Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7497

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
20-000009-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fraude bij subsidie Raad voor Werk en Inkomen. Hof legt verdachte 16 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk op. Ambtshalve oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot het bedrag van EUR 29.433,60.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000009-10

Uitspraak : 5 juni 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 14 december 2009 in de strafzaak met parketnummer 03-993013-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1973],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte ter zake van “feitelijk leiding geven aan medeplegen van valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon” werd veroordeeld tot een geldboete van

EUR 20.000,-- subsidiair 135 dagen hechtenis waarvan EUR 10.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte voor het hem primair ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

De verdediging heeft bepleit:

- primair dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem primair en subsidiair ten laste gelegde;

- subsidiair dat artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zal worden toegepast.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

primair

de vennootschap onder firma [bedrijf 1] (hierna: de V.O.F.), in elk geval een rechtspersoon op of omstreeks 07 oktober 2004, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2004 tot en met 31 oktober 2004, te Meerssen en/of Born en/of (elders) in het arrondissement Maastricht, althans (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) vier, althans een of meer, factu(u)r(en) afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [bedrijf 3], gedateerd op 29 augustus 2004, met als factuur(nummer(s)) 2004-071 en/of 2004-072 en/of 2004-073 en/of 2004-074 (pv. D/208.2, D/209.2, D/210.2 en D/226.1) – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst en/of doen opmaken, vervalsen, immers heeft/hebben de V.O.F., althans een rechtspersoon en/of een of meer van haar medeverdachte(n) (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid in/op voornoemd(e) factu(u)r(en) vermeld/doen vermelden -zakelijk weergegeven- dat die factu(u)r(en) betrekking heeft/hebben op (de kosten van) het opleiden van 120 personen, in elk geval een aantal personen tot beveiliger 2 en/of daarmede valselijk doen voorkomen dat door/namens die V.O.F./rechtspersoon de opleiding beveiliger 2 kon/mocht worden verzorgd/gegeven dan wel werd verzorgd/gegeven, terwijl de V.O.F./rechtspersoon en/of een of meer van haar medeverdachte(n) in werkelijkheid geen (van die) perso(o)n(en) heeft/hebben opgeleid en/of kon en/of mocht en/of zou opleiden tot beveiliger 2, en/of als datum van opmaak/datering van die factu(u)r(en) 29 augustus 2004 vermeld terwijl dit in werkelijkheid een andere datum was (op of omstreeks 7 oktober 2004) zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, tot het plegen van welk(e) strafba(a)r(e) feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven dan wel aan welk(e) verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

subsidiair

hij op of omstreeks 07 oktober 2004, althans op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 augustus 2004 tot en met 31 oktober 2004, te Meerssen en/of Born en/of (elders)in het arrondissement Maastricht, althans (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) vier, althans een of meer, factu(u)r(en) afkomstig van [bedrijf 1] (V.O.F.) en gericht aan [bedrijf 3], gedateerd op 29 augustus 2004, met als factuur(nummer(s)) 2004-071 en/of 2004-072 en/of 2004-073 en/of 2004-074, - (pv.D/208.2, D/209.2, D/210.2 en D/226.1) elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of vervalst en/of doen opmaken, vervalsen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens) valselijk en/of in strijd met de waarheid voornoemd(e) factu(u)r(en) opgemaakt/doen opmaken en/of daarin/daarop vermeld/doen vermelden -zakelijk weergegeven- : dat die factu(u)r(en) betrekking heeft/hebben op (de kosten van) het opleiden van 120 personen, in elk geval een aantal personen tot beveiliger 2 en/of daarmede valselijk doen voorkomen dat door/namens die [bedrijf 1]/(rechts)persoon de opleiding beveiliger 2 kon/mocht worden verzorgd/gegeven danwel werd verzorgd/ gegeven, terwijl die V.O.F./(rechts)persoon, in werkelijkheid geen (van die) perso(o)n(en) heeft/hebben opgeleid en/of kon en/of mocht en/of zou opleiden tot beveiliger 2, en/of als datum van opmaak/datering van die factu(u)r(en) 29 augustus 2004 vermeld terwijl dit in werkelijkheid een andere datum was (op of omstreeks 7 oktober 2004) zulks met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het bewijs

[…]

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem primair ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven - dat:

1. de in de tenlastelegging genoemde facturen geen geschriften zijn die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen;

2. niet kan worden bewezen dat voormelde facturen valselijk zijn opgemaakt of zijn vervalst;

3. niet kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk tot misleiding had;

4. het antedateren van de genoemde facturen in het onderhavige geval geen valsheid in geschrift oplevert.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.

Met betrekking tot het hiervoor onder B. 1. gestelde:

C.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat de onderhavige facturen voorschotfacturen zijn, aangezien op het moment van het opmaken van de facturen het opleiden van 120 personen tot beveiliger 2 nog moest beginnen. Naar de mening van de verdediging komt aan een voorschotfactuur geen bewijsbestemming toe, aangezien het feit dat door de factuur bevestigd wordt nog een aanvang moet nemen en een voorschotfactuur mitsdien geen bewijs kan leveren van een feit. Aldus is volgens de verdediging in het karakter van een voorschotfactuur ingebed dat dit een geschrift is dat niet is bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen.

C.2

Het hof leidt uit de inhoud van de bovenstaande bewijsmiddelen af, in onderlinge samenhang bezien, dat in strijd met de waarheid in de facturen is opgenomen dat door of namens [bedrijf 1] de opleiding tot beveiliger 2 werd verzorgd of gegeven en dat deze facturen op 29 augustus 2004 zijn opgemaakt of gedateerd.

Nu, naar verdachte wist, [bedrijf 3] de facturen nodig had om de subsidie van de Raad voor Werk en Inkomen rond te krijgen, is het hof van oordeel dat deze facturen kunnen worden aangemerkt als geschriften waaraan voor het bewijs van de daarin gestelde omstandigheid dat door of namens [bedrijf 1] de opleiding tot beveiliger 2 werd verzorgd of gegeven alsmede voor de daarin gestelde omstandigheid dat deze facturen op 29 augustus 2004 waren opgemaakt of gedateerd een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend, dat er sprake is van geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt voorts dat uit de inhoud van de facturen niet kan worden opgemaakt dat dit voorschotfacturen zijn. Ook overigens is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat de onderhavige facturen moesten dienen als voorschotfacturen.

Geheel ten overvloede overweegt het hof daarom dat al zou er sprake zijn van voorschotfacturen zulks niets afdoet aan het bovenstaande. Dergelijke facturen worden immers opgesteld om een vooruitbetaling of deelbetaling te ontvangen voor te verrichten diensten. Bij voorbaat en derhalve bij het opstellen van de facturen stond voor verdachte vast dat [bedrijf 1] de opleiding tot beveiliger 2 niet kon, mocht en zou verzorgen.

De stelling van de verdediging dat de opleiding tot beveiliger 2 nog gegeven zou gaan worden, maakt dat niet anders. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat, zoals uit de bovenstaande bewijsmiddelen blijkt, de opleiding tot beveiliger 2 nooit gegeven is.

D.

Met betrekking tot het hiervoor onder B. 2. gestelde:

D.1

Aan het verweer is het volgende ten grondslag gelegd. Met het opstellen van de vier facturen wordt de werkelijkheid geen geweld aangedaan. De inhoud van de facturen komt overeen met de werkelijkheid, aangezien de facturen zijn opgesteld – na aanwijzingen van [bedrijf 3] – tot het opleiden van 120 personen. Conform afspraak met [bedrijf 3] zou [bedrijf 1] het geld ontvangen, daarvan haar deel voor het BHV-gedeelte aftrekken en de rest doorbetalen aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], of een aan hen gelieerd bedrijf of aan hen gelieerde bedrijven, waarna zij het overige gedeelte van de opleiding zouden verzorgen. [bedrijf 1] heeft haar deel gedaan. Dat de rest van de opleiding niet gegeven is, is niet te wijten aan [bedrijf 1], maar aan [bedrijf 3]/[medeverdachte 1]/[medeverdachte 2], die conform de afspraak met [bedrijf 1] zorg zouden dragen voor het overige gedeelte van de opleiding.

Bovendien wordt in een voorschotfactuur de werkelijkheid geen geweld aangedaan, omdat met een voorschotfactuur het werk nog verricht moet worden.

D.2

Naar het oordeel van het hof kan de inhoud van de vier onderhavige facturen redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat door of namens [bedrijf 1] de opleiding tot Beveiliger 2 werd verzorgd of gegeven. Uit de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaringen van verdachte, leidt het hof voorts af dat [bedrijf 1] geen personen heeft opgeleid tot beveiliger 2 en zij geen personen kon, mocht en zou opleiden tot beveiliger 2.

D.3

Voorts is de stelling van de verdediging dat de opleiding tot beveiliger 2 gegeven zou worden door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] of een of meer aan hen gelieerde bedrijven uit het onderzoek ter terechtzitting in het geheel niet aannemelijk geworden.

Daartoe overweegt het hof dat:

- [getuige 1], senior beleidsmedewerker subsidies bij de Raad voor Werk en Inkomen, zoals uit de hierboven weergegeven bewijsmiddelen blijkt, altijd in de veronderstelling is geweest dat [bedrijf 1] de uitvoerder zou zijn van de opleiding Beveiliger 2 en het hem niet bekend was dat [bedrijf 1] mogelijk gebruik zou maken van onderaannemers, zulks terwijl hij op 9 februari 2005 een gesprek heeft gevoerd met verdachte en [medeverdachte 1];

- [getuige 2] heeft, zoals blijkt uit zijn hierboven weergeven verklaring, verklaard dat de opleiding Beveiliger 2 door [bedrijf 1] niet is uitbesteed;

- de stelling van de verdediging niet middels schriftelijke stukken is kunnen worden onderbouwd noch is dat anderszins uit het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk geworden;

- ook overigens voor deze stelling geen steun kan worden gevonden in het dossier.

D.4

Op grond van het vorenstaande komt het hof tot het oordeel dat de vier facturen valselijk zijn opgemaakt door verdachte namens [bedrijf 1]. Middels de inhoud van de facturen is immers valselijk en in strijd met de waarheid voorgedaan dat door of namens [bedrijf 1] de opleiding beveiliger 2 werd verzorgd of gegeven, terwijl bij het opstellen van de facturen al voor verdachte vaststond dat [bedrijf 1] in werkelijkheid geen personen mocht en zou opleiden tot beveiliger 2.

E.

Met betrekking tot het hiervoor onder B. 3. gestelde:

E.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat verdachte niet het oogmerk had om de facturen als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken. Daartoe is aangevoerd dat verdachte de facturen heeft opgemaakt in opdracht van [medeverdachte 1] en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de inhoud en datum van die facturen conform de aanwijzingen van [medeverdachte 1] moesten worden opgesteld en dat zulks weer door de Raad voor Werk en Inkomen werd aangegeven.

E.2

Blijkens de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wist verdachte dat [bedrijf 3] de facturen nodig had om de subsidie rond te krijgen. Naar het oordeel van het hof wist verdachte aldus dat de facturen – welke hij opzettelijk valselijk heeft opgemaakt– gebruikt zouden worden door [bedrijf 3] ten behoeve van de aanvraag en toekenning van een subsidie. Bijgevolg acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de facturen opzettelijk valselijk zijn opgemaakt met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

E.3

Hetgeen door de verdediging is aangevoerd, kan aan het voorgaande niet afdoen. Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen enkele aanwijzing naar voren is gekomen voor de suggestie dat de Raad voor Werk en Inkomen op de hoogte zou zijn van de onderhavige gang van zaken met betrekking tot het onjuist opmaken van de facturen en evenmin voor de suggestie dat de verdachte in de veronderstelling verkeerde dat de Raad voor Werk en Inkomen op de hoogte was van de valsheid van de facturen.

F.

Met betrekking tot het hiervoor onder B. 4. gestelde:

F.1

Aan het verweer is ten grondslag gelegd dat het niet uitmaakte of de facturen de datum

29 augustus 2004 of 7 oktober 2004 droegen. Voorts diende het antedateren geen enkel doel, temeer nu het om voorschotfacturen ging.

F.2

Het hof stelt voorop dat het uit de gebezigde bewijsmiddelen de conclusie trekt dat verdachte valselijk als datum 29 augustus 2004 heeft vermeld op de facturen. Immers, blijkens de verklaringen van verdachte zijn de facturen op 7 oktober 2004 of kort daarna opgemaakt. In aanmerking genomen dat verdachte wist dat hij de facturen op een andere datum opmaakte dan de in de facturen genoemde datum van opmaak, heeft hij de facturen opzettelijk valselijk opgemaakt. Verdachte wist blijkens de hierboven weergegeven bewijsmiddelen voorts dat de valse facturen gebruikt zouden worden in het kader van het subsidietraject en dat de op de facturen vermelde datum van belang was.

Onder deze omstandigheden acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1] tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] de facturen valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die facturen als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

G.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

de vennootschap onder firma [bedrijf 1] (hierna: de V.O.F.) in de periode van 7 oktober 2004 tot en met 31 oktober 2004 te Meerssen tezamen en in vereniging met een ander vier facturen afkomstig van [bedrijf 1] en gericht aan [bedrijf 3], gedateerd op 29 augustus 2004, met als factuurnummers 2004-071 en 2004-072 en 2004-073 en 2004-074 – elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen – valselijk heeft opgemaakt, immers hebben de V.O.F. en haar medeverdachte daarmede valselijk doen voorkomen dat door/namens die V.O.F. de opleiding beveiliger 2 werd verzorgd/gegeven, terwijl de V.O.F. in werkelijkheid geen personen heeft opgeleid en kon en mocht en zou opleiden tot beveiliger 2, en als datum van opmaak/datering van die facturen 29 augustus 2004 vermeld terwijl dit in werkelijkheid een andere datum was, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, aan welke verboden gedragingen verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte zich – kort weergegeven – heeft schuldig gemaakt aan het feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon meermalen medeplegen van valsheid in geschrift.

De eerste rechter heeft verdachte ter zake van dat feit veroordeeld tot een geldboete van

EUR 20.000,-- subsidiair 135 dagen hechtenis waarvan EUR 10.000,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, zal worden opgelegd.

De verdediging heeft bepleit dat artikel 9a van het Wetboek van Strafvordering zal worden toegepast.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in de echtheid van facturen als de onderhavige is verstoord;

- de omstandigheid dat deze facturen zijn opgemaakt in het kader van een subsidieproject van [bedrijf 3] in het kader van de Stimuleringsregeling Vacaturevervulling Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers, terwijl verdachte wist dat de facturen nodig waren voor [bedrijf 3] om de subsidie te ontvangen;

- de omstandigheid dat de onderhavige facturen door [bedrijf 3] zijn gevoegd bij verzoeken om voorschotten in het kader van het subsidieproject, terwijl naar aanleiding van verzoeken van [bedrijf 3] vier voorschotten zijn uitbetaald door de Raad voor Werk en Inkomen tot een bedrag van EUR 496.551,00, waarvan EUR 435.832,00 betrekking heeft op het opleiden van 120 personen tot beveiliger 2;

- verdachte heeft willens en wetens een belangrijke bijdrage geleverd aan subsidiefraude, van een subsidieproject van [bedrijf 3] in het kader van de Stimuleringsregeling Vacaturevervulling Werklozen en met werkloosheid bedreigde Werknemers, welke subsidie werd gefinancierd vanuit publieke middelen;

- de omstandigheid dat [bedrijf 1] een gedeelte groot EUR 29.433,60 van de door de Raad voor Werk en Inkomen uitgekeerde voorschotten heeft ontvangen.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie

d.d. 13 maart 2012, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Anders dan de verdediging heeft bepleit, zal het hof niet bepalen dat aan verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Daartoe overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan het hof dit raadzaam zou achten.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk in beginsel een passende reactie.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als opgelegd door de eerste rechter of straffen als gevorderd door de advocaat-generaal, omdat daarin de ernst van het bewezen verklaarde, in het bijzonder de omvang van het door de Staat geleden nadeel, onvoldoende tot uitdrukking komt.

De inhoud van het procesdossier geeft het hof evenwel aanleiding te onderzoeken of in de onderhavige zaak het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 5 juni 2007, de dag waarop het eerste verhoor van verdachte heeft plaatsgevonden.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 14 december 2009. Alzo is er sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigen.

De verdachte heeft op 28 december 2009 hoger beroep ingesteld. Het hof doet uitspraak meer dan 29 maanden na de datum waarop hoger beroep is ingesteld, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een zo langdurig tijdsverloop rechtvaardigen.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot strafvermindering.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het hof ziet in de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn aanleiding de gevangenisstraf te verminderen, in die zin, dat deze komt te luiden: een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als gevolg van het bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 29.433,60.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Uit het procesdossier blijkt dienaangaande het volgende.

Nadat verdachte namens [bedrijf 1] de onderhavige valse facturen had opgemaakt en had gericht aan [bedrijf 3], zijn deze facturen vervolgens door [bedrijf 3] aan de

Raad voor Werk en Inkomen overgelegd ter toelichting van verzoeken om voorschotten. Door de Raad voor Werk en Inkomen zijn naar aanleiding daarvan vier voorschotten uitgekeerd aan [bedrijf 3] tot een bedrag van EUR € 496.551,00, waarvan EUR 435.832,00 betrekking heeft op het opleiden van 120 personen tot beveiliger 2. Op basis van de vier valse facturen is vervolgens drie maal EUR 122.640,00 overgemaakt door [bedrijf 3] naar [bedrijf 1], waarvan verdachte vennoot was. Verdachte heeft vervolgens in totaal EUR 112.828,80 van de rekening van [bedrijf 1] overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 5], in totaal EUR 112.828,80 van de rekening van [bedrijf 1] overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 2] en

EUR 112.828,80 overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 4]. Aldus heeft [bedrijf 1] EUR 29.433,60 onder zich gehouden, welk bedrag door de Raad van Werk en Inkomen ten onrechte is voorgeschoten op basis van de valse facturen.

Het hof zal daarom (ambtshalve) aan de verdachte de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 29.433,60 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 47, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, te weten: de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een bedrag te betalen van EUR 29.433,60 (negenentwintigduizend vierhonderddrieëndertig euro en zestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 182 (honderdtweeëntachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover een mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. P.A.G.M. Cools, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 5 juni 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.