Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW6592

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
20-003812-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 4 jaar gevangenisstraf ter zake van het opzettelijk gebruik maken en voorhanden hebben van van valse betaalpassen, diefstal en deelneming aan een criminele organisatie.

Ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 3. bewezen verklaarde. Verdachte heeft tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag voorhanden gehad dat afkomstig was uit een door verdachte tezamen en in vereniging met anderen begaan misdrijf, terwijl uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte een handeling heeft verricht die heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het aangetroffen geldbedrag.

Geen sprake van onrechtmatige identiteitscontrole en doorzoeking.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 140
Wetboek van Strafrecht 232
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003812-11

Uitspraak : 25 mei 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 3 oktober 2011 in de strafzaak met parketnummer 01-886006-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1975],

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen,

waarbij:

- verdachte werd vrijgesproken van het hem onder 3. ten laste gelegde;

- verdachte ter zake van:

o “- medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een valse betaalpas, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerd weg, als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

- medeplegen van opzettelijk een valse betaalpas, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat de pas bestemd is voor zodanig gebruik, meermalen gepleegd”

o “diefstal door twee of meer verenigde personen, terwijl de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd”

o “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- de benadeelde partij Equens SE niet-ontvankelijk werd verklaard in haar vordering;

- een in beslag genomen mobiele telefoon verbeurd werd verklaard.

- een aantal in het vonnis nader genoemde in beslag genomen voorwerpen verbeurd werd onttrokken aan het verkeer.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte voor de onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- zal beslissen op de in beslag genomen voorwerpen conform de beslissing van de rechtbank;

- de benadeelde partij Equens SE niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.

De verdediging heeft primair bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging, subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Voorts is bepleit dat de benadeelde partij Equens SE niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met

3 februari 2011 te Veghel en/of Oosterhout en/of Waalwijk en/of elders in Nederland en/of in Roemenië, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) valse of vervalste betaalpas(sen), waardekaart(en) of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en), bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, als ware deze/die pas(sen) of kaart(en) echt en onvervalst, bestaande het gebruikmaken (telkens) hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal, met een of meer van deze pas(sen) en/of kaart(en)

- (een) geldbedrag(en) heeft/hebben verkregen en/of

- heeft/hebben geprobeerd (een) geldbedrag(en) te verkrijgen bij (een) muntrolautoma(a)t(en) van (een) bank(en) en/of bij (een) geldautoma(a)t(en)

en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat voornoemde pas(sen) en/of kaart(en) (telkens) zijn voorzien van door middel van manipulatie verkregen magneetstripgegevens en/of pincodes;

en/of

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met

3 februari 2011 te Veghel en/of Oosterhout en/of Waalwijk en/of elders in Nederland en/of in Roemenië, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) valse of vervalste betaalpas(sen), waardekaart(en) of enige andere voor het publiek beschikbare kaart(en), bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, (telkens) voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben ontvangen en/of zich heeft/hebben verschaft en/of heeft/hebben vervoerd, zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die pas(sen) of kaart(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware deze echt en onvervalst;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met

3 februari 2011 te Veghel en/of Oosterhout en/of Waalwijk en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een of meer geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met

3 februari 2011 te Veghel en/of Oosterhout en/of Waalwijk en/of elders in Nederland en/of in Roemenië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en), heeft/hebben verworven, voorhanden heeft/hebben gehad, heeft/hebben overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met

3 februari 2011 te Veghel en/of Oosterhout en/of Waalwijk en/of Rotterdam en/of elders in Nederland en/of Roemenië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- opzettelijk valselijk opmaken of vervalsen van betaalpassen en/of waardekaarten en/of opzettelijk gebruik maken en/of voorhanden hebben van vervalste of valse betaalpassen en/of waardekaarten (artikel 232 Wetboek van Strafrecht) en/of

- diefstal door middel van een valse sleutel (artikel 311 Wetboek van Strafrecht) en/of

- voorhanden hebben van stoffen/voorwerpen, wetende dat zij bestemd zijn tot het plegen van enig in artikel 232, eerste lid, omschreven misdrijf en/of

- witwassen (artikel 420bis Wetboek van Strafrecht).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 3 februari 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse betaalpas, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, als ware die pas echt en onvervalst, bestaande het gebruikmaken telkens hierin dat verdachte en/of zijn mededaders met deze pas

- een geldbedrag heeft/hebben verkregen en

- heeft/hebben geprobeerd een geldbedrag te verkrijgen bij een muntrolautomaat van een bank en/of bij een geldautomaat

en bestaande die valsheid hierin dat voornoemde pas telkens was voorzien van door middel van manipulatie verkregen magneetstripgegevens en pincodes;

en

hij op 3 februari 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk een valse betaalpas, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen of andere prestaties langs geautomatiseerde weg, voorhanden heeft gehad, zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders telkens wist(en) dat die pas bestemd was voor gebruik als ware deze echt en onvervalst;

2.

hij op 3 februari 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders telkens dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

3.

hij op 3 februari 2011 te Veghel tezamen en in vereniging met een ander een voorwerp, te weten een geldbedrag, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

4.

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 3 februari 2011 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk

- opzettelijk valselijk opmaken of vervalsen van betaalpassen en/of opzettelijk gebruik maken en/of voorhanden hebben van valse betaalpassen en/of

- diefstal door middel van een valse sleutel en/of

- voorhanden hebben van stoffen/voorwerpen, wetende dat zij bestemd zijn tot het plegen van enig in artikel 232, eerste lid, omschreven misdrijf en/of

- witwassen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

B.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, omdat sprake is van onherstelbare vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting, waarna er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert om tot een bewezenverklaring te komen. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het vorderen van identiteitsgegevens onrechtmatig was en dat een niet-Nederlands sprekende man in de Nederlandse taal om toestemming is gevraagd om in de zich achter de bestuurdersstoel bevindende koffer te kijken, terwijl er op dat moment geen redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond. Te dien aanzien heeft de verdediging tevens een beroep gedaan op schending van artikel 14 van het EVRM.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2.1

Een geschrift, zijnde een niet door alle verbalisanten opgemaakt en ondertekend

proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5], [verbalisant 6], en [verbalisant 7] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Op 3 februari 2011, omstreeks 13.06 uur, kregen wij, [verbalisant 4] en [verbalisant 6], een melding te gaan naar de Rabobank, gelegen aan de Rembrandtlaan 70 te Veghel. Aldaar zou op dat moment een of meerdere Roemenen met valse bankpassen de geldautomaat aan het leegtrekken zijn.

Ik, [verbalisant 7], was op genoemde datum, omstreeks 13.10 uur, onderweg naar het bureau van politie. Ik reed over de Rembrandtlaan te Veghel toen mijn aandacht werd getrokken door een blauwe Citroën C5 die geparkeerd stond in de Heuvelstraat. Ik zag dat de auto geparkeerd stond met de neus richting de Rembrandtlaan. Ik zag dat er twee licht getinte personen in de Citroën C5 zaten. Op het bureau aangekomen wilde ik een eenheid aansturen om deze auto te laten controleren. Ik hoorde van een collega dat er niemand beschikbaar was omdat er zojuist een melding was binnen gekomen dat er Oostblokkers bij de Rabobank iets aan het doen waren. Meteen belde ik collega [verbalisant 2] met de informatie dat ik zojuist een personenauto had gezien met vermoedelijk personen erin die afkomstig kunnen zijn uit Oost-Europa.

Wij, [verbalisant 1], [verbalisant 4] en [verbalisant 6], zijn vervolgens direct richting de Heuvelstraat gereden. Op de hoek van de Heuvelstraat met de Rembrandtlaan te Veghel zagen wij een blauwe personenauto staan van het merk Citroën, type C5, voorzien van het kenteken [kenteken]. Ik, [verbalisant 1], vroeg zowel aan de bestuurder als de passagier van het voertuig, verdachte [medeverdachte 1] en verdachte [verdachte], ter inzage een geldig op naam staand legitimatiebewijs.

Ik, [verbalisant 4], zag dat er achter de bestuurdersstoel een kleine koffer stond. Ik, [verbalisant 1], vroeg aan [medeverdachte 1] of wij mochten kijken wat er in deze koffer zat. Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 4], hoorden dat verdachte [medeverdachte 1] zei dat we overal mochten kijken. Ik, [verbalisant 4], opende de achterdeur van het voertuig en keek in het grijze koffertje achter de bestuurdersstoel.”

B.2.2

Het proces-verbaal van voorgeleiding i.v.m. aanhouding houdt als verklaring van [medeverdachte 1] – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“De politie kwam naar mij toe en ze vroegen of ze in mijn auto mochten kijken. Dat mocht van mij. In de auto stond een koffertje. Toen de politie aan mij vroeg of ze in dat koffertje mochten kijken heb ik gezegd dat dat goed was.”

B.3

Met betrekking tot de identiteitscontrole:

B.3.1

Artikel 8a, eerste lid, van de Politiewet 1993 luidt:

“Een ambtenaar van politie aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak”.

Onder de politietaak wordt, blijkens artikel 2 van de Politiewet 1993, verstaan “te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven”. De daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde omvat zowel de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde als de handhaving van de openbare orde.

B.3.2

Aan de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet op de uitgebreide identiteitsplicht , waarbij het genoemde artikel 8a is ingevoegd in de Politiewet 1993, wordt het volgende ontleend.

Over het begrip “voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van de politietaak” in artikel 8a van de Politiewet 1993 merkte de minister van Justitie in de nota naar aanleiding van het verslag op:

“Voorop staat dat de politie niet zonder concrete aanleiding willekeurig om inzage van een identiteitsbewijs mag vragen, maar daarvoor een geldige reden gebaseerd op een van de onderdelen van haar taakuitoefening moet hebben. Anders gezegd: er moet een concrete aanleiding zijn waardoor een burger de aandacht van een functionaris op zich vestigt zonder dat die concrete aanleiding behoeft te bestaan in de verdenking van een strafbaar feit.”

Bij het wetgevingsoverleg op 8 december 2003 deelde de minister van Justitie mede:

“Het gaat om de taken die redelijkerwijs meebrengen dat men de identiteit van een persoon moet kunnen achterhalen. Anders dan bij strafbare feiten of om specifieke situaties, heeft de politie die bevoegdheid nu niet. Het gaat dus om een makkelijker functioneren van de politie. Dat makkelijker functioneren van de politie, juist bij het voorkomen van criminaliteit, het voorkomen van wanordelijkheden op straat en het handhaven van de openbare orde, draagt wel degelijk bij aan de veiligheid (...).”

B.3.3

Op grond van het hierboven weergegeven proces-verbaal van bevindingen is het hof van oordeel dat verbalisanten konden oordelen dat er sprake was van voldoende concrete aanleiding om in het kader van hun taak tot het handhaven van de openbare orde en de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (te weten: zicht krijgen op personen die mogelijk betrokken zouden kunnen raken of waren bij nog te plegen of gepleegde strafbare feiten) de inzittenden van de Citroën C5 te onderwerpen aan een identiteitscontrole. De verbalisanten waren hiertoe bevoegd, nu zij in redelijkheid tot het oordeel zijn kunnen komen dat deze controle voor de uitoefening van hun politietaak noodzakelijk was.

B.3.4

Gelet op het hiervoor overwogene is er geen sprake van een vormverzuim, zodat het bepaalde bij artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering toepassing mist.

Bewijsuitsluiting is daarom niet aan de orde.

Het hof is voorts van oordeel dat, nu er geen sprake is van een vormverzuim waar het de identiteitscontrole betreft en overigens niet aannemelijk is geworden dat verdachte enkel vanwege zijn uiterlijke kenmerken (het licht getint zijn) is verzocht zich te identificeren, er geen sprake is van schending van artikel 14 van het EVRM.

B.4

Met betrekking tot de toestemming:

B.4.1

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er aan de toestemming van [medeverdachte 1] onvoldoende waarde kan worden gehecht om het openen van het portier en het kijken in de koffer te kunnen rechtvaardigen, aangezien [medeverdachte 1] de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is. Naar het oordeel van het hof is evenwel niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte 1] het Nederlands onvoldoende beheerste. Bij dat oordeel heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen:

- de hiervoor onder B.2.2 weergegeven verklaring van [medeverdachte 1], afgelegd zonder bijstand van een tolk;

- de omstandigheid dat [medeverdachte 1] bij de politie is gehoord in de Nederlandse taal, terwijl bij dat verhoor geen tolk aanwezig was en niet gebleken is van taalproblemen bij dat verhoor.

B.4.2

Ter terechtzitting in hoger beroep is door de verdediging voorts naar voren gebracht dat [medeverdachte 1] niet om toestemming had mogen worden verzocht, aangezien er op dat moment nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld.

De stelling dat het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld met zich brengt dat de verbalisanten [medeverdachte 1] niet om toestemming hadden mogen vragen vindt evenwel geen steun in het recht. Het hof wijst er in dat verband op dat het gebruik van dwangmiddelen weliswaar een inbreuk op grondrechten inhoudt die een wettelijke legitimatie behoeft, doch aan de wettelijke vereisten behoeft niet te zijn voldaan in geval van toestemming van degene aan wie het betreffende grondrecht toekomt. Van een dergelijke toestemming is in de onderhavige zaak sprake. Daarbij overweegt het hof ten overvloede dat verdachte bij gelegenheid van zijn voorgeleiding aan een hulpofficier van justitie op 3 februari 2011 melding heeft gemaakt van de verleende toestemming zonder daarbij enige kanttekening te maken. Het verweer faalt.

B.4.3

Gelet op het hiervoor overwogene is er geen sprake van een vormverzuim, zodat het bepaalde bij artikel 359a Sv toepassing mist. Bewijsuitsluiting is daarom niet aan de orde.

B.5

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

C.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 3. ten laste gelegde, omdat geen sprake is van witwassen. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat de rechtbank moet worden gevolgd in haar redenering dat het enkele plaatsen van de buit in de auto niet kan worden aangemerkt als een handeling die erop gericht is om de criminele opbrengsten veilig te stellen, omdat deze handeling niet heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het verweer faalt reeds omdat hetgeen aan het verweer ten grondslag is gelegd niet met zich brengt dat het onder 3. ten laste gelegde niet bewezen zou kunnen worden, doch ertoe zou leiden dat het handelen van verdachte niet als witwassen kan worden gekwalificeerd en geen strafbaar feit zou opleveren.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

D.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken om het onder 4. ten laste gelegde, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor deelname van verdachte aan een criminele organisatie. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- de verklaring van [medeverdachte 2] als onbetrouwbaar terzijde geschoven dient te worden en hierop verdachtes deelname aan een criminele organisatie en de vermeende rol van verdachte hierop niet kan worden gebaseerd;

- er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het bestaan van een organisatie.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

D.2

Naar het oordeel van het hof zijn geen omstandigheden gesteld of (anderszins) aannemelijk geworden die de stelling zouden kunnen rechtvaardigen dat [medeverdachte 2] probeerde om de schuld in de schoenen van verdachte te schuiven om er zelf beter vanaf te komen. Ook overigens is uit het onderzoek ter terechtzitting niet van feiten en omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring zou moeten worden getwijfeld.

Voorts kan met betrekking tot de verklaring van [medeverdachte 2], voor zover gebezigd tot het bewijs, nog worden opgemerkt dat hij daarin tevens zichzelf belast en dat deze verklaring consistent en gedetailleerd is en aansluit bij overige bewijsmiddelen. De omstandigheid dat [medeverdachte 2] nadien een andere verklaring heeft afgelegd, kan aan het voorgaande niet afdoen.

Het hof bezigt de verklaring van [medeverdachte 2] dan ook tot het bewijs.

D.3.1

Voor de bewezenverklaring van “een organisatie” als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon.

Er is sprake van deelnemen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het

Wetboek van Strafrecht indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk, te weten: het plegen van misdrijven.

D.3.2

Het hof acht op grond van de verklaring van [medeverdachte 2], welke steun vindt in de overige bewijsmiddelen, bewezen dat in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 3 februari 2011 een samenwerkingsverband heeft bestaan met een zekere duurzaamheid en structuur, welk samenwerkingsverband tot oogmerk had het plegen van misdrijven, terwijl verdachte heeft deelgenomen aan die organisatie.

D.4

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

E.1

Het hof heeft onder 3. bewezen verklaard dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag voorhanden heeft gehad dat afkomstig was uit enig misdrijf. Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat dit geldbedrag afkomstig is uit een door verdachte tezamen en in vereniging met anderen begaan misdrijf.

Indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf, al dan niet in vereniging, begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, kan die gedraging niet als witwassen worden gekwalificeerd.

In aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat de verdachte een handeling heeft verricht die heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het aangetroffen geldbedrag kan het onder 3. bewezen verklaarde niet worden gekwalificeerd als witwassen, zodat het geen strafbaar feit oplevert. De verdachte zal derhalve te dien aanzien worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

E.2

Het onder 1. bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een valse pas als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

en

Medeplegen van opzettelijk een valse pas als bedoeld in artikel 232, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat de pas bestemd is voor gebruik als ware deze echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

Het onder 4. bewezen verklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

F.1

Op grond van de argumenten die ten grondslag lagen aan het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting, zoals weergegeven onder B.1, heeft de verdediging betoogd dat strafvermindering dient te volgen. Het hof verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als gehanteerd bij de verwerping van dit verweer onder B.

F.2

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat door de bewezen verklaarde feiten het vertrouwen dat burgers moeten kunnen stellen in giraal geldverkeer, zoals het doen van betalingen middels een bankpas of creditcard, is geschonden;

- de omstandigheid dat door feiten als de onderhavige aanzienlijke financiële schade kan worden toegebracht aan de betrokken rekeninghouder(s), dan wel aan de betrokken banken/creditcardbedrijven;

- de omstandigheid dat het hier gaat om het plegen van feiten in een georganiseerd groepsverband, waarbij op geraffineerde wijze gebruik is gemaakt van (kennelijk) professionele, geavanceerde elektronische apparatuur;

- de omstandigheid dat verdachte kennelijk slechts heeft gehandeld met het oog op persoonlijk financieel gewin.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof gelet op:

- de omstandigheid dat verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 12 april 2012, eerder ter zake soortgelijke feiten door de strafrechter is veroordeeld;

- de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met het onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren tot uitgangspunt genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet van feiten en omstandigheden gebleken die aanleiding geven om van dit uitgangspunt af te wijken.

Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1., 2. en 4. ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan of voorbereid.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met behulp waarvan het onder 1., 2. en 4. ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van de benadeelde partij

Equens SE heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 5.482,35. De benadeelde partij is door de eerste rechter in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij haar in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist. Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat aan de benadeelde partij rechtstreekse schade is toegebracht door verdachtes bewezen verklaarde handelen. Blijkens het voegingsformulier is de vordering ingediend door

Equens SE, die hierbij kennelijk optreedt voor haarzelf en niet als gemachtigde namens de bank(en). Slechts de gedupeerde rekeninghouders dan wel de bank(en) zijn aan te merken als rechtstreeks door de bewezen verklaarde feiten benadeelden.

Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in haar vordering.

Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 63, 140, 232, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1., 2.,3. en 4. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1., 2., 3. en 4. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 3. bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een zwarte GSM, LG, goednr. 272379.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een entertainmentcard met sticker code 4160, goednr. 272075;

- een Ikea klantenpas met sticker code 4901, goednr. 272076;

- een Ikea klantenpas met sticker code 0883, goednr. 272081;

- een Ikea klantenpas met sticker code 1721, goednr. 272084.

Verklaart de benadeelde partij, Equens SE, in haar vordering tot schadevergoeding

niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mr. H. Harmsen en mr. K. van der Meijde, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 25 mei 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.