Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW7013

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
HV 200.103.981
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging WSNP.

Art. 350 lid 3 aanhef sub c en sub d Fw.

Wie draagt het risico voor het door de partner van saniet niet verstrekken van informatie (bij enkel samenwonen)?

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 30 mei 2012

Zaaknummer: HV 200.103.981/01

Zaaknummer eerste aanleg: 11/134 R

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. T. van Riel.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Breda van 14 maart 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 maart 2012 heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen, en, naar het hof begrijpt, [appellante]s schuldsaneringsregeling voort te zetten.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 mei 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante], bijgestaan door mr. Van Riel,

- mevrouw A. van Meel, hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 13 februari 2012;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 12 april 2012;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 10 mei 2012;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 15 mei 2012.

3. De beoordeling

3.1. Bij vonnis van 25 februari 2011 is ten aanzien van [appellante] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en sub d Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op voordracht van de rechter-commissaris d.d. 13 februari 2012 tussentijds beëindigd, nu [appellante] een of meer van haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door haar doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert en bovenmatige schulden doet of laat ontstaan.

Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.3. [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3.1. [appellante] heeft in het beroepschrift - kort samengevat - aangevoerd, dat de nieuwe schulden niet bewust door haar zijn aangegaan. Volgens [appellante] heeft zij alles in het werk gesteld om wijzigingen steeds tijdig aan de fiscus door te geven. [appellante] heeft in 2011 weliswaar gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling twee maanden een toeslag voor kinderopvang ontvangen, doch zij heeft hiervan geen profijt gehad nu de kinderopvanginstelling deze toeslag zou hebben ontvangen.

Met betrekking tot het jaar 2012 voert [appellante] aan dat zij slechts over de maand januari de huurtoeslag en de toeslag voor kinderopvang heeft ontvangen waarop zij geen aanspraken meer kon maken, omdat haar partner per 16 januari 2012 een nieuwe betrekking heeft verkregen. [appellante] heeft de fiscus daarvan onmiddellijk op de hoogte gesteld, doch op dat moment had ze de toeslagen over de maand januari 2012 reeds ontvangen.

3.3.2. Met betrekking tot de toezending van stukken aan de bewindvoerder stelt [appellante] dat zij op verzoek van de bewindvoerder rekeningafschriften bij de ABN-AMRO bank heeft opgevraagd en die in februari 2012 aan de bewindvoerder heeft toegezonden en dat alle inkomensgegevens en arbeidscontracten in het bezit zijn van de bewindvoerder, evenals de beschikking zorgtoeslag 2012 en de huurspecificatie 2011.

3.3.3. De bewindvoerder heeft in haar brief d.d. 15 mei 2012 en ter zitting in hoger beroep haar verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen gemotiveerd gehandhaafd.

3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1. Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [appellante], in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door haar doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.

3.5.2. Met betrekking tot de aan [appellante] opgelegde informatieplicht overweegt het hof in de eerste plaats dat uit vaste rechtspraak blijkt dat het niet verstrekken van inlichtingen een reden voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling kan vormen als dit een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.

Met betrekking tot de uitvoering van de informatieplicht wijst het hof daarnaast op het arrest van de Hoge Raad van 15 februari 2002 (LJN: AD9144) waaruit voortvloeit dat de schuldenaar in het kader van de schuldsaneringsregeling een actieve, spontane inlichtingenplicht heeft, strekkende tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringregeling.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof thans overgaan tot de beantwoording van de vraag of [appellante] toerekenbaar tekort is geschoten in de aan haar in het kader van de schuldsaneringsregeling opgelegde informatieplicht.

3.5.3. Uit de overgelegde brieven van de bewindvoerder van respectievelijk 17 maart 2011, 25 juli 2011, 24 oktober 2011 en 24 januari 2012, alsmede de verslagen van de bewindvoerder van respectievelijk 30 januari 2012 en 22 februari 2012, en uit hetgeen ter zitting in eerste aanleg d.d. 13 februari 2012 naar voren is gebracht, is het hof genoegzaam gebleken dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting niet naar behoren is nagekomen.

3.5.4. Ondanks herhaalde verzoeken van de bewindvoerder heeft [appellante] bij herhaling verzuimd inzage te verschaffen in haar inkomens- en lastenpositie en die van haar samenwonende partner door het niet, althans niet volledig overleggen van bijvoorbeeld rekeningafschriften en inkomenspecificaties. Het nalaten door [appellante] van het verstrekken van de door de bewindvoerder verzochte stukken heeft er onder meer toe geleid dat de bewindvoerder niet in staat is geweest het vrij te laten bedrag ter becijferen, waardoor de bewindvoerder de boedelbijdrage noodgedwongen heeft moeten vaststellen op het maximale bedrag met als gevolg dat de bewindvoerder ook in hoger beroep niet in staat is exact aan te geven wat inmiddels de hoogte van de ontstane boedelachterstand is.

3.5.5. Dat [appellante] na het vonnis van de rechtbank van 14 maart 2012 in hoger beroep bij brief van 10 mei 2012 alsnog een aantal van de door de bewindvoerder verzochte stukken heeft overgelegd, waaronder de door de bewindvoerder bij herhaling verzochte bankafschriften, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Van het schenden van deze inlichtingenplicht kan naar het oordeel van het hof aan [appellante] een verwijt worden gemaakt, reeds omdat zij, zoals hiervoor is overwogen, bij herhaling de de bewindvoerder onvolledige informatie heeft verschaft.

Nu genoegzaam is komen vast te staan dat [appellante] toerekenbaar tekort is geschoten in de uit de schuldsaneringregeling voortvloeiende informatieplicht, terwijl de informatieplicht nu juist een kernverplichting van de schuldsaneringsregeling betreft, is het hof van oordeel dat het niet naar behoren nakomen van deze verplichting, tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling van [appellante] rechtvaardigt. Dit betekent tevens dat, nu [appellante] van het schenden van de inlichtingenplicht een verwijt kan worden gemaakt, het hof geen termen aanwezig acht om eventueel de looptijd van [appellante]s schuldsaneringsregeling ambtshalve te verlengen.

3.5.6. Voor zover het gebrek aan informatie betrekking heeft - gehad - op de partner van [appellante], is het hof overigens van oordeel, dat de saniet, in dit geval [appellante], hiervan het risico en derhalve de (negatieve) gevolgen dient te dragen. Een andersluidende opvatting zou betekenen dat dit risico indirect wordt afgewenteld op de schuldeisers en direct op de bewindvoerder, die immers, ofschoon belast met zowel het toezicht op de naleving door de schuldenaar van diens verplichtingen die uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien als het beheer en de vereffening van de boedel, deze taken niet naar behoren kan uitvoeren waarmee de werking van de schuldsaneringsregeling wordt gefrustreerd.

3.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen behoeven de over en weer opgeworpen stellingen van [appellante] en de bewindvoerder rond de boedelachterstand en de belastingschuld geen nadere bespreking, vooral nu, zoals hiervoor is overwogen, de bewindvoerder als gevolg van de handelwijze van [appellante] niet in staat is de exacte hoogte van die achterstand te becijferen.Met betrekking tot de belastingschuld heeft [appellante] uitsluitend gesteld dat de hoogte van die schuld is bijgesteld naar € 1.959,--, op welke schuld zij, naar zij stelt, met een bedrag van € 110,-- per maand aflost, doch nu zij van die regeling geen verificatoire bescheiden overgelegd gaat het hof hieraan voorbij.

3.7. Al hetgeen hiervoor is overwogen voert het hof tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden die het hof overneemt en tot de zijne maakt heeft geoordeeld dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] tussentijds beëindigd dient te worden.

3.8. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, C.N.M. Antens en M.L.F.J. Schyns en in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2012.