Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7428

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-05-2012
Datum publicatie
04-06-2012
Zaaknummer
20-000601-10
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:955, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het klachtvereiste van art. 245 lid 2 (oud) Sr is per 1-10-2002 vervallen maar blijft blijkens de MvT gelden voor feiten gepleegd voor die datum. I.c. echter geen klacht vereist omdat zich het geval van art. 249 Sr voordoet. Het hof veroordeelt verdachte ter zake van art. 244 Sr en 245 (oud) Sr tot vijf jaren gevangenisstraf en beveelt zijn gevangenneming.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 244
Wetboek van Strafrecht 245
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-000601-10

Uitspraak : 15 mei 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 1 februari 2010 in de strafzaak met parketnummer 03-702569-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [datum in 1964],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2012, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 12 juni 2009 en 18 januari 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen (met inbegrip van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij) met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest, met bevel tot gevangenneming van de verdachte.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde en veroordeeld ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

Het hoger beroep is onbeperkt ingesteld en derhalve ook gericht tegen de vrijspraak. Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan de verdachte in zoverre niet in zijn hoger beroep worden ontvangen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep van 1 mei 2012 ten laste gelegd dat:

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 1991 tot en met 5 juni 1998 in de gemeente [gemeente] meermalen met [slachtoffer] (geboren [in 1986]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, (telkens):

- een of meer van zijn vinger(s) in haar vagina gebracht/geduwd en/of

- zijn penis in haar vagina gebracht/geduwd en/of

- een hulpstuk in haar vagina gebracht/geduwd;

3.

hij in of omstreeks de periode van 6 juni 1998 tot en met 30 april 2001 in de gemeente [gemeente], in elk geval in het arrondissement Maastricht, meermalen met [slachtoffer] (geboren [in 1986]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, (telkens):

- een of meer van zijn vinger(s) in haar vagina gebracht/geduwd en/of

- zijn penis in haar vagina gebracht/geduwd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging voor feit 3

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging ter zake van het onder 3 ten laste gelegde, strafbaar gesteld bij artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), overweegt het hof ambtshalve als volgt.

Ingevolge artikel 245, tweede lid, Sr, zoals deze bepaling luidde ten tijde van het onder 3 ten laste gelegde, heeft vervolging ter zake van het eerste lid van dat artikel, buiten de gevallen van de artikelen 248 en 249 Sr, niet plaats dan op klacht.

Dit klachtvereiste is komen te vervallen bij Wet van 13 juli 2002, Stb. 388, in werking getreden op 1 oktober 2002.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de voormelde wet houdt in:

“Ingevolge artikel 1, tweede lid, Sr. blijft het klachtvereiste gelden voor feiten, omschreven in de artikelen 245, 247 en 248a Sr, zoals die luidden vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, en gepleegd vóór dat tijdstip.” (Kamerstukken II, 2000-2001, 27 745, nr. 3, p. 11)

Het hof stelt vast dat zich in het dossier geen klacht gedaan ten overstaan van een (hulp-)officier van justitie bevindt. Dat is op zich niet onbegrijpelijk nu in het opsporingsonderzoek onder meer is uitgegaan van misdrijven ter zake van artikel 244 Sr artikel 249 (oud) Sr, die zonder klacht vervolgbaar zijn. De aangeefster duidt de verdachte aan als haar vader. Uit het dossier is gebleken dat de verdachte niet de biologische vader van aangeefster is, maar dat de aangeefster staande het huwelijk van haar moeder met verdachte is geboren (proces-verbaal, p. 83).

Nu het onder 3 ten laste gelegde weliswaar slechts de bestanddelen van artikel 245 Sr bevat, doch bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat zich hier tevens het geval van artikel 249 Sr voordoet, op grond waarvan een klacht als voormeld niet is vereist om tot vervolging over te kunnen gaan, is het openbaar ministerie ook ter zake van het onder 3 ten laste gelegde ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij in de periode van 1 december 1991 tot en met 5 juni 1998 in de gemeente [gemeente] meermalen met [slachtoffer] (geboren [in 1986]), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, telkens

- een van zijn vingers in haar vagina gebracht/geduwd en/of

- zijn penis in haar vagina gebracht/geduwd en/of

- een hulpstuk in haar vagina gebracht/geduwd;

3.

hij in de periode van 6 juni 1998 tot en met 30 april 2001 in het arrondissement Maastricht meermalen met [slachtoffer] (geboren [in 1986]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende hij, verdachte, telkens

- een van zijn vingers in haar vagina gebracht/geduwd en/of

- zijn penis in haar vagina gebracht/geduwd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder 2 en 3 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van die feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van voorarrest en diens gevangenneming zal bevelen.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijk strafmaxima (een gevangenisstraf van twaalf jaren ter zake van artikel 244 Sr en een gevangenisstraf van acht jaren ter zake van artikel 245 (oud) Sr) en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Rekening houdend met de samenloopregeling bedraagt de maximaal op te leggen gevangenisstraf in deze zaak zestien jaren.

Het hof heeft voorts ten bezware van de verdachte acht geslagen op:

- de omstandigheid dat de verdachte toen het slachtoffer pas vijf jaar was reeds is aangevangen met het misbruik;

- de jeugdige leeftijd van het slachtoffer en daarmee samenhangend haar bijzondere kwetsbaarheid;

- de lange periode waarin het misbruik heeft plaatsgevonden en de frequentie van het misbruik;

- de omstandigheid dat het misbruik heeft bestaan uit vaginale penetratie met een vinger, de penis en hulpstukken van een vibrator, waardoor een grove inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke waardigheid van het slachtoffer;

- de omstandigheid dat het misbruik heeft plaatsgevonden binnen de gezinssfeer en in de woning van het slachtoffer, een omgeving waar zij zich bij uitstek veilig behoort te kunnen voelen, waarbij de verdachte grovelijk misbruik heeft gemaakt van zijn relatie als (niet biologische) vader tot het slachtoffer;

- de omstandigheid dat de verdachte het slachtoffer ernstig onder druk heeft gezet door haar te dreigen dat, als zij haar moeder over het misbruik zou vertellen, hij haar moeder iets zou aandoen of dat haar moeder dan zelfmoord zou plegen;

- de omstandigheid dat de verdachte zich kennelijk geen enkele rekenschap heeft gegeven van het belang van het slachtoffer en zich slechts heeft bekommerd om de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens;

- de langdurige gevolgen voor het slachtoffer, zoals angst- en schuldgevoelens, wantrouwen naar anderen, het beleven van herbelevingen van het misbruik en het volgen van behandeling door een psycholoog, zoals een en ander blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de bijlagen bij het formulier waarmee zij zich als benadeelde partij in het strafgeding heeft gevoegd.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het vorenstaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van aanzienlijke duur met zich brengt.

Het hof acht de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren passend en geboden. Gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken plegen te worden opgelegd, volgt het hof de advocaat-generaal niet in haar strafeis.

Het hof acht termen aanwezig om de vordering van de advocaat-generaal tot gevangenneming van de verdachte toe te wijzen. Het bevel tot gevangenneming wordt gegeven op de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Dit bevel zal apart worden geminuteerd.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 14.224,14, bestaande uit EUR 224,14 aan materiële schade en EUR 14.000 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is in eerste aanleg toegewezen met uitzondering van de wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van haar oorspronkelijke vordering.

Gelet op de bij het voegingsformulier gevoegde bijlagen acht het hof zowel de materiële als de immateriële schade voldoende onderbouwd. Daarbij merkt het hof op dat het de gevorderde immateriële schade, in aanmerking genomen de aard, duur en frequentie van het misbruik alsmede het gegeven dat dit in gezinsverband plaatsvond, billijk en niet bovenmatig acht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof derhalve voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 en 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 april 2001, zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde perioden.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte, die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht, de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 57, 63, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het beroepen vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders onder 2 en 3 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

2.

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

3.

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer], een bedrag te betalen van EUR 14.224,14 (veertienduizend tweehonderdvierentwintig euro en veertien cent), bestaande uit EUR 224,14 (tweehonderdvierentwintig euro en veertien cent) materiële schade en EUR 14.000,00 (veertienduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 106 (honderdzes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 april 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde toe tot het bedrag van EUR 14.224,14 (veertienduizend tweehonderdvierentwintig euro en veertien cent), bestaande uit EUR 224,14 (tweehonderdvierentwintig euro en veertien cent) materiële schade en EUR 14.000,00 (veertienduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 30 april 2001 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend en mr. J.M. Reijntjes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. P. van Glabbeek, griffier,

en op 15 mei 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.