordering en niet reeds bij het vaststellen van de aanslag is gecorrigeerd, vindt louter zijn grond in deze schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

4.6.5. De bij beschikking in rekening gebrachte heffingsrente vindt, voor zover zij betreft het tijdvak dat aanvangt op de dag na die van de dagtekening van de aanslag en eindigt op de dag van de dagtekening van de navorderingsaanslag, naar

's Hofs oordeel louter haar grond in de zojuist bedoelde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Hoewel niet kan worden gezegd, gezien de onjuiste aangifte, dat belanghebbende ter zake van het belopen van heffingsrente geen verwijt kan worden gemaakt, laat zulks onverlet dat de heffingsrente, voor zover zij het zojuist genoemde tijdvak betreft, niet in rekening zou zijn gebracht indien de voornoemde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de Inspecteur zich niet zou hebben voorgedaan. Het Hof vindt in die schending aanleiding de beschikking inzake heffingsrente te beperken tot het tijdvak dat aanvangt op 1 juli 2007 (artikel 30f, derde lid, aanhef en onderdeel a, van de AWR (tekst voor het jaar 2007)) en eindigt op 19 september 2008, zijnde de dag van dagtekening van de aanslag.

4.7. Gelet op het voorgaande, dient de beschikking inzake heffingsrente te worden verminderd tot een berekend met inachtneming van het zojuist overwogene.

Slotsom

4.8. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd, doch enkel voor zover zij de beschikking inzake heffingsrente betreft. Doende wat de Rechtbank in zoverre had behoren te doen, zal het Hof de uitspraak op bezwaar tegen de beschikking inzake heffingsrente vernietigen en gelasten dat de beschikking inzake heffingsrente zal worden verminderd met inachtneming van het vorenoverwogene.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9. Aangezien de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 respectievelijk € 112 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10. Aangezien het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 punten (proceshandelingen) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 874 voor de kosten bij het Hof en op datzelfde bedrag voor de kosten bij de Rechtbank (met dezelfde opbouw van dat bedrag).

4.11. Belanghebbende heeft in de bezwaarfase verzocht om een vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar in redelijkheid heeft moeten maken.

Nu de beschikking inzake heffingsrente wordt vernietigd wegens schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de Inspecteur, hetgeen een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid oplevert, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur eveneens te veroordelen in belanghebbendes kosten van bezwaar.

Het Hof stelt de kosten van het bezwaar, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 1 punt (proceshandelingen) x € 218 (waarde per punt) x

1 (factor gewicht van de zaak) is € 218.

4.12. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel voor zover deze de beschikking inzake heffingsrente betreft;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur betreffende de beschikking inzake heffingsrente;

- bepaalt dat de beschikking inzake heffingsrente wordt verminderd tot een berekend met inachtneming van hetgeen hiervóór in 4.6.5. is overwogen;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 153 vergoedt; en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het bezwaar, het geding bij de Rechtbank en het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal € 1.966.

Aldus gedaan op 15 juni 2012 door P.C. van der Vegt, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, in tegenwoordigheid van K.M.J. van der Vorst, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.