Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7357

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2012
Datum publicatie
04-06-2012
Zaaknummer
20-001862-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2011:BQ2268, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overval op supermarkt. Mede gelet op de oriëntatiepunten straftoemeting en de gewijzigde proceshouding van de verdachte komt het hof tot een minder forse bestraffing dan de gevangenisstraf die de rechtbank heeft opgelegd en de advocaat-generaal heeft gevorderd. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001862-11

Uitspraak : 4 juni 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 15 april 2011 (LJN BQ2268) in de strafzaak met parketnummer 03-703212-10 tegen:

[de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar 1976],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid,

locatie de gevangenis De Geerhorst, te Sittard,

bij welk vonnis:

- de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde werd vrijgesproken;

- het onder 2 ten laste gelegde bewezen werd verklaard en als “diefstal vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” werd gekwalificeerd;

- het onder 3 ten laste gelegde bewezen werd verklaard en als “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”;

- het onder 4 en 5 ten laste gelegd bewezen werd verklaard en als “opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, in eendaadse samenloop met een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen” werd gekwalificeerd;

- het onder 6 ten laste gelegde bewezen werd verklaard en als “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht” werd gekwalificeerd;

- de verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest;

- de vordering van de benadeelde partij [A] werd toegewezen tot een bedrag van EUR 1.524,50, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [B] werd toegewezen tot een bedrag van EUR 1.508,48, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [C] werd toegewezen tot een bedrag van EUR 3.581,75, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [D] werd toegewezen tot een bedrag van EUR 811,00;

- aan de verdachte ten behoeve van de slachtoffers [A], [B], [C] en [D] een schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd;

- de in beslag genomen voorwerpen, die onder de nummers 1, 2, 12, 13 en 24 tot en met 27 op de beslaglijst zijn vermeld, aan het verkeer werden onttrokken;

- de bewaring ten behoeve van de rechthebbende werd gelast van de in beslag genomen voorwerpen, die onder de nummers 28 tot en met 30 op de beslaglijst zijn vermeld;

- de teruggave aan de [supermarkt] supermarkt te Oirsbeek werd gelast van de in beslag genomen voorwerpen, die onder de nummers 3 en 4 op de beslaglijst zijn vermeld;

- de teruggave aan de verdachte werd gelast van de in beslag genomen voorwerpen, die onder de nummers 5 tot en met 11, 14, 15 en 23 op de beslaglijst zijn vermeld.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 2, 3, 4, 5 en 6 is ten laste gelegd en aldus niet te zijn gericht tegen de door de rechtbank gegeven vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 3 oktober 2011, 15 december 2011, 23 februari 2012 en 21 mei 2012 alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 18 oktober 2010, 13 januari 2011 en 1 april 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van advocaat-generaal mr. J.C.P.M. Boogers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. G.N. Weski naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft - na wijziging van de tenlastelegging - gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 2, 3, 4 (thans) primair en 6 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren, met toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank. Zijn vordering behelst ook ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen dat overeenkomstig de rechtbank zal worden beslist.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het onder 4 (thans) primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en voor het overige een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal - voor zover het aan het oordeel van het hof onderworpen - worden vernietigd, aangezien in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

2.

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [supermarkt], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die geldbedrag onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [A] en/of [B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op het hoofd van die [A] en/of die [B] en/of tegen die [A] en/of die [B] heeft gezegd dat zij op de grond moesten gaan liggen en/of heeft gevraagd om een zak en/of om nog meer geld;

3.

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [A] en/of [B] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [supermarkt], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft gericht op het hoofd van die [A] en/of die [B] en/of tegen die [A] en/of die [B] heeft gezegd dat zij op de grond moesten gaan liggen en/of heeft gevraagd om een zak en/of om nog meer geld;

4.

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, opzettelijk [C] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat opzet een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp gericht op het (boven)lichaam van die [C] en/of tegen het hoofd van die [C] heeft gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of die [C] in een wurggreep om haar hals heeft vastgepakt en/of tegen die [C] heeft gezegd: "Ik moet een auto, rijden, rijden, rijden" en/of die [C] aldus heeft gedwongen achter het stuur van haar auto plaats te nemen en vervolgens met hem, verdachte, als passagier, weg te rijden;

subsidiair, althans indien het primair ten laste gelegde niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, [C], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die [C], wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen of te dulden,

immers heeft hij, verdachte, een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht op het (boven)lichaam van die [C] en tegen het hoofd van die [C] gedrukt en/of gedrukt gehouden en/of die [C] in een wurggreep om haar hals vastgepakt en/of tegen die [C] gezegd: Ik moet een auto, rijden, rijden, rijden” en/of die [C] aldus gedwongen achter het stuur van haar auto plaats te nemen en vervolgens met hem, verdachte, als passagier weg te rijden;

6.

hij op of omstreeks 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, een persoon genaamd

[D] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend een pistool, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gericht op die [D].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 primair en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

2.

hij op 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan de [supermarkt],

welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [A] en [B], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, een pistool heeft gericht op die [A] en die [B] en tegen die [A] en die [B] heeft gezegd dat zij op de grond moesten gaan liggen;

3.

hij op 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [A] en [B] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag, toebehorende aan de [supermarkt],

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, een pistool heeft gericht op die [A] en die [B];

4.

hij op 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, opzettelijk [C] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, met dat opzet een pistool gericht op het bovenlichaam van die [C] en tegen het hoofd van die [C] heeft gedrukt en gedrukt gehouden en die [C] heeft vastgepakt en tegen die [C] heeft gezegd: "Ik moet een auto, rijden, rijden, rijden" en die [C] aldus heeft gedwongen achter het stuur van haar auto plaats te nemen en vervolgens met hem, verdachte, als passagier, weg te rijden;

6.

hij op 10 juli 2010 te Oirsbeek, gemeente Schinnen, een persoon genaamd [D] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk dreigend een pistool gericht op die [D].

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het onder 4 primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. Het kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte het slachtoffer [C] van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, als bedoeld in artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft zich bij het verlaten van de [supermarkt] uit paniek tot haar gewend en haar onder dreiging van het pistool gedwongen om achter het stuur plaats te nemen en met hem als passagier weg te rijden. De bewoordingen die daarbij door de verdachte zijn gebruikt, maken duidelijk dat zijn opzet niet op een vrijheidsberoving van het slachtoffer was gericht. Bovendien heeft het slachtoffer slechts tientallen meters met haar auto gereden en heeft het gehele gebeuren zich afgespeeld in een tijdsbestek van maximaal drie minuten. Om die reden kan alleen de subsidiair ten laste gelegde dwang wettig en overtuigend worden bewezen, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dat verweer en verenigt zich met het oordeel van de rechtbank. De volgende overwegingen van de rechtbank doen nog steeds opgeld en het hof maakt die daarom tot de zijne:

“Volgens de Hoge Raad doelt de wetgever met artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht ook op de situatie waarin men - zonder dat de dader daartoe gerechtigd is - iemand doet verblijven op een plaats - waaronder ook een voertuig kan vallen - waarvan of waaruit die iemand zich niet op ieder gewenst ogenblik kan verwijderen. Daarbij hoeft bij de dader niet het opzet te hebben bestaan de toestand van vrijheidsbeneming zich langer te doen uitstrekken dan enige minuten (HR 23 april 1985, LJN AC8856). De rechtbank wijst daarbij ook op HR 15 mei 1990, LJN ZC8416, waarin de Hoge Raad oordeelde dat ook als de dader bij het slachtoffer opzettelijk de indruk heeft gevestigd dat het onmiddellijk zal worden neergeschoten indien het slachtoffer zich probeert te verwijderen, er een dwang is om te blijven en daarmee van vrijheidsberoving in de zin van artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht sprake is.

In het onderhavige geval heeft verdachte een pistool gericht op het bovenlichaam van [C] en dit pistool tegen haar hoofd gedrukt en die [C] […] vastgepakt en tegen die [C] gezegd: “Ik moet een auto, rijden, rijden, rijden” en die [C] gedwongen achter het stuur van haar auto plaats te nemen en met zichzelf als passagier weg te rijden. Verdachte heeft [C] hierdoor dusdanig bedreigd, dat bij haar de indruk is gevestigd dat zij zou worden neergeschoten. Zij is onder die bedreiging naar haar auto gevoerd en ingestapt en zij kon zich vanwege de dreiging niet uit die auto verwijderen. Alles bij elkaar heeft deze situatie zeker enige tijd geduurd. Het was de intentie van de verdachte de situatie te laten voortduren, hij wilde immers met [C] in de auto de plaats van het delict verlaten. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze situatie als een vrijheidsberoving te worden gezien.”

Hetgeen de raadsman daartegen heeft ingebracht, maakt dit niet anders. Wel heeft het hof, anders dan de rechtbank, gelet op de korte tijdsduur van de vrijheidsberoving alleen bewezen verklaard dat de verdachte het slachtoffer van de vrijheid heeft beroofd en derhalve niet dat hij haar daarvan ook beroofd heeft gehouden.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 2 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 312, eerste en tweede lid, aanhef en onder 2º, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 3 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 317, eerste en derde lid, in samenhang met artikel 312, tweede lid, aanhef en onder 2º, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 4 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 6 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 en 3 bewezen verklaarde levert de volgende kwalificatie op:

De eendaadse samenloop van diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen

personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl

het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert de volgende kwalificatie op:

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert de volgende kwalificatie op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De psychiater J.L.M. Dinjens en de psycholoog S. Labrijn hebben gerapporteerd over de persoon van de verdachte. In de door hen opgestelde pro justitia rapporten concludeerden zij dat de verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen. Het hof volgt deze conclusie en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing dat de bewezen verklaarde feiten slechts in licht verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband wordt vooropgesteld dat de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, voor een “overval op een winkel met licht geweld dan wel bedreiging met geweld” als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren aangeven.

In het onderhavige geval heeft de verdachte de onder 2 en 3 bewezen verklaarde overval op een supermarkt in vereniging begaan. De verdachte droeg een integraalhelm en was in zoverre vermomd, terwijl hij bovendien een aantal aanwezige klanten en twee caissières heeft bedreigd met een vuurwapen. Het gaat derhalve om een zeer ernstige vorm van bedreiging. De klanten heeft hij gedwongen op de grond te gaan liggen en de caissières moesten onder dwang diverse kassa’s openen en het daarin gelegen geld in een plastic zak stoppen. De verdachte heeft ook zelf geld uit de kassa’s gegrist. Dat zijn omstandigheden die naar het oordeel van het hof aanzienlijk strafverhogend werken.

Daar komt nog bij dat de verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van een vrouwelijke klant van de supermarkt. De verdachte wendde zich na het verlaten van de supermarkt tot deze vrouw, omdat zijn mededader het hazenpad bleek te hebben gekozen. De verdachte dwong de vrouw om in de auto te stappen en de verdachte als passagier mee te nemen. Hij deed dat door de vrouw vast te pakken, het pistool op haar te richten en te roepen dat zij moest gaan rijden. Nadat de vrouw enkele meters met de verdachte in haar auto had gereden, hebben omstanders een barricade opgeworpen, de verdachte kunnen overmeesteren en de vrouw uit haar auto kunnen bevrijden. De verdachte heeft zich daarbij hevig verzet en zijn vuurwapen op omstanders gericht. Door zo te handelen heeft de verdachte nog meer gevoelens van angst en onveiligheid teweeggebracht dan hij even tevoren in de supermarkt al had gedaan. De schriftelijke slachtofferverklaring van de vrouw die van haar vrijheid werd beroofd, mevrouw [C], maakt treffend duidelijk welke impact het gebeuren op haar heeft gehad. Zij kampt met een posttraumatische stressstoornis en ondervindt daarvan nog altijd de gevolgen. Ook bij een aantal van de omstanders is het besef doorgedrongen dat de verdachte met een echt vuurwapen gewapend was en dat hij dat op hen had gericht. De verdachte heeft de slachtoffers in doodsangst gebracht, zoals ook uit de slachtofferverklaring van de heer [D] naar voren komt.

Ten bezware van de verdachte neemt het hof voorts in aanmerking dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister voor diefstallen met geweld is veroordeeld.

Gelet op het vorenstaande is het evident dat een forse bestraffing op zijn plaats is.

Mede gelet op de eerdergenoemde oriëntatiepunten en de gewijzigde proceshouding van de verdachte zal die bestraffing echter niet zo fors zijn als de door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf. Het hof merkt in dat verband op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep eigener beweging heeft verklaard dat zijn eerdere verklaring dat hij was gedwongen om de overval te plegen, een verzinsel was waarmee hij de schuld buiten zichzelf had willen leggen. De verdachte gaf blijk het laakbare van zijn handelen in te zien en liet weten de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers zoveel mogelijk te willen verminderen. De verdachte maakte duidelijk niet alleen spijt van het bewezen verklaarde te hebben, maar ook van het feit dat namens hem het verzoek was gedaan om mevrouw [C] als getuige te horen, omdat hij had gelezen dat zij naar aanleiding van die oproeping een terugslag ondervond. De spijtbetuigingen van de verdachte, kwamen op het hof oprecht over. De verdachte heeft verder openheid van zaken gegeven over de wijze waarop de feiten tot stand zijn gekomen. Ten slotte heeft het hof ook acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder zoals deze naar voren komen in de eerder genoemde pro justitia rapporten. De feiten zijn hem, zoals reeds is overwogen, slechts in licht verminderde mate toe te rekenen. De verdachte lijkt bovendien zijn problemen ditmaal wel te willen aanpakken en verschuilt zich niet achter het slechte voorbeeld dat hij van zijn vader heeft gekregen.

Het hof komt tot de volgende slotsom. Alles in ogenschouw genomen, concludeert het hof dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren passend en geboden is. Het hof zal de verdachte daartoe dan ook veroordelen.

Beslag

Ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen zal het hof overeenkomstig de rechtbank beslissen, met uitzondering van de beslissing omtrent de onder de verdachte in beslag genomen helm.

De helm is namelijk niet in strijd met de wet of het algemeen belang, zodat de beslissing van de rechtbank dat het aan het verkeer moet worden onttrokken, niet in stand kan blijven. De helm, die op de beslaglijst onder het nummer 2 staat vermeld, werd door de verdachte gedragen toen hij de onder 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde feiten pleegde. Het is derhalve een voorwerp met hulp waarvan de feiten zijn begaan, zodat het vatbaar is voor verbeurdverklaring.

De in beslag genomen voorwerpen, die op de beslaglijst onder de nummers 1, 12, 13 en 24 tot en met 27 staan vermeld, zijn wel van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De voorwerpen zijn gebruikt bij de onder 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde feiten dan wel zijn bij het onderzoek naar deze feiten aangetroffen en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven. De voorwerpen dienen daarom naar het oordeel van het hof te worden onttrokken aan het verkeer.

Ten aanzien van de voorwerpen, die op de beslaglijst onder de nummers 3 en 4 staan vermeld, zal het hof de teruggave aan de [supermarkt] te Oirsbeek gelasten. Ten aanzien van de voorwerpen, die op de beslaglijst onder de nummers 5 tot en met 11, 14, 15 en 23 staan vermeld, zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten. Ten aanzien van de overige op de beslaglijst vermelde voorwerpen, is thans niet duidelijk wie daarvan de rechthebbenden zijn. Daarom zal het hof de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbenden gelasten.

Maatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer [A] als gevolg van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.524,50, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer [B] als gevolg van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.508,48, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer [C] als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 3.581,75 , te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer [D] als gevolg van het onder 6 bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 811,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht individueel, maar ook samen voor het geheel aansprakelijk voor de aan de slachtoffers [A] en [B] toegebrachte schade. De verdachte is alleen aansprakelijk voor de aan de slachtoffers [C] en [D] toegebrachte schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hierna te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen telkens de verplichting opleggen om ten behoeve van het slachtoffer het vastgestelde schadebedrag aan de Staat te betalen, met ten aanzien van de slachtoffers [A] en [B] tevens de bepaling dat indien en voor zover de mededader van de verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

In reactie op de verklaring van de verdachte dat hij op dit moment niet de draagkracht heeft om de vorderingen te voldoen en daarvoor na zijn detentieperiode tijd nodig heeft om inkomen te vergaren, merkt het hof nog op dat het hof ervan uitgaat dat de verdachte daarvoor door het Centraal Justitieel Incassobureau voldoende tijd zal worden geboden.

Vordering van de benadeelde partij [A]

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, die strekt tot een schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.724,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.524,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [A] als gevolg van verdachtes onder 2 en 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het door de rechtbank toegewezen bedrag. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 24,50 aan materiële schade en een bedrag van EUR 1.500,00 aan immateriële schade. De wettelijke rente zal het hof laten ingaan op de dag dat de schade is veroorzaakt, te weten op 10 juli 2010, en laten eindigen op de dag der voldoening.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor zover de vordering van de benadeelde partij dat bedrag overschrijdt, is het hof van oordeel dat de (verdere) behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre daarom slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, zullen ten laste van de verdachte worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [B]

De benadeelde partij [B] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, die strekt tot een schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.658,48, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.508,48, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [B] als gevolg van verdachtes onder 2 en 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het door de rechtbank toegewezen bedrag. Dat bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 8,48 aan materiële schade en een bedrag van EUR 1.500,00 aan immateriële schade. De wettelijke rente zal het hof laten ingaan op de dag dat de schade is veroorzaakt, te weten op 10 juli 2010, en laten eindigen op de dag der voldoening.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor zover de vordering van de benadeelde partij dat bedrag overschrijdt, is het hof van oordeel dat de (verdere) behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre daarom slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, zullen ten laste van de verdachte worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [C]

De benadeelde partij [C] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, die strekt tot een schadevergoeding tot een bedrag van EUR 4.618,51, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 3.581,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [C] als gevolg van verdachtes onder 4 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het door de rechtbank toegewezen bedrag. Dat bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 1.831,75 aan materiële schade (EUR 839,11 ter zake medische kosten en EUR 992,64 als gederfde inkomsten) en een bedrag van EUR 1.750,00 aan immateriële schade. De wettelijke rente zal het hof laten ingaan op de dag dat de schade is veroorzaakt, te weten op 10 juli 2010, en laten eindigen op de dag der voldoening.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, zullen ten laste van de verdachte worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [D]

De benadeelde partij [D] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, die strekt tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 811,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen, doch zonder die te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de benadeelde partij [D] als gevolg van verdachtes onder 6 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. Dat bedrag heeft uitsluitend betrekking op immateriële schade. De wettelijke rente zal het hof laten ingaan op de dag dat de schade is veroorzaakt, te weten op 10 juli 2010, en laten eindigen op de dag der voldoening.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil, zullen ten laste van de verdachte worden gebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 55, 57, 282, 285, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4 primair en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 2, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

(2). 1.00 STK Helm, 1812853.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(1). 1.00 STK Wapen, kleur zwart, 1812852 pistool;

(12). 1.00 STK Munitie, kleur goud, 1813393;

(13). 1.00 STK Imitatiewapen, kleur zwart, GAMO, 1813393;

(24). 1.00 STK Wapen, kleur zwart, 1817573;

(25). 1.00 STK Munitie, 1817581;

(26). 1.00 STK Traangas, kleur zwart, CS-REISZGAS 77000, 1817611;

(27). 1.00 STK Traangas, kleur zwart, ORIGINAL TW1000, 1817614.

Gelast de teruggave aan [de supermarkt] van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(3). Geld Nederlands, onbekend bedrag (IBG 10-7-2010);

(4). Geld Nederlands, onbekend bedrag (IBG 10-7-2010).

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(5). 1.00 STK Broek, kleur rood, 1812849;

6). 1.00 STK Shirt, kleur grijs, 1812850;

(7). 2.00 STK Sok, kleur zwart, 1812851;

(8). 2.00 STK Schoeisel, kleur zwart, NIKE, 1812854;

(9). 1.00 STK Handschoen, kleur zwart, 1812858;

(10). 1.00 STK Laken, kleur wit, 1812859;

(11). 1.00 STK Handschoen, kleur wit, 1812861;

(14). 1.00 STK GSM, kleur zwart, LG, 1813359;

(15). 1.00 STK GSM, kleur zilver, 1813349;

(23). 1.00 STK Computer, kleur grijs, APPLE MACBOOK, 1813343.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

(28). 1.00 STK GSM, kleur grijs, NOKIA, 1817641;

(29). 1.00 STK GSM, kleur roze, ALCATEL, 1817656;

(30). 1.00 STK Fototoestel, kleur grijs, CANON IXUS 75, 1817671.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [A], een bedrag te betalen van EUR 1.524,50 (duizend vijfhonderd vierentwintig euro en vijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2010 tot en met de dag der voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [B], een bedrag te betalen van EUR 1.508,48 (duizend vijfhonderd acht euro en achtenveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2010 tot en met de dag der voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [C], een bedrag te betalen van EUR 3.581,75 (drieduizend vijfhonderd eenentachtig euro en vijfenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2010 tot en met de dag der voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [D], een bedrag te betalen van EUR 811,00 (achthonderd elf euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2010 tot en met de dag der voldoening.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [A] ter zake van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.524,50 (duizend vijfhonderd vierentwintig euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2010 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [B] ter zake van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.508,48 (duizend vijfhonderdacht euro en achtenveertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2010 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [C] ter zake van het onder 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 3.581,75 (drieduizend vijfhonderd eenentachtig euro en vijfenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2010 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [D] ter zake van het onder 6 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 811,00 (achthonderd elf euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juli 2010 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt ten aanzien van elk van de schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen dat indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen betreffende [A] en [B] dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, de verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. J.F.M. Pols, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. H. de Doelder, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 4 juni 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. H. de Doelder is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.