Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW8454

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
11-00279
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vatstelling Woz-Waarde per de peildatum 1 januari 2003 op een bedrag van € 235.000. Bij beschikking van 28 februari 2006 is de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 vastgesteld op € 392.000 (hierna: de herzieningsbeschikking).

De Rb. heeft op 30 januari 2008 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van de Heffingsambtenaar van 28 februari 2006 en de daarop gebaseerde aanslag over het belastingjaar 2006 herroepen, bepaald dat de uitspraak van de Rb. in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar en teruggave van het door belanghebbende gestorte griffierecht gelast.

De Heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Rb. op 22 april 2008 een ambtshalve kennisgeving naar belanghebbende gezonden. Hierbij werd de herzieningsbeschikking vernietigd en werd voorts kenbaar gemaakt dat de primaire beschikking als grondslag dient te gelden voor de aanslag onroerende zaakbelasting 2006. De opgelegde aanslag werd hierbij in zoverre verminderd.

Vervolgens heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende op 4 juli 2008 bericht dat de aanslag onroerende zaakbelasting alsnog wordt vernietigd. Tevens is daarbij meegedeeld dat er een nieuwe primaire beschikking en aanslag onroerende zaakbelasting 2006 zal volgen. Bij beschikking van 31 juli 2008 is de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 vastgesteld op € 235.000 (hierna: de tweede primaire beschikking). Hierbij is ook een aanslag in de onroerende zaakbelasting over het jaar 2006 opgelegd, gebaseerd op de in de tweede primaire beschikking opgenomen waarde van € 235.000 (hierna: de tweede aanslag).

Partijen zijn het er uiteindelijk over eens dat de Rb. in zijn uitspraak van 30 januari 2008, na te hebben geoordeeld dat er geen grond was voor het nemen van een herzieningbeschikking en na vernietiging van die herzieningbeschikking, de aanslag voor het jaar 2006 niet had moeten vernietigen, maar had moeten verminderen naar de grondslag volgens de primaire beschikking, derhalve naar een waarde van € 235.000. Het Hof is dat met partijen eens. De Rb. heeft dienaangaande toentertijd een onjuiste uitspraak gedaan. Partijen hebben echter geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rb., zodat deze uitspraak, waarbij de aanslag voor het jaar 2006 is vernietigd, onherroepelijk is komen vast te staan.

Volgens vaste jurisprudentie geldt in het belastingrecht, anders dan in het klassieke bestuursrecht, dat voor eenzelfde belastbaar feit slechts éénmaal een primitieve aanslag kan worden opgelegd. Het is niet mogelijk om na de oplegging en vernietiging van een primitieve aanslag onroerendezaakbelasting voor een onroerende zaak over een bepaald belastingjaar aan een bepaalde belastingplichtige, voor dezelfde onroerende zaak een tweede primitieve aanslag onroerendezaakbelasting op te leggen over hetzelfde belastingjaar aan dezelfde belastingplichtige. Door het opleggen van een primitieve aanslag is de bevoegdheid tot heffen derhalve uitgeput, behoudens de mogelijkheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag. De tweede aanslag is derhalve ten onrechte opgelegd. Een naar de vorm van een primitieve aanslag opgelegde belastingaanslag kan desondanks als navorderingsaanslag in stand blijven indien aan de vereisten voor navordering is voldaan. Het Hof wijst in dit verband onder meer op de arresten van de Hoge Raad van 25 oktober 1978, nr. 18 790, BNB 1979/6, van 17 december 1980, nr. 20 184, BNB 1981/24, van 15 mei 1985, nr. 22 920, BNB 1985/272, en van 26 maart 2010, nr. 09/02804, BNB 2010/181.

Het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de tweede aanslag betreft de uitspraak van de Rb. van 30 januari 2008 waarbij de aanslag voor het jaar 2006 werd vernietigd. Nu de Heffingsambtenaar ten tijde van het opleggen van de (eerste) aanslag over het jaar 2006 reeds bekend was met het feit, dat de waarde van de onroerende zaak (minimaal) € 235.000 bedroeg is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit dan ook geen sprake. Zoals hiervoor reeds overwogen heeft de Rb. de (eerste) aanslag ten onrechte vernietigd. De Heffingsambtenaar was zich hiervan bewust, mede gelet op de handelwijze van de Heffingsambtenaar na de uitspraak van de Rb. Het had dan ook in de rede gelegen dat de Heffingsambtenaar een rechtsmiddel tegen de uitspraak van de Rb. had aangewend, om aldus te voorkomen dat de onjuiste beslissing van de Rb. van 30 januari 2008 om de (eerste) aanslag te vernietigen onherroepelijk zou worden. De Heffingsambtenaar heeft dit nagelaten. Gelet op het vorenoverwogene komt evenmin de vraag aan de orde of belanghebbende te kwader trouw is geweest.

Uit al het vorenoverwogene volgt dat de tweede aanslag moet worden vernietigd. Gelet op art. 30, lid 3, Wet WOZ heeft hetzelfde te gelden voor de tweede primaire beschikking. De praktische weg die de Heffingsambtenaar heeft bewandeld doet niet af aan het recht van een belanghebbende zich te beroepen op de wettelijke spelregels waaraan de Heffingsambtenaar zich dient te houden. Gegrond beroep.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11
Algemene wet inzake rijksbelastingen 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen 18
Gemeentewet
Gemeentewet 231
Wet waardering onroerende zaken
Wet waardering onroerende zaken 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1482
Belastingblad 2012/362 met annotatie van F.J.H.L. Makkinga
V-N 2012/45.21.4
FutD 2012-1632
JG 2012/54 met annotatie van F.J.H.L. Makkinga
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00279

Uitspraak op het hoger beroep van

X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de Rechtbank) van 31 maart 2011, nummer AWB 10/2154 WOZ-T2 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te noemen aan belanghebbende in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) gezonden beschikking en na te melden aanslag onroerendezaakbelasting.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is in het kader van de Wet WOZ een beschikking, met beschikkingsnummer 0000000 en gedagtekend 31 juli 2008, gezonden waarbij de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als A-straat 1 te 's-Hertogenbosch (hierna: de onroerende zaak) per de peildatum 1 januari 2003 en de toestandsdatum 1 januari 2006 voor het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 is vastgesteld op een bedrag van € 235.000. Tegelijkertijd is aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak een aanslag in de onroerendezaakbelasting over het jaar 2006 opgelegd, welke aanslag in één geschrift is verenigd met de beschikking. Nadat tegen deze beschikking en deze aanslag in één geschrift bezwaar is gemaakt, heeft de Heffingsambtenaar bij in één geschrift verenigde uitspraken van 16 januari 2009 de bezwaren ongegrond verklaard en de bij beschikking vastgestelde waarde en de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft op 31 maart 2011 het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 112,00. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 2 maart 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede namens de Heffingsambtenaar.

1.5. Aan het slot van deze zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.6. Van het onderzoek ter zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Bij beschikking van 31 augustus 2005 is de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 voor het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op € 235.000 (hierna: de primaire beschikking).

2.2. Bij beschikking van 28 februari 2006 is de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 voor het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 vastgesteld op € 392.000 (hierna: de herzieningsbeschikking). Tegelijkertijd is aan belanghebbende ter zake van de onroerende zaak een aanslag in de onroerendezaakbelasting over het jaar 2006 opgelegd, welke aanslag in één geschrift is verenigd met de herzieningsbeschikking. Na hiertegen gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar bij uitspraak van 9 juni 2006 het bezwaar ongegrond verklaard en de bij herzieningsbeschikking vastgestelde waarde en de aanslag gehandhaafd.

2.3. De onroerende zaak betreft een (nieuwbouw)appartement met berging en twee parkeerplaatsen. Het appartement is opgeleverd op 20 september 2004.

2.4. In de onder 2.2 genoemde uitspraak op bezwaar schrijft de Heffingsambtenaar, voor zover hier van belang, het volgende:

"Bij de hertaxatie is gebleken dat er voor het belastingjaar 2005 een fout is gemaakt bij de waardering van uw pand. Het complex was toen reeds volledig gereed, echter de taxateur heeft de woningen voor slechts 60% gereed gewaardeerd. Uw woning heeft derhalve abusievelijk een te lage WOZ-waarde gekregen voor het belastingjaar 2005, hetgeen tevens het grote verschil met de WOZ-waarde 2006 verklaart. Aangezien de gemeente redelijkerwijs van dit feit op de hoogte had moeten zijn bij het nemen van de beschikking bestaat er voor het belastingjaar 2005 geen grond om deze beschikking te herzien."

2.5. Belanghebbende is van de onder 2.2 genoemde uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank (kenmerk AWB 06/2904). De Rechtbank heeft op 30 januari 2008 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van de Heffingsambtenaar van 28 februari 2006 en de daarop gebaseerde aanslag over het belastingjaar 2006 herroepen, bepaald dat de uitspraak van de Rechtbank in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar en teruggave van het door belanghebbende gestorte griffierecht gelast.

2.6. Partijen hebben geen rechtsmiddel aangewend tegen de onder 2.5 vermelde uitspraak van de Rechtbank. Die uitspraak is daarmee onherroepelijk vast komen te staan.

2.7. De Heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van de onder 2.5 vermelde uitspraak van de Rechtbank op 22 april 2008 een ambtshalve kennisgeving naar belanghebbende gezonden. Hierbij werd de herzieningsbeschikking vernietigd en werd voorts kenbaar gemaakt dat de primaire beschikking als grondslag dient te gelden voor de aanslag onroerende zaakbelasting 2006. De opgelegde aanslag werd hierbij in zoverre verminderd.

2.8. Belanghebbende was het niet eens met de door de Heffingsambtenaar voorgestane uitleg van de uitspraak van de Rechtbank. Nadat navraag werd gedaan bij de Rechtbank heeft de Rechtbank bij brief van 14 mei 2008 partijen bericht dat met "herroept", zoals was opgenomen in de beslissing van de Rechtbank, wordt bedoeld dat de aanslag is vernietigd.

2.9. Vervolgens heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende op 4 juli 2008 bericht dat de aanslag onroerende zaakbelasting alsnog wordt vernietigd. Tevens is daarbij medegedeeld dat er een nieuwe primaire beschikking en aanslag onroerende zaakbelasting 2006 zal volgen.

2.10. Bij beschikking van 31 juli 2008 is de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 vastgesteld op € 235.000 (hierna: de tweede primaire beschikking). Hierbij is ook een aanslag in de onroerende zaakbelasting over het jaar 2006 opgelegd, gebaseerd op de in de tweede primaire beschikking opgenomen waarde van € 235.000 (hierna: de tweede aanslag).

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Mocht de Heffingsambtenaar, nadat de Rechtbank de herzieningsbeschikking en de daarop gebaseerde aanslag onroerende zaakbelasting over het jaar 2006 had vernietigd, een tweede primaire beschikking nemen en een tweede aanslag onroerende zaakbelasting over het jaar 2006 opleggen?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt en op hetgeen zij ter zitting hebben aangevoerd.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de uitspraken van de Heffingsambtenaar en vernietiging van de tweede primaire beschikking en tweede aanslag onroerende zaakbelasting van 31 juli 2008. De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. Partijen zijn het er uiteindelijk over eens dat de Rechtbank in zijn uitspraak van 30 januari 2008, na te hebben geoordeeld dat er geen grond was voor het nemen van een herzieningbeschikking en na vernietiging van die herzieningbeschikking, de aanslag voor het jaar 2006 niet had moeten vernietigen, maar had moeten verminderen naar de grondslag volgens de primaire beschikking, derhalve naar een waarde van € 235.000. Het Hof is dat met partijen eens. De Rechtbank heeft dienaangaande toentertijd een onjuiste uitspraak gedaan. Partijen hebben echter geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank, zodat deze uitspraak, waarbij de aanslag voor het jaar 2006 is vernietigd, onherroepelijk is komen vast te staan.

4.2. De Heffingsambtenaar is van mening dat hij gerechtigd is een nieuwe (primitieve) aanslag voor het jaar 2006 op te leggen. Het kan en mag niet de bedoeling zijn dat de uitspraak van de Rechtbank, waarbij de herzieningsbeschikking én de primitieve aanslag voor het jaar 2006 worden vernietigd, de gemeente de heffingsmogelijkheid voor het jaar 2006 ontneemt, aldus de Heffingsambtenaar.

4.3. Belanghebbende is daarentegen van mening dat de Heffingsambtenaar, na vernietiging van de aanslag voor het jaar 2006 door de Rechtbank, geen nieuw besluit ten aanzien van hetzelfde belastbaar feit kan nemen. Indien dit zo zou zijn, zou er een grote rechtsonzekerheid ontstaan en kan de overheid naar willekeur handelen, aldus belanghebbende.

4.4. Volgens vaste jurisprudentie geldt in het belastingrecht, anders dan in het klassieke bestuursrecht, dat voor eenzelfde belastbaar feit slechts éénmaal een primitieve aanslag kan worden opgelegd. Het is niet mogelijk om na de oplegging en vernietiging van een primitieve aanslag onroerendezaakbelasting voor een onroerende zaak over een bepaald belastingjaar aan een bepaalde belastingplichtige, voor dezelfde onroerende zaak een tweede primitieve aanslag onroerendezaakbelasting op te leggen over hetzelfde belastingjaar aan dezelfde belastingplichtige. Door het opleggen van een primitieve aanslag is de bevoegdheid tot heffen derhalve uitgeput, behoudens de mogelijkheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag. De tweede aanslag is derhalve ten onrechte opgelegd. Een naar de vorm van een primitieve aanslag opgelegde belastingaanslag kan desondanks als navorderingsaanslag in stand blijven indien aan de vereisten voor navordering is voldaan. Het Hof wijst in dit verband onder meer op de arresten van de Hoge Raad van 25 oktober 1978, nr. 18 790, BNB 1979/6, van 17 december 1980, nr. 20 184, BNB 1981/24, van 15 mei 1985, nr. 22 920, BNB 1985/272, en van 26 maart 2010, nr. 09/02804, BNB 2010/181.

4.5. Het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de tweede aanslag betreft de uitspraak van de Rechtbank van 30 januari 2008 waarbij de aanslag voor het jaar 2006 werd vernietigd. Nu de Heffingsambtenaar ten tijde van het opleggen van de (eerste) aanslag over het jaar 2006 reeds bekend was met het feit, dat de waarde van de onroerende zaak (minimaal) € 235.000 bedroeg is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit dan ook geen sprake. Zoals hiervoor reeds overwogen heeft de Rechtbank de (eerste) aanslag ten onrechte vernietigd. De Heffingsambtenaar was zich hiervan bewust, mede gelet op de handelwijze van de Heffingsambtenaar na de uitspraak van de Rechtbank (zie onder 2.7 tot en met 2.9). Het had dan ook in de rede gelegen dat de Heffingsambtenaar een rechtsmiddel tegen de uitspraak van de Rechtbank had aangewend, om aldus te voorkomen dat de onjuiste beslissing van de Rechtbank van 30 januari 2008 om de (eerste) aanslag te vernietigen onherroepelijk zou worden. De Heffingsambtenaar heeft dit nagelaten. Gelet op het vorenoverwogene komt evenmin de vraag aan de orde of belanghebbende te kwader trouw is geweest.

4.6. Uit al het vorenoverwogene volgt dat de tweede aanslag moet worden vernietigd. Gelet op artikel 30, lid 3, Wet WOZ heeft hetzelfde te gelden voor de tweede primaire beschikking. De praktische weg die de Heffingsambtenaar heeft bewandeld doet niet af aan het recht van een belanghebbende zich te beroepen op de wettelijke spelregels waaraan de Heffingsambtenaar zich dient te houden.

Slotsom

4.7. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraken van de Heffingsambtenaar vernietigen, de tweede primaire beschikking en de tweede (primitieve) aanslag vernietigen.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de gemeente 's-Hertogenbosch aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 respectievelijk € 112, in totaal € 151, te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.10. Het Hof stelt deze tegemoetkoming op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van de zittingen te Rotterdam en 's-Hertogenbosch, in goede justitie bepaald op € 40.

4.11. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het bij de Rechtbank ingediende beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar,

- vernietigt de tweede primaire beschikking,

- vernietigt de tweede aanslag onroerende zaakbelasting 2006,

- gelast dat de gemeente 's-Hertogenbosch aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 151 vergoedt,

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 40,

- wijst de gemeente 's-Hertogenbosch aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 8 juni 2012 door P. Fortuin, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.