Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW8083

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
13-06-2012
Zaaknummer
20-001826-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2011:BQ0598, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 225, 420bis Sr: Vrijspraak voor o.a. witwassen van melk boven melkquotum; redelijke verdenking; NO-verweer verworpen, omdat niet is gebleken van doelbewuste of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Dit arrest betreft het roomproductiebedrijf. De arresten tegen de twee bestuurders daarvan zijn gelijkluidend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001826-11

Uitspraak : 13 juni 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van

8 april 2011 in de strafzaak met parketnummer 04-990023-08 tegen:

[verdachte],

statutair gevestigd te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen.

Door de verdediging is primair verzocht om het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair om verdachte vrij te spreken van al hetgeen ten laste is gelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 te Heibloem, in de toenmalige gemeente Roggel en Neer (thans Leudal), althans in het arrondissement Roermond, in ieder geval in Nederland, 138, althans een of meer internationale vrachtbrieven/brief CMR, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - heeft vervalst of heeft laten vervalsen danwel valselijk heeft opgemaakt of heeft laten opmaken, door valselijk en in strijd met de waarheid in:

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1378 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 28.558 liter/30.800 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 25.500 liter/kg, in ieder geval minder dan die 28.558 liter/30.800 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1743 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 28.000 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 16.000 liter, in ieder geval minder dan die 28.000 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1783 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 28.200 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 17.000 liter, in ieder geval minder dan die 28.000 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1811 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 27.425 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 16.000 kg of 19.000 liter, in ieder geval minder dan die 27.425 kg, is geweest

en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1843 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 27.718 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 11.500 liter, in ieder geval minder dan die 27.718 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1867 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 27.862 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 16.500 kg, in ieder geval minder dan die 27.862 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1600 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 25.767 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 17.345 kg, in ieder geval minder dan die 25.767 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1656 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 25.755 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 18.000 liter, in ieder geval minder dan die 25.755 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1692 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 25.401 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 17.330 kg, in ieder geval minder dan die 25.401 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1719 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 25.911 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 11.550 liter, in ieder geval minder dan die 25.911 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1456 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 26.618 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 9.152 kg, in ieder geval minder dan die 26.618 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1493 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 26.646 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 15.965 kg, in ieder geval minder dan die 26.646 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1526 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 26.740 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 15.300 kg, in ieder geval minder dan die 26.740 kg, is geweest en/of

- de CMR voorzien van het nummer [nummer] (pagina 1569 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat een hoeveelheid (Poolse) melk van 27.810 kg door haar, verdachte, was ontvangen en/of naar haar, verdachtes, onderneming was vervoerd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 14.850 liter of kg, in ieder geval minder dan die 27.810 kg, is geweest,

en/of 124, althans een of meer, andere CMR ('s) te vermelden of te laten vermelden dat een grotere hoeveelheid melk was ontvangen en/of vervoerd dan in werkelijkheid het geval is geweest (pagina 1343 tot en met 1871 van het proces-verbaal), zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

zij op drie, althans een of meer, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2005 tot en met 8 juni 2007 te Heibloem, in de toenmalige gemeente Roggel en Neer (thans Leudal), althans in het arrondissement Roermond, in ieder geval in Nederland, (telkens) een zogeheten Opgaveformulier ontvangen hoeveelheid melk kopers, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door valselijk en in strijd met de waarheid in:

- de opgave heffingsperiode 2004/2005 in de daarbij gevoegde bijlage "melkleveranties" (pagina 866 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat de [bedrijf 1] 1.517.223 kg melk aan haar, verdachte, had geleverd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 2.568.944 kg melk, in ieder geval meer dan 1.517.223 kg, diende te zijn en/of

- de opgave heffingsperiode 2005/2006 in de daarbij gevoegde bijlage "melkleveranties" (pagina 882 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat de [bedrijf 1] 2.334.494 dan wel 2.354.282 kg melk aan haar, verdachte, had geleverd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 2.773.182 kg melk, in ieder geval meer dan 2.334.494 dan wel 2.354.282 kg, diende te zijn en/of

- de opgave heffingsperiode 2006/2007 in de daarbij gevoegde bijlage "melkleveranties" (pagina 849 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat de [bedrijf 1] 1.173.217 kg melk aan haar, verdachte, had geleverd, zulks terwijl dit in werkelijkheid 2.662.999 kg melk, in ieder geval meer dan 1.173.217 kg, diende te zijn, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 15 januari 2008 te Heibloem, in de toenmalige gemeente Roggel en Neer (thans Leudal), meermalen, althans eenmaal, (telkens) een excelbestand ([melkontvangst].xls), deeluitmakend van haar, verdachtes, bedrijfsadministratie, - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, door valselijk en in strijd met de waarheid in:

- het bestand [melkontvangst] 2005.xls (pagina 1890 tot en met 1901 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat op 15 januari 2005 van het bedrijf [bedrijf 2] 30.800 kg melk was ontvangen, zulks terwijl dit in werkelijkheid 25.500 liter/kg, in ieder geval minder dan die 30.800 kg, diende te zijn en/of

- het bestand [melkontvangst] 2006.xls (pagina 2071 tot en met 2081 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat op 3 juni 2006 van het bedrijf [bedrijf 2] 25.767 kg melk was ontvangen, zulks terwijl dit in werkelijkheid 17.345 kg, in ieder geval minder dan die 25.767 kg, diende te zijn en/of dat op 29 juni 2006 van het bedrijf [bedrijf 2] 25.911 kg melk was ontvangen, zulks terwijl dit in werkelijkheid 11.550 liter, in ieder geval minder dan die 25.911 kg, diende te zijn en/of

- het bestand [melkontvangst] 2007.xls (pagina 2093 tot en met 2104 van het proces-verbaal) te vermelden of te laten vermelden dat op 7 december 2007 van het bedrijf [bedrijf 2] 26.618 kg melk was ontvangen, zulks terwijl dit in werkelijkheid 9.152 kg, in ieder geval minder dan die 26.618 kg, diende te zijn en/of dat op 20 december 2007 van het bedrijf [bedrijf 2] 26.740 kg melk was ontvangen, zulks terwijl dit in werkelijkheid 15.300 kg, in ieder geval minder dan die 26.740 kg, diende te zijn, zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4.

zij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 15 januari 2008, te Heibloem, in de toenmalige gemeente Roggel en Neer (thans Leudal), althans in het arrondissement Roermond, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten een of meer hoeveelheden/heid melk ten belope van 3.000.000 kg of daaromtrent, in ieder geval een of meer hoeveelheden/heid melk. heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van die melk heeft gebruik gemaakt en/of dat zij toen en daar van die hoeveelheden/heid melk, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, door deze melk, die afkomstig was van koeien van het Nederlandse melkveebedrijf de [bedrijf 1] (later [naam] geheten) in haar, verdachtes, (bedrijfs-) administratie te vermelden en/of te verwerken, althans te laten vermelden en/of te laten verwerken, als melk afkomstig van het Poolse bedrijf [bedrijf 2], terwijl zij wist dat die/ dat voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit valsheid in geschriften, te weten het vervalsen dan wel valselijk opmaken van internationale vrachtbrieven CMR en/of opgaveformulieren ontvangen melk kopers en/of excelbestanden melkontvangsten en/of dumpinglijsten, in ieder geval uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Inleidende opmerkingen

Voor zover in dit arrest wordt verwezen naar paginanummers zijn dit paginanummers uit het dossier van de Algemene Inspectiedienst Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, dienstonderdeel Opsporing, Team Zuid-Nederland, proces-verbaalnummer 44808, met bijlagen, totaal aantal pagina’s 2496.

Voor zover in dit arrest wordt gesproken over [verdachte] en [verdachte] wordt hiermee de verdachte bedoeld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de [bestuurder 1 en bestuurder 2] onder meer belangen hebben in de navolgende ondernemingen:

- [bedrijf 1] te Heibloem, Nederland (melkveehouderij);

- [verdachte] (hierna te noemen [verdachte]), te Heibloem, Nederland (roomproductiebedrijf);

- [bedrijf 2] (hierna te noemen [bedrijf 2]) te Kruszyna, Polen (onder meer veehouderij).

Genoemde bedrijven hebben direct of indirect als bestuurder: [bedrijf 3], waar [bestuurder 1 en bestuurder 2] bestuurder van zijn.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft het hof verzocht om het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren in de vervolging wegens ernstige inbreuken op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van haar zaak.

Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd:

a. dat de verdenking jegens verdachte is gebaseerd op verklaringen van deskundigen die niet als deskundigen conform de wet kunnen worden aangemerkt en welke verklaringen gebaseerd zijn op onjuiste cijfers;

b. dat daarbij is uitgegaan van het aantoonbaar onjuiste uitgangspunt dat de gehele overproductie in de mestput werd gedumpt, terwijl uit de dumpinglijsten 2006 en 2007 blijkt dat er ook melk werd vervoederd aan de varkens en kalveren en de AID in 1993 en in 1995 reeds bekend was met het vervoederen van melk aan de stieren binnen het bedrijf;

c. dat gedurende het opsporingsonderzoek slechts oog is geweest voor het zoeken naar de bevestiging van de eigen hypothese dat de productie in Nederland boven het melkquotum werd geleverd aan [verdachte] en, om te voorkomen dat er superheffing moest worden betaald, in de administratie werd verwerkt als melk afkomstig van het Poolse bedrijf [bedrijf 2];

d. dat de AID en het openbaar ministerie een groot aantal ontlastende zaken buiten beschouwing hebben gelaten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aanvang onderzoek en redelijke verdenking

Uit het startproces-verbaal met bijlagen (pg. 280 t/m 365), opgemaakt door [verbalisant 1] van de Algemene Inspectiedienst (hierna te noemen: AID), dienstonderdeel Opsporing Team USF, unit werkvoorbereiding, is het hof het volgende gebleken.

Bij een administratieve controle in het kader van de uitoefening van het toezicht naar aanleiding van een melding van de Centrale Organisatie Superheffing (hierna te noemen: COS) constateerde [betrokkene 1], ambtenaar van de AID, een verschil in de door de [bedrijf 1] geproduceerde hoeveelheid melk en de aan [verdachte] geleverde melk over de heffingsperiode 2003-2004 van ongeveer 500.000 liter en over de heffingsperiode 2004-2005 van ongeveer 1.000.000 liter. Er bleek sprake te zijn van een aanzienlijke overproductie van melk waarover, indien deze melk aan [verdachte] zou worden geleverd, superheffing verschuldigd was. Tijdens het door de AID uitgeoefende toezicht werd door [bestuurder 1] (nader te noemen: [bestuurder 1]) gemeld dat deze (over)productiecijfers klopten en dat deze overproductie periodiek werd gedumpt in de mestput. Daarbij werden melkproductiestaten (zogenaamde dumpinglijsten) getoond waarop onder meer was vermeld welk gedeelte van de melk was gedumpt. Uit het als bijlage bij genoemd proces-verbaal gevoegde proces-verbaal van [betrokkene 1], ambtenaar van de AID (pg. 350 t/m 359), blijkt dat de door [bestuurder 1] overgelegde melkproductiestaten betrekking hebben op de kalenderjaren 2003, 2004 en 2005. Op deze melkproductiestaten (pg. 352 t/m 358) is niet vermeld dat de gedumpte hoeveelheden deels werden vervoederd aan de varkens en kalveren.

De door [bestuurder 1] naar voren gebrachte stellingen en onderbouwing daarvan door middel van genoemde dumpinglijsten en het interne bedrijfsmemo met als titel “Onderbouwing dumping” (pg. 359) zijn beoordeeld door een forensisch accountant van de AID, een tweetal ervarings- en materiedeskundigen van de afdeling veehouderij van de AID en een tweetal ervarings- en materiedeskundigen van de afdeling Technisch Administratieve Bedrijfscontrole van de AID. Vanuit die bronnen werd gemeld dat het dumpen van de melk niet aannemelijk en economisch niet verantwoord werd geacht.

Voorts had de AID gedurende de toezichtfase wetenschap gekregen dat er door het Poolse bedrijf [bedrijf 2] per dag 20.000 tot 25.000 liter melk aan [verdachte] werd geleverd.

Gelet op de omstandigheid dat er sprake was van een aanzienlijke overproductie van melk gedurende een geruime periode en de in dit stadium van het onderzoek voorhanden zijnde informatie inhield dat deze overproductie werd gedumpt, gevoegd bij de beoordeling van interne deskundigen dat het dumpen van de melk niet aannemelijk en economisch niet verantwoord werd geacht én de wetenschap dat via een Pools bedrijf binnen dezelfde ondernemingsgroep dagelijks grote hoeveelheden melk werden geleverd bij hetzelfde roomproductiebedrijf als waaraan [bedrijf 1] haar melk verkocht, is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen waren voor een redelijk vermoeden dat de overproductie niet werd gedumpt in de mestput, maar administratief werd verwerkt als melk afkomstig van de Poolse onderneming [bedrijf 2]. Dit geldt te meer daar alle betrokken bedrijven direct of indirect in handen waren van [bestuurder 1 en bestuurder 2]. Ook indien uit het nadere onderzoek mocht blijken dat dit vermoeden niet terecht was en is gebaseerd op onjuiste gegevens, maakt dit het vorenstaande nog niet anders.

Bespreking van de aangevoerde verweren

ad a

Met betrekking tot de door de verdediging aangeduide personen stelt het hof vast dat bedoelde personen hebben gerelateerd als buitengewoon opsporingsambtenaren in hun hoedanigheid van forensisch accountant van de AID, ervarings- en materiedeskundige van de afdeling veehouderij van de AID en ervarings- en materiedeskundige van de afdeling Technisch Administratieve Bedrijfscontrole van de AID en derhalve niet als deskundigen in de zin van artikel 343 en 344 van het Wetboek van Strafvordering, zoals door de verdediging ten onrechte is aangenomen.

Het is het hof niet gebleken dat bij hetgeen door deze personen naar voren is gebracht of bij het gebruik maken daarvan ter ondersteuning van een mogelijke verdenking doelbewust tekort is gedaan aan de belangen van verdachte en dier recht op een eerlijke behandeling van haar zaak of dat een en ander grovelijk is veronachtzaamd.

Voor de stelling dat deze personen deskundigen in de zin van artikel 343 en 344 van het Wetboek van Strafvordering zouden moeten zijn is geen steun te vinden in het recht.

ad b

Zoals hiervoor weergegeven beschikte de AID bij aanvang van het onderzoek over de dumpinglijsten van 2003, 2004 en 2005. Op deze lijsten is niet vermeld dat er ook melk werd vervoederd aan de varkens en kalveren. Hetgeen door de verdediging wordt gesteld vindt derhalve geen bevestiging in het dossier. Het gegeven dat binnen de AID bekend was dat in een verder verleden melk werd vervoederd aan stieren doet niet af aan het feit dat de AID op het moment waarop de verdenking is gerezen kennelijk geen andere informatie had dan dat de overproductie aan melk in de mestput werd gedumpt. Niet is gebleken dat de AID daarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte ontlastende informatie buiten beschouwing heeft gelaten.

ad c en d

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het gericht uitvoeren van onderzoek niet per definitie betekent dat er sprake is van tunnelvisie. Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan slechts sprake zijn indien het onderzoek doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte gericht is geweest op het scenario van het openbaar ministerie, terwijl er tevens aanwijzingen waren voor het tegendeel. Daarvan is het hof niet gebleken. Evenmin is aannemelijk geworden dat in de fase als door de verdediging bedoeld door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario’s niet zijn onderzocht of dat ontlastende informatie doelbewust buiten beschouwing is gelaten. Hierbij acht het hof van belang dat [bestuurder 1 en bestuurder 2] tot aan de terechtzitting in eerste aanleg gebruik hebben gemaakt van hun zwijgrecht en er verder onvoldoende aanwijzingen waren dat de verdenking ongegrond was, terwijl er gedurende het onderzoek wel significante verschillen bleken te zijn in het gewicht of volume van de naar Nederland te transporteren melk zoals in Polen op de CMR-formulieren genoteerd en het gewicht of volume van de hoeveelheid melk dat na de aankomst van het transport in Nederland op de CMR-formulieren als ontvangen werd genoteerd en in de boekhouding werd verwerkt.

Het hof verwerpt mitsdien de door de verdediging gevoerde verweren met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan. Het openbaar ministerie kan derhalve in de vervolging worden ontvangen.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

De tenlastelegging is gebaseerd op de verdenking dat [verdachte] de melk, die door [bedrijf 1] in Nederland boven het melkquotum werd geproduceerd, geleverd heeft gekregen en dit vervolgens heeft verhuld door internationale vrachtbrieven (CMR-formulieren) van de uit Polen (van de [bedrijf 2]) afkomstige melk (feit 1), opgaven van melkleveranties van [bedrijf 1] aan [verdachte] over de heffingsperioden van 2004 tot en met 2007 (feit 2) en Excel-bestanden [melkontvangst] over de jaren 2005 tot en met 2007 (feit 3) te (laten) vervalsen. Aldus doende zou [verdachte] in de betreffende periode deze melk ook hebben witgewassen (feit 4).

I. Inleiding

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof het volgende gebleken.

Door het melkproductiebedrijf [bedrijf 1] (later [naam]) werd in de tenlastegelegde periode melk geproduceerd. [bedrijf 1] leverde haar melk alleen aan het roomproductiebedrijf [verdachte]

Vanaf het superheffingjaar 2003-2004 werden door [bedrijf 1] delen van het melkquotum verkocht. De veestapel bleef echter gelijk, zodat er in de daarop volgende jaren melk boven het nog resterende melkquotum werd geproduceerd.

Op meerdere CMR-formulieren waarop de transportgegevens zijn genoteerd van de door [bedrijf 2] aan [verdachte] geleverde melk zijn de in Polen genoteerde gegevens gewijzigd in die zin dat in Nederland hogere volumes werden genoteerd dan in Polen. In sommige gevallen was er sprake van een aanmerkelijk verschil van meer dan 10.000 kilo/liter.

II. Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal acht alle tenlastegelegde feiten bewezen op basis van de overproductie in Nederland in combinatie met de gewijzigde CMR-formulieren, waarbij het ervoor gehouden moet worden dat de in Polen genoteerde hoeveelheden juist zijn, nu deze hoeveelheden, gelet op de maandproductielijsten, de grootte van de veestapel en de melkgift verklaarbaar zijn.

Daarbij heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat de gegevens die in Nederland op de CMR-formulieren werden ingevuld niet op waarheid te controleren zijn, dat er geen enkele aanwijzing is die de in Nederland ingevulde gegevens aannemelijk maakt en dat hetgeen door de verdediging wordt aangevoerd ongeloofwaardig is, mede bezien in het licht van de verwevenheid tussen de verschillende bedrijven.

III. Het standpunt van de verdediging

Tegenover deze stellingen van de advocaat-generaal heeft de verdediging aangevoerd:

- dat de overproductie aan melk deels werd vervoederd en deels werd gedumpt in de mestput;

- dat de metingen in Polen en de aldaar op de CMR-formulieren genoteerde hoeveelheden niet betrouwbaar waren, dat om die reden bij aankomst van de melk in Nederland de definitieve meting van de aan [verdachte] geleverde melk plaatsvond en dat dient te worden uitgegaan van de juistheid van die gegevens;

- dat hetgeen door de advocaat-generaal wordt gesuggereerd niet aannemelijk is alleen al omdat de (gestelde) valselijk opgehoogde productie in Polen veel omvangrijker is geweest dan de te verhullen overproductie in Nederland en wel in die mate dat dit heeft geleid tot het betalen van een superheffing van € 500.000,-- in Polen over een in de visie van het openbaar ministerie niet bestaande productie.

IV. De overwegingen van het hof

a. ten aanzien van de in Polen op de CMR-formulieren genoteerde hoeveelheden melk

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is het hof met de verdediging van oordeel dat de stelling van de advocaat-generaal dat de in Polen genoteerde hoeveelheden melk als juist moeten worden aangemerkt twijfelachtig is. Uit de verklaring van de getuige [getuige 1] (de bedrijfsleider van het bedrijf in Polen) afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 25 april 2012, is het hof gebleken dat de grijze meter, waarmee in Polen werd gemeten hoeveel melk er in de tankwagens werd gepompt, regelmatig niet deugde. Het kwam voor dat er een stuk uit het bakeliet van de meter was geslagen. In dat geval werd de meter gewoon gebruikt totdat hij door [bestuurder 1] werd vervangen of gerepareerd. Dat kon wel eens enkele weken duren. De meter gaf dan een lager volume aan, omdat een deel van de melk dan ongemeten naar de tankwagen ging. Bovendien zat er in het begin van de tenlastegelegde periode in het geheel geen meter tussen de melktank en de tankwagen en is uit het onderzoek ter terechtzitting niet duidelijk geworden vanaf welk moment dit wel het geval was en op welke manier er voor die tijd werd gemeten hoeveel melk er naar Nederland werd vervoerd.

Ook is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat de grijze meter een telraam had met slechts vier vensters. Aangezien de tankwagens een inhoud hadden van 25.000 tot 30.000 liter, zal deze grijze meter de nulstand veelal één tot tweemaal zijn gepasseerd. Voor de weergave van de juiste hoeveelheid melk op het CMR-formulier moest daarom handmatig worden bijgehouden hoeveel keer dat gebeurde. Volgens de getuige [getuige 1] werden de CMR-formulieren door wel twintig verschillende personen ingevuld, waaronder alle melkers en de vrachtwagenchauffeurs. Voorts was degene die de pomp uitzette niet altijd dezelfde persoon als degene die de pomp had aangesloten. Hieruit leidt het hof af dat de kans dat bij het weergeven van de hoeveelheid melk die naar de tankwagen was gepompt fouten werden gemaakt allerminst is uitgesloten. Bovendien bedraagt het verschil in volume bij het missen van een nulstand direct 10.000 liter, hetgeen de soms grote verschillen tussen de in Polen en in Nederland genoteerde hoeveelheden zou kunnen verklaren.

De stelling van het openbaar ministerie dat dient te worden uitgegaan van de juistheid van de in Polen op de CMR-formulieren genoteerde hoeveelheden melk vindt derhalve geen bevestiging in het onderzoek ter terechtzitting. Hetgeen door de advocaat-generaal is aangevoerd met betrekking tot de beredeneerde productiegegevens maakt dat niet anders.

Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit de gegevens van de transporteurs van de melk over het jaar 2005 volgt dat er meer dan een miljoen kilo melk meer zou zijn getransporteerd dan uit de door de AID berekende productiegegevens in Polen blijkt (zaaksproces-verbaal heffingsperiode 2004/2005, in het bijzonder pagina’s 205 t/m 208), voor welk verschil de AID noch de advocaat-generaal een afdoende verklaring hebben kunnen geven.

Het hof acht de hoeveelheden die in Polen op de CMR-formulieren zijn ingevuld derhalve niet voldoende betrouwbaar om tot bewijs te bezigen.

b. ten aanzien van de in Nederland op de CMR-formulieren genoteerde hoeveelheden melk

De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of de hoeveelheden die in Nederland op de CMR-formulieren zijn ingevuld betrouwbaar zijn.

De advocaat-generaal heeft hieromtrent gesteld dat zulks niet te controleren is en dat zij dit voorts onaannemelijk acht, omdat er in Nederland geen weegbrug was, er in de administratie geen weegbonnen aanwezig waren en verdachte niet heeft kunnen aantonen dat er daadwerkelijk werd gewogen.

Door de verdediging wordt gesteld dat er in Nederland aanvankelijk in liters werd gemeten, hetgeen werd omgerekend naar kilo’s. Later werd rechtstreeks in kilo’s gemeten door een in de melktanks aangebrachte weegvoorziening.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De stelling van de verdediging dat in Nederland werd gemeten of gewogen vindt naar het oordeel van het hof ondersteuning in het dossier.

Allereerst bevinden zich in het dossier CMR-formulieren, die in de administratie zijn aangetroffen en waarop met de hand hoeveelheden zijn genoteerd. Uit de notities op die CMR-formulieren blijkt dat in januari 2005 (pg. 1342 – 1425) aantallen liters op de formulieren werd vermeld met daarbij een omrekenfactor en hoeveelheden in kilo’s. Op de formulieren van december 2007 (pg. 1426 – 1590) werden nog slechts aantallen kilo’s genoteerd.

Voorts waren er blijkens de foto op pagina 2376 (P1150024.jpg) en de omschrijving van die foto op pagina 2408 op het moment van de doorzoeking meters waarop de inhoud afgelezen kon worden van de tanks 4, 5, 6 en 7.

Ook heeft de getuige [getuige 2] (pg. 2256-2257) verklaard dat de aan- en afvoer van melk bij het laden of lossen werd gewogen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [bestuurder 1] uitvoerig en gedetailleerd uiteengezet hoe de meting van de melk en de registratie daarvan heeft plaatsgevonden. Hij heeft onder meer verklaard dat op de tanks 4, 5, 6 en 7 aanvankelijk melkmeters zaten en dat die tanks later zijn uitgerust met weegapparatuur, waarvan de meters te zien zijn op de hiervoor genoemde foto op pagina 2376.

Het hof acht die verklaring voorstelbaar.

Op grond van het vorenstaande is het hof, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de melk die vanuit Polen kwam in Nederland werd gemeten of gewogen. De stelling van de verdediging dat het gebruikelijk is dat de melkfabriek de ontvangen hoeveelheden melk vaststelt en doorgeeft aan de leverancier acht het hof, mede gelet op hetgeen hierover in het door de verdediging ingebrachte (ongedateerde) rapport van [rapporteurs] wordt gezegd, niet onaannemelijk.

Naar het oordeel van het hof kan derhalve niet afdoende worden vastgesteld dat de in Nederland genoteerde hoeveelheden melk niet correct zijn. Het hof verwijst daarbij ook naar hetgeen hierna onder c. en d. zal worden besproken.

c. de verschillen tussen de in Polen en in Nederland genoteerde hoeveelheden melk

Wel moet worden gesteld dat de verschillen tussen de Poolse en de Nederlandse cijfers op de in de tenlastelegging opgenomen CMR-formulieren (feit 1) van een zodanige omvang zijn dat een nadere verklaring daarvoor op zijn plaats is.

Door de advocaat-generaal is gesteld dat de verklaring voor deze verschillen is dat de Nederlandse overproductie van [bedrijf 1] op deze wijze werd verwerkt in de administratie als melk afkomstig van [bedrijf 2] in Polen.

Daarbij heeft de advocaat-generaal verwezen naar het onderzoek door de AID, waarbij de Poolse gegevens op de CMR-formulieren zijn vergeleken met de productiegegevens, doch deze vergelijking kent, zoals hiervoor reeds vermeld, naar het oordeel van het hof te grote onverklaarbare hiaten om daar vergaande conclusies aan te verbinden. Het hof merkt daarbij nog op dat er geen aantoonbaar verband is tussen de hoeveelheid melk die op de CMR-formulieren zou zijn “bijgeschreven” en de omvang van de overproductie in Nederland. Immers blijkt uit de verschillende zaaksprocessen-verbaal het volgende:

Heffingsjaar Overproductie Nederland Opgehoogde Poolse productie

2004-2005 (pg. 204) 1.051.721 kilo 679.928 kilo

2005-2006 (pg. 236) 418.900 kilo 2.550.909 kilo

2006-2007 (pg. 267) 1.486.658 kilo 1.989.001 kilo

Hieruit volgt dat de Poolse productie in het heffingsjaar 2004-2005 onvoldoende zou zijn opgehoogd om de Nederlandse overproductie te dekken en in het heffingsjaar 2005-2006 de Nederlandse overproductie met meer dan twee miljoen kilo zou hebben overschreden. In totaal zou de Poolse productie over de drie heffingsperioden met 2.262.559 kilo meer zijn opgehoogd dan voor de Nederlandse overproductie noodzakelijk was.

Een aannemelijke verklaring voor deze aanmerkelijke verschillen is door de AID of de advocaat-generaal niet gegeven en is ook overigens niet uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken.

Door de verdediging is als verklaring voor de verschillen tussen de Poolse en de Nederlandse cijfers aangevoerd dat de meters die in Polen werden gebruikt onbetrouwbaar waren en dat ook het invullen van de meetgegevens niet nauwkeurig genoeg plaatsvond, terwijl er in Nederland wel betrouwbare meetinstrumenten waren om tot de juiste meting te komen.

Het hof acht deze uitleg niet onaannemelijk. Uit onder meer de verklaring van de getuige [getuige 1] blijkt immers dat de metingen in Polen niet afdoende betrouwbaar waren en het beperkte meetvenster van de meter in Polen levert, bij het missen van een ronde, al direct een verschil van 10.000 liter op. Aangezien er dagelijks transporten vanuit Polen naar Nederland waren zou dit aanzienlijke verschillen op kunnen leveren. Dat hiervan geen sprake zou kunnen zijn is door de advocaat-generaal niet, althans onvoldoende aangetoond.

d. de overproductie

De advocaat-generaal heeft gesteld dat er geen andere aannemelijke verklaring is voor wat er met de overproductie is gebeurd dan dat deze aan [verdachte] is geleverd. Daarbij heeft de advocaat-generaal verwezen naar getuigen die hebben verklaard dat er geen melkoverschot werd vervoederd of gedumpt en naar de berekeningen omtrent de vetpercentages van de geleverde melk, waaruit zou moeten worden afgeleid dat het verhaal van verdachte niet kan kloppen.

Door de verdediging is gesteld dat deze overproductie deels is vervoederd en deels in de mestput is gedumpt.

Het hof overweegt hierover het volgende.

In het dossier bevinden zich dumpinglijsten over de verschillende heffingsjaren in de tenlastegelegde periode, welke dumpinglijsten in de administratie zijn aangetroffen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat er een ringleiding was die alle tanks in het bedrijf met elkaar verbond en dat er aftappunten waren, zodat het technisch mogelijk was om vanuit alle tanks rechtstreeks melk naar de mestput te lozen.

Uit het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 2], senior rechercheur bij de AID (proces-verbaalnummer 44808, documentcode 0128.100617.1000.AMB) d.d. 22 juni 2010 blijkt dat er op het terrein voldoende opslag- en afvoercapaciteit was om 50.000 liter melk per dag te dumpen, zodat dumping van de overproductie (berekend op 20.000 liter per dag) ook in dat opzicht mogelijk was.

Een en ander wordt door de advocaat-generaal niet weersproken.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [bestuurder 1] uitvoerig en gedetailleerd verklaard over het vervoederen aan de varkens en op welke wijze dat gebeurde. De melk werd ’s avonds en in het weekend met een tankwagen naar het varkensbedrijf gereden en werd daar in de hoofdwatertank van het bedrijf gepompt.

Uit het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 3], tactisch rechercheur bij de AID (proces-verbaalnummer 44808, documentcode 0174.101104.0900.AMB) d.d. 16 november 2010, is het hof gebleken dat dit technisch ook mogelijk is.

[bestuurder 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat bij het vervoederen van de melk aan de varkens gebruik werd gemaakt van tankwagens van het bedrijf van een neef van hem, [bedrijf 4], die op het bedrijventerrein van [verdachte] stonden geparkeerd en waarvan [bestuurder 1] gebruik mocht maken. Uit de foto’s die gemaakt zijn ten tijde van de doorzoeking van het bedrijf blijkt dat er inderdaad tankaanhangers van [bedrijf 4] op het bedrijventerrein stonden geparkeerd (pg. 2375 en pg. 2408).

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat het technisch mogelijk was om melk aan de varkens te voeren. Met betrekking tot de vraag of ook aannemelijk is dat dit is gebeurd overweegt het hof het volgende.

In het hiervoor genoemde proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 3] is weliswaar berekend dat de voerbehoefte en de aangekochte hoeveelheid mengvoer met elkaar in overeenstemming waren, zodat het niet aannemelijk zou zijn dat er daarnaast nog melk werd gevoerd, echter door de verdediging is een schriftelijk stuk overgelegd van [naam adviesbureau] d.d. 28 januari 2011, opgemaakt door [naam], bedrijfsadviseur, waarin wordt gesteld dat de berekening van verbalisant [verbalisant 3] is gebaseerd op deels onjuiste gegevens en dat er in de jaren 2005, 2006 en 2007 op het varkensbedrijf van [bestuurder 1 en bestuurder 2] een grotere voerbehoefte is geweest dan de aangekochte hoeveelheid mengvoer.

Door de verdediging is voorts een (ongedateerd) rapport overgelegd van [rapporteurs], waarin wordt onderbouwd dat het deels dumpen en deels vervoederen van het melkoverschot een economisch verantwoorde optie is, dit in tegenstelling tot hetgeen hierover door de forensische accountant en de ervarings- en materiedeskundigen van de AID wordt gesteld.

De hiervoor genoemde door de verdediging ingebrachte stukken zijn door de advocaat-generaal niet, althans onvoldoende weersproken.

Op grond van het bovenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat het melkoverschot daadwerkelijk is vervoederd/gedumpt.

Weliswaar wordt de stelling van de verdediging dat een deel van het melkoverschot werd vervoederd niet bevestigd door de gedurende het onderzoek ondervraagde getuigen, echter op grond van de verklaringen van deze getuigen kan evenmin worden uitgesloten dat zulks buiten hun medeweten heeft plaatsgevonden, zoals door de verdediging wordt gesteld. Dit geldt te meer nu in het bij de doorzoeking inbeslaggenomen interne bedrijfsmemo (pg. 359) d.d. 18 januari 2003, dus van voor de tenlastegelegde periode, met als titel “Onderbouwing dumping” als mogelijke oplossing wordt aangegeven: “Door blijven melken, de rust onder het personeel bewaren en de teveel geproduceerde melk dumpen”, hetgeen de stelling van de verdediging ondersteunt.

Het hof heeft voorts geen concludent verband kunnen constateren tussen het door de advocaat-generaal ten bewijze aangedragen onderzoek naar het vetpercentage van de melk en de tenlastegelegde feiten.

De door de advocaat-generaal genoemde verwevenheid tussen de verschillende bedrijven maakt vorenstaande niet anders.

e. de conclusie

Op grond van al hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het haar tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte hiervan behoort te worden vrijgesproken.

Van feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. H. Eijsenga en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 13 juni 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.