Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW8416

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-06-2012
Datum publicatie
15-06-2012
Zaaknummer
HD 200.089.203
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2008:BF0469, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

hoger beroep over proceskosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200089203

arrest van de zesde kamer van 12 juni 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.F.C. Schnitzler,

tegen:

1. NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. INTERPOLIS N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. FORTIS ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

rechtsopvolger onder algemene titel van NV VERZEKERING MAATSCHAPPIJ WOUDSEND ANNO 1816,

geïntimeerden,

advocaat: mr. J.M. Wolfs,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 mei 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 6 april 2011 tussen appellant -[appellant] - en acht andere partijen als gedaagden en geïntimeerden - Nationale Nederlanden (sub 1), Interpolis (sub 2) en de rechtsvoorganger van Fortis (sub 3), gezamenlijk aangeduid als de verzekeraars- als eisers.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 135901/HA ZA 05-2740)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de voorafgaande tussenvonnissen van 14 maart 2007, 10 september 2008, 1 juli 2009 en 26 mei 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] een grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot veroordeling van de verzekeraars in de kosten van de procedure in eerste aanleg, althans de proceskosten tussen partijen alsnog te compenseren, althans deze proceskosten op gronden van redelijkheid op een lager bedrag te stellen dan de rechtbank in eerste aanleg heeft gedaan, met veroordeling van de verzekeraars in de kosten van het hoger beroep.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben de verzekeraars de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In overweging 2.1. van het tussenvonnis van 10 september 2008 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Hiertegen zijn geen grieven gericht, zodat die door de rechtbank vastgestelde feiten ook het hof tot uitgangspunt strekken. Het hof geeft hierna een overzicht van de relevante feiten.

4.1.1.De verzekeraars hebben uitkeringen gedaan op grond van inboedelverzekeringen aan een aantal verzekerden bij wie woninginbraken hebben plaatsgevonden.

4.1.2.[appellant] is door de strafrechter in twee instanties veroordeeld voor het plegen van woninginbraken.

4.1.3.Ter verzekering van het verhaal voor hun vorderingen hebben de verzekeraars conservatoir beslag doen leggen op roerende zaken die door de politie in beslag zijn genomen.

4.2.In eerste aanleg hebben de verzekeraars, kort gezegd, gevorderd dat [appellant] tezamen met de andere gedaagden in eerste aanleg hoofdelijk wordt veroordeeld tot betaling van:

? een bedrag van € 248.174,28 plus p.m. aan Nationale Nederlanden;

? een bedrag van € 216.613,64 plus p.m. aan Interpolis;

? een bedrag van € 87.195,-- plus p.m. aan Fortis;

al deze bedragen vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten; en

? een vergoeding van de door de verzekeraars verder geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

De verzekeraars hebben hiertoe aangevoerd dat zij op grond van inboedelverzekeringen de schade als gevolg van de inbraken aan de verzekerden hebben vergoed en derhalve in de rechten van de verzekerden zijn gesubrogeerd. Zij hebben voorts gesteld dat [appellant] en de overige gedaagden in eerste aanleg ieder aansprakelijk zijn voor de volledige schade die de verzekeraars hebben geleden. Daartoe hebben de verzekeraars zich primair beroepen op groepsaansprakelijkheid ex artikel 6:166 BW, subsidiair op onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW en meer subsidiair op redelijkheid en billijkheid ex artikel 3:12 BW.

4.3.[appellant] (en bepaalde overige gedaagden) heeft (hebben) verweer gevoerd. De rechtbank heeft genoemde tussenvonnissen van 14 maart 2007, 10 september 2008, 1 juli 2009 en 26 mei 2010 gewezen en daarbij geoordeeld dat de vorderingen van de verzekeraars niet op grond van artikel 6:166 BW konden worden toegewezen. Voorts heeft de rechtbank in het kader van de beoordeling van de subsidiair aangevoerde grondslag (artikel 6:162 BW) onder meer bewijsopdrachten gegeven aan Nationale Nederlanden en Interpolis over het doen van bepaalde uitkeringen aan verzekerden. Bij het bestreden eindvonnis is [appellant] op grond van artikel 6:162 BW hoofdelijk met één of meer andere gedaagden veroordeeld tot betaling van de vorderingen van:

? Nationale Nederlanden: ad € 3.378,--, € 13.727,70, € 17.000,-- en

? Interpolis: ad € 4.566,90, € 5.946,-- en € 11.514,--,

al deze bedragen vermeerderd met wettelijke rente.

De overige vordering(en) van Nationale Nederlanden en Interpolis jegens [appellant] en de hoofdvordering van Fortis, voor zover gericht tegen [appellant], zijn afgewezen.

[appellant] is voorts hoofdelijk met enkele andere gedaagden in eerste aanleg veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van de verzekeraars ad € 21.525,06 en in de door de verzekeraars gemaakte beslagkosten ad € 3.399,37.

4.4.De grief heeft uitsluitend betrekking op de genoemde veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de beslagkosten van de verzekeraars en de afwijzing van de door [appellant] gevorderde verwijzing van de verzekeraars in de door hem gemaakte proceskosten. Het hoger beroep strekt zich dan ook slechts uit tot de op dit punt in het bestreden vonnis gegeven overwegingen en beslissingen betreffende [appellant]. In het dictum van het bestreden vonnis gaat het daarbij om de overwegingen 3.4. en 3.5.

De overige oordelen in het bestreden vonnis (en de genoemde tussenvonnissen), waaronder de beslissingen over de door de verzekeraars ingestelde hoofdvorderingen, strekken het hof tot uitgangspunt.

4.5.Vooropgesteld wordt dat krachtens artikel 237 Rv de partij die bij het vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in de kosten wordt veroordeeld. Voor zover hier relevant, geldt voorts dat de kosten geheel of gedeeltelijk mogen worden gecompenseerd, indien partijen over en weer op enkele punten in het gelijk zijn gesteld. Ook kan de rechter nodeloos veroorzaakte kosten voor rekening laten van de partij die deze veroorzaakte.

4.6.[appellant] heeft in de Inleiding in zijn memorie van grieven (nr. 10) aangevoerd dat hij zich niet kan vinden in de (hoogte van de) proceskostenveroordeling, daaronder begrepen de beslagkosten. Hij heeft echter voor het overige onvoldoende concrete inhoudelijke stellingen ingenomen die gericht zijn tegen de berekening als zodanig van de proceskosten en/of de beslagkosten. Derhalve neemt het hof als vaststaand aan, dat het totaalbedrag van de proceskosten van de verzekeraars € 21.525,06 plus € 3.399,37 voor de beslagkosten bedraagt.

4.7.Zoals vermeld, hebben de verzekeraars in eerste aanleg gevorderd alle gedaagden in eerste aanleg hoofdelijk te veroordelen in de (gehele) door alle verzekeraars geleden schade. De rechtbank heeft de gestelde groepsaansprakelijkheid afgewezen en bij haar beoordeling de door elke verzekeraar apart in claimnummers uitgesplitste vorderingen afzonderlijk behandeld (in totaal 80 claimnummers van de drie verzekeraars). De rechtbank heeft aldus per vordering van elke afzonderlijke verzekeraar beoordeeld of en zo ja, welke gedaagde(n) jegens de betreffende verzekeraar veroordeeld diende(n) te worden tot vergoeding van de betreffende vordering. Anders dan de verzekeraars lijken te betogen, zijn zij hier dan ook niet te beschouwen als één partij maar als afzonderlijke, in één gezamenlijk geding optredende partijen.

4.8. Het bovenstaande betekent dat [appellant] terecht aanvoert dat Fortis ten opzichte van hem als de in het ongelijk gestelde partij is te beschouwen. De door deze verzekeraar tegen hem ingestelde vorderingen zijn afgewezen.

Derhalve dient Fortis jegens [appellant] volgens de hoofdregel van artikel 237 Rv te worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant] in eerste aanleg, zoals hierna begroot.

4.9.Bij de begroting van de aldus voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in eerste aanleg van [appellant], dient te worden verdisconteerd dat [appellant] (zie hierna 4.10.) tegenover de andere verzekeraars in het geding (Nationale Nederlanden en Interpolis) is te beschouwen als de in het ongelijk gestelde partij. Derhalve komt voor vergoeding door Fortis slechts een evenredig deel van de totale proceskosten van [appellant] in aanmerking. Het hof schat dit op een derde deel.

Rekening houdend met het voorgaande, worden de aldus voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van [appellant] begroot op € 36,67 (1/3 deel van € 110,--) aan verschotten en € 3.010,-- (1/3 deel van € 9.030,-- = 3,5 punten maal tarief VII à € 2.580,--) aan salaris advocaat, derhalve totaal op € 3.046,67. Fortis zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.

4.10.1.Zoals al overwogen, kan [appellant] slechts tegenover Interpolis en Nationale Nederlanden worden beschouwd als de in het ongelijk gestelde partij. Derhalve had [appellant] uitsluitend veroordeeld dienen te worden tot betaling van proceskosten van Interpolis en Nationale Nederlanden.

4.10.2.Compensatie van de kosten tussen partijen bij gedeeltelijke toewijzing van de vordering, is geen verplichting (zie ook 4.5.). Dat, zoals [appellant] aanvoert, slechts een (beperkt) gedeelte is toegewezen van de vorderingen van Interpolis en Nationale Nederlanden jegens [appellant], noopt gelet op de concrete omstandigheden van dit geval niet tot compensatie en aldus niet tot afwijking van de hoofdregel van artikel 237 Rv.

4.10.3.Ook indien voor het uitbrengen van de dagvaarding geen schikkingsonderhandelingen door de verzekeraars zijn gevoerd met [appellant], betekent dit niet dat hij niet of in mindere mate veroordeeld dient te worden in de proceskosten aan de zijde van Interpolis en Nationale Nederlanden in eerste aanleg. Nog daargelaten de vraag of de verzekeraars gehouden waren om zich voorafgaand aan de dagvaarding met hun vorderingen tot [appellant] te wenden, staat als onvoldoende betwist door [appellant] vast dat hij niet heeft gereageerd op de aan de dagvaarding voorafgaande beslaglegging. Van enige concrete schikkingsbereidheid aan de zijde van [appellant] is overigens ook niet gebleken.

4.10.4.Voor zover [appellant] betoogt dat er sprake is geweest van nodeloos gemaakte kosten, wordt overwogen dat de rechtbank in het bestreden vonnis (3.7.) de verzekeraars al heeft veroordeeld tot betaling van de kosten gemoeid met de akte van [appellant] van 23 september 2009. Voor het overige kunnen de stellingen van [appellant] niet leiden tot het oordeel dat er sprake is van nodeloos gemaakte kosten die voor rekening van een of meer verzekeraars dienen te komen. Dat bepaalde stellingen van de verzekeraars zijn verworpen of niet bewezen zijn geacht en dat de verzekeraars door de rechtbank in de gelegenheid zijn gesteld bepaalde stellingen aan te vullen, is daartoe niet voldoende. Evenmin heeft [appellant] duidelijk gemaakt tot welke nodeloze kosten het door de verzekeraars laat in de procedure brengen van bepaalde stukken heeft geleid.

4.10.5.[appellant] voert (naar het hof begrijpt) wel terecht aan, dat hij niet dient te worden veroordeeld in die kosten van Interpolis respectievelijk Nationale Nederlanden, die samenhangen met bedragen tot betaling waarvan uitsluitend andere gedaagden in eerste aanleg jegens Interpolis respectievelijk Nationale Nederlanden zijn veroordeeld (en dus niet [appellant] hoofdelijk met andere gedaagden). Gelet op de hoogte van deze bedragen waartoe uitsluitend andere gedaagden zijn veroordeeld, zal het aandeel van [appellant] in de hierna te begroten proceskosten van Interpolis respectievelijk Nationale Nederlanden (afgerond) worden geschat op 55 % (Interpolis) respectievelijk 60% (Nationale Nederlanden).

4.10.6.1.Rekening houdend met het voorgaande zal het hof de hoogte van de door [appellant] aan Interpolis te vergoeden proceskosten als volgt begroten. Uit het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 december 2010 blijkt dat de getuigenkosten ad € 27,20 proceskosten aan de zijde van Interpolis zijn. Voor het overige zullen de proceskosten van Interpolis (als één van de drie eisers) worden geschat op één derde gedeelte van de totale, vaststaande proceskosten van de verzekeraars ad € 21.497,86 (€ 21.525,06 -/- € 27,20), derhalve op € 7.165,95. De door [appellant] aan Interpolis te vergoeden proceskosten voor de eerste aanleg (behoudens de hierna te bespreken beslagkosten) worden dus in totaal begroot op 55% van € 7.193,15 (€ 7.165, 95 + € 27,20) = € 3.956,23.

4.10.6.2.De door [appellant] aan Nationale Nederlanden te vergoeden proceskosten zullen met inachtneming van het voorgaande als volgt worden begroot. De proceskosten van Nationale Nederlanden (als één van de drie eisers) worden geschat op één derde gedeelte van de totale, vaststaande proceskosten van de verzekeraars ad € 21.497,86 (€ 21.525,06 -/- € 27,20), derhalve op € 7.165,95. De door [appellant] aan Nationale Nederlanden te vergoeden proceskosten voor de eerste aanleg (behoudens de hierna te bespreken beslagkosten) worden dus in totaal begroot op 60% van € 7.165, 95 = € 4.299,57.

4.11.1.Ten aanzien van de beslagkosten heeft [appellant] aangevoerd dat het conservatoir beslag onder de Staat volstrekt overbodig was. Het had op de weg van [appellant] gelegen om dit nader te onderbouwen. De enkele omstandigheid dat de verzekeraars contact hadden kunnen opnemen met de Staat voor overleg, is daartoe onvoldoende. Dat [appellant] zich afvraagt of het beslag tot resultaat heeft geleid, is evenmin voldoende. Ook het feit dat hij na de beslaglegging is gedagvaard, maakt het beslag niet overbodig. Derhalve komen ook de beslagkosten aan de zijde van Interpolis en Nationale Nederlanden voor vergoeding in aanmerking, met inachtneming van de hierboven in 4.5., 4.10.5, 4.10.6.1. en 4.10.6.2. vermelde uitgangspunten.

4.11.2.Aldus worden de door [appellant] aan Interpolis te vergoeden beslagkosten begroot op 55 % van € 1.133,12 (een derde gedeelte van € 3.399,37) = € 623,22.

4.11.3.De door [appellant] aan Nationale Nederlanden te vergoeden beslagkosten worden begroot op 60 % van € 1.133,12 (een derde gedeelte van € 3.399,37) = € 679,87.

4.12.Gelet op al het bovenstaande slaagt de grief grotendeels en zal het hof het bestreden vonnis, voor zover aan het hof voorgelegd, vernietigen. Als de in hoger beroep overwegend in het ongelijk gestelde partijen zullen de verzekeraars worden veroordeeld in de kosten van [appellant] in hoger beroep en in de gevorderde nakosten.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 april 2011, voor zover aan het hof voorgelegd (zie hierboven 4.4.),

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Fortis tot betaling van een bedrag van € 3.046,67 aan proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [appellant], op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv (oud) te voldoen aan de griffier van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch;

veroordeelt [appellant] tot betaling van een bedrag van € 3.956,23 aan proceskosten en een bedrag van € 623,22 aan beslagkosten aan Interpolis;

veroordeelt [appellant] tot betaling van een bedrag van € 4.299,57 aan proceskosten en een bedrag van € 679,87 aan beslagkosten aan Nationale Nederlanden;

veroordeelt de verzekeraars in de kosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [appellant] worden begroot op:

- € 374,81 aan verschotten en € 1.158,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep, te voldoen aan [appellant],

- € 365,-- aan in debet gestelde verschotten, te voldoen aan de griffier van dit hof;

- voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na aanzegging van de nakosten aan de verzekeraars tot de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B. Beekhoven van den Boezem, L.R. van Harinxma thoe Slooten en P.M. Arnoldus-Smit en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 juni 2012.