Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW6503

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
HD 200.089.611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executiegeschil, uitlatingen op internet, rectificatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.089.611

arrest van de zesde kamer van 22 mei 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. M.K. Rack,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

advocaat: mr. I.P. Rietveld,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 mei 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 26 april 2011 tussen principaal appellant -[appellant]- als eiser en principaal geïntimeerde -[geintimeerde]- als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr./rolnr. 106300/KG ZA 11-12)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van producties drie grieven aangevoerd. Voorts heeft hij geconcludeerd tot (naar het hof begrijpt: gedeeltelijke) vernietiging van het bestreden vonnis en, kort gezegd, tot toewijzing alsnog van de vordering van [appellant] in eerste aanleg, tot bepaling dat de toegewezen verbeurte van de dwangsommen ter hoogte van € 15.000,-- van [geintimeerde] moet worden afgewezen en tot veroordeling van [geintimeerde] om al hetgeen [appellant] eventueel ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geintimeerde] heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geintimeerde] onder overlegging van een productie de grieven bestreden. Voorts heeft [geintimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin drie grieven aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis voor zover daarin is geoordeeld dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met de veroordeling in 5.1. van het vonnis van de voorzieningenrechter in Arnhem van 18 juni 2010 en voor het overige tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot alsnog afwijzing van het door [appellant] in eerste aanleg gevorderde.

2.3. [appellant] heeft in incidenteel appel geantwoord.

2.4. [geintimeerde] heeft een akte uitlating producties genomen.

2.5. [appellant] heeft een antwoordakte uitlating producties genomen.

2.6. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de beide memories.

4. De beoordeling

in principaal en incidenteel appel

4.1. In overweging 2.1. van het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Hiertegen zijn geen grieven gericht, zodat die door de rechtbank vastgestelde feiten ook het hof tot uitgangspunt strekken. Voorts staan nog enkele andere feiten als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van de relevante feiten.

4.1.1. Op 4 januari 2009 is een aflevering van de door Alberto Stegeman gepresenteerde televisie-uitzending ‘Undercover in Nederland’ uitgezonden (hierna: de televisie-uitzending). Daarin is onder meer aandacht besteed aan hulpverleners die via internet (gratis) zorg aanbieden aan ouders en kinderen met problemen, zonder dat hun werk wordt gecontroleerd. In dat verband zijn onder meer delen van telefoongesprekken en e-mailcorrespondentie tussen [geintimeerde] en een fictief meisje (‘[fictief meisje]’) weergegeven en is een gesprek tussen [geintimeerde] en Stegeman uitgezonden.

4.1.2. Op 18 juni heeft de voorzieningenrechter in Arnhem vonnis gewezen in de zaak bekend onder zaak- en rolnummer 196976/KG ZA 10-137 (hierna: het Vonnis). Voor zover hier relevant, luidt de beslissing in dit vonnis:

“(…)

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt [appellant] om op de website www.dimitri.nu uitlatingen over [geintimeerde] te doen of te doen plaatsen die de strekking hebben seksuele gedragingen van [geintimeerde] zoals die in de televisie-uitzending van 4 januari 2009 aan de orde zijn gesteld te beschrijven of aan de orde te stellen, of [geintimeerde] neer te zetten als pedofiel of die [geintimeerde] in verband brengen met pedofiele praktijken en/of kinderporno, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per keer en voor iedere dag dat die uitlating voortduurt, met een maximum van € 15.000,-,

5.2. verbiedt [appellant] om op internet of in het openbaar uitlatingen te doen over [geintimeerde] die de strekking hebben [geintimeerde] neer te zetten als pedofiel of die [geintimeerde] in verband brengen met pedofiele praktijken en/of kinderporno, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per keer, met een maximum van € 15.000,00,

5.3. veroordeelt [appellant] om binnen drie (3) dagen na betekening van dit vonnis voor de duur van zes (6) maanden duidelijk zichtbaar op de eerste pagina van de website www.dimitri.nu een rectificatie te plaatsen met de navolgende inhoud, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat hij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 20.000,00:

Rectificatie

Naar aanleiding van een uitzending van ‘Undercover in Nederland’ van Alberto Stegeman van 4 januari 2009 zijn er sindsdien op deze website verschillende berichten geplaatst waarin uitlatingen zijn gedaan over de heer [voorletters] [achternaam geintimeerde]. De voorzieningenrechter te Arnhem heeft bij vonnis van 18 juni 2010 geoordeeld dat ik, [voornaam] [achternaam appellant], onrechtmatig heb gehandeld jegens de heer [achternaam geintimeerde], voor zover het ten aanzien van deze geplaatste berichten gaat om uitlatingen die de strekking hebben de heer [achternaam geintimeerde] neer te zetten als pedofiel of die de heer [achternaam geintimeerde] in verband brengen met pedofiele praktijken en/of kinderporno. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat hiervoor geen feitelijke basis bestaat, zodat dergelijke uitlatingen slechts waardeoordelen betreffen die als onnodig grievend en beschadigend voor de heer [achternaam geintimeerde] kunnen worden aangemerkt. De voorzieningenrechter heeft mij veroordeeld tot het plaatsen van deze rectificatie.

[voornaam] [achternaam appellant]

(…)”

4.1.3. Op 24 juni 2010 heeft [geintimeerde] het Vonnis aan [appellant] laten betekenen met gelijktijdig bevel om aan de inhoud er van te voldoen.

4.1.4. [geintimeerde] heeft bij exploit van 6 oktober 2010 aan [appellant] bevel gedaan om een bedrag van € 50.000,-- te betalen aan dwangsommen.

4.1.5. Op 21 december 2010 is op verzoek van [geintimeerde] ten laste van [appellant] executoriaal beslag gelegd op het aan [appellant] in eigendom toebehorende registergoed, staande en gelegen te [plaatsnaam] aan de [adres] (hierna: de woning).

4.2. In eerste aanleg heeft [appellant], voor zover hier relevant, gevorderd:

a) [geintimeerde] met onmiddellijke ingang te gebieden om zich te onthouden van iedere vorm van aanzegging, executie of het incasseren van dwangsommen aan of ten laste van [appellant], op grond van het Vonnis, voor zover dit betrekking heeft op de teksten/artikelen/videobeelden/stills en/of andere content op de website www.dimitri.nu dan wel op het internet die aan de orde zijn in dit kort geding en de overgelegde producties, of daartoe pogingen in het werk te stellen;

b) voor het geval zou worden geoordeeld dat wel dwangsommen verbeurd zouden zijn: alsnog het hierboven onder a) genoemde verbod, met dien verstande dat daarvan een maximum aantal door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsommen uitgezonderd zouden kunnen zijn, verband houdende met een verklaring voor recht inzake het aantal dagen dat vertraging ingetreden is, voordat [appellant] uitvoering heeft gegeven aan het Vonnis.

Indien geoordeeld zou worden dat wel dwangsommen verbeurd zouden zijn: opheffing van deze dwangsommen, althans matiging tot nihil, althans matiging tot een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

c) [geintimeerde] met onmiddellijke ingang te gebieden zich te onthouden van het op internet of in het openbaar doen van uitlatingen over [appellant] die de strekking hebben [appellant] neer te zetten als lasteraar, althans [appellant]’s goede naam anderszins in diskrediet te brengen op grond van/in verband met het Vonnis, de overgelegde producties en het onderhavige kort geding en tevens [geintimeerde] te gebieden eerder gedane uitlatingen met die strekking van internet te (laten) verwijderen en ook verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 250,-- per keer en voor iedere dag dat die uitlating voortduurt, met een maximum van € 25.000,--;

d) [geintimeerde] met onmiddellijke ingang te gebieden zich te onthouden van het openbaren van niet geanonimiseerde processtukken van dit kort geding en van het kort geding dat heeft geleid tot het Vonnis, op straffe van een dwangsom van € 250,-- per keer en voor iedere dag dat die uitlating voortduurt, met een maximum van € 25.000,--;

e) het executoriaal beslag met onmiddellijke ingang op te heffen;

f) veroordeling van [geintimeerde] in de proceskosten bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren.

4.3. Nadat [geintimeerde] verweer heeft gevoerd, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond [geintimeerde] in het bestreden vonnis geboden om zich te onthouden van iedere vorm van aanzegging, executie of incasseren van dwangsommen aan of ten laste van [appellant], op grond van het Vonnis, voor zover dit betrekking heeft op de beweerdelijk reeds verbeurde dwangsommen op grond van 5.2. en 5.3. van het Vonnis, totdat in een bodemzaak omtrent deze verbeurte zal zijn beslist. Voorts heeft de voorzieningenrechter het meer of anders door [geintimeerde] gevorderde afgewezen en de proceskosten in eerste aanleg aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.4. De grieven 1 en 2 in het principaal appel hebben betrekking op de afwijzing in het bestreden vonnis van het gevorderde verbod (zie 4.2. sub a) om dwangsommen aan te zeggen, te executeren of te incasseren ten laste van [appellant] op grond van de beslissing in 5.1. van het Vonnis (zie 4.1.2.). Grief 3 in het principaal appel heeft betrekking op de afwijzing in het bestreden vonnis van de gevorderde opheffing van het executoriaal beslag (zie 4.2. sub e).

Grief I in het incidenteel appel heeft betrekking op de overwegingen van de voorzieningenrechter die hebben geleid tot de aan het begin van deze rechtsoverweging 4.4. bedoelde afwijzing van het verbod inzake 5.1. van het Vonnis. De grieven II en III in het incidenteel appel hebben betrekking op de toewijzing in het bestreden vonnis van het gevorderde verbod (zie 4.2. sub a) om dwangsommen aan te zeggen, te executeren of te incasseren ten laste van [appellant] op grond van respectievelijk de beslissingen in 5.2. en 5.3. van het Vonnis (zie 4.1.2.).

spoedeisend belang; niet-ontvankelijkheid?

4.5.1. De vorderingen van [appellant] in het kader van dit executiegeding zijn naar hun aard spoedeisend, ook in dit hoger beroep.

4.5.2. [appellant] betoogt dat [geintimeerde] vanwege het ontbreken van spoedeisend belang aan de kant van [geintimeerde] niet-ontvankelijk is in het incidenteel appel.

Nog daargelaten dat [geintimeerde] in het incidenteel appel geen voorziening vordert, wordt het volgende overwogen.

Zoals hierboven al vermeld, is [geintimeerde] in het bestreden vonnis geboden om zich te onthouden van iedere vorm van aanzegging, executie of incasso van dwangsommen die zouden zijn verbeurd op grond van overtreding van het verbod uit 5.2. en het gebod uit 5.3. van het Vonnis.

[geintimeerde] heeft nog steeds een spoedeisend belang bij nakoming door [appellant] van het in 5.2. van het Vonnis uitgesproken verbod, waarvoor de bewuste dwangsom als prikkel tot nakoming is opgelegd. Derhalve komt ook de vraag of het in dat kader in het bestreden vonnis uitgesproken verbod terecht is, voor behandeling in incidenteel appel in dit kort geding in aanmerking.

Ten aanzien van het gebod tot rectificatie uit 5.3. van het Vonnis geldt het volgende. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de hierna te behandelen aanvulling van [appellant] op de rectificatie een verboden uitlating is als bedoeld in 5.1. van het Vonnis. Mede door de eigen stellingen van [appellant] in principaal appel (grief 1 en de toelichting daarop) doet zich bij de beoordeling daarvan een zodanige samenhang voor met het gebod tot rectificatie als bedoeld in 5.3. van het Vonnis, dat ook het al dan niet naleven van dit gebod tot rectificatie (en het daardoor eventueel verbeurd zijn van dwangsommen), onderwerp van dit hoger beroep is. Van het ontbreken van spoedeisend belang van de in verband hiermee aangevoerde incidentele grieven, kan dan ook geen sprake zijn.

In aanvulling op het voorgaande wordt nog overwogen, dat ook voor beoordeling van het door [appellant] in principaal appel gevorderde gebod tot het opheffen van het executoriaal beslag relevant is welk (maximaal) bedrag aan dwangsommen naar het voorlopig oordeel van het hof verbeurd is. Ook in zoverre bestaat er spoedeisend belang bij beoordeling van de vraag of er dwangsommen verbeurd zijn op grond van de beslissingen in 5.2. en 5.3. van het Vonnis.

Gelet op al het voorgaande faalt het beroep van [appellant] op niet-ontvankelijkheid van [geintimeerde] in het incidenteel appel.

periode aanvullende tekst bij rectificatie

4.6.1. [appellant] heeft de in het Vonnis aan hem bevolen tekst van de rectificatie op de website www.dimitri.nu (hierna: de Website) geplaatst in een zwart omlijnd kader. Tussen partijen staat vast dat [appellant] in datzelfde kader ook een aanvullende tekst op de Website heeft geplaatst waarin wordt gevraagd“Heeft u ook een waardeoordeel?”. Daarna volgen verwijzingen naar (onder meer) “Bekijk dan nu Reactie en Waardeoordeel Media” met links naar ( onder andere) de bronnen Telegraaf en Geen Stijl en naar “Juridisch oordeel” met een link naar de Raad voor de Journalistiek. Afgesloten wordt met: “Stuur uw waardeoordeel nu naar “Dimitri.nu” “

De vraag of [appellant] gelet op de inhoud van de aanvullende tekst in strijd heeft gehandeld met het Vonnis en aldus dwangsommen heeft verbeurd, wordt in 4.7. en 4.8. behandeld. Eerst komt de vraag aan de orde of de aanvullende tekst nog op de Website stond op de datum dat eventuele dwangsommen op grond van het Vonnis verbeurd zouden kunnen worden (Ten aanzien van punt 5.1. van het Vonnis was dit na betekening daarvan aan [appellant] op 24 juni 2010 en wat betreft het plaatsen van de rectificatie was dit na 27 juni 2010.)

[appellant] stelt dat de aanvullende tekst al was verwijderd voordat hij dwangsommen verschuldigd zou worden. [geintimeerde] stelt dat de aanvullende tekst nog tot november 2010 op de Website stond. Naar het oordeel van het hof ligt het in de eerste plaats op de weg van [geintimeerde], die overgaat tot incasso van de dwangsommen, om aannemelijk te maken dat de aanvullende tekst na 24 juni 2010 respectievelijk 27 juni 2010 nog op de Website zichtbaar was. Voor zover grief 2 in het principaal appel gericht is tegen de overweging in het bestreden vonnis dat het aan [appellant] is om zijn stelling op dit punt aannemelijk te maken, slaagt de grief. Dit kan echter niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden vanwege het volgende.

4.6.2. [geintimeerde] heeft een CD-ROM (hierna: de CD-ROM) overgelegd waarop een groot aantal “screenprints” van onder meer de Website is opgeslagen. Bij de screenprints “voorpagina DIM” is te zien dat onder de rectificatie de aanvullende tekst is opgenomen. Deze screenprints tonen data in de maanden juni, juli, augustus, september en oktober 2010. Daarnaast heeft [geintimeerde] in eerste aanleg schriftelijke verklaringen overgelegd van negen personen (bijlagen 1 tot en met 9 bij brief van 5 april 2011 van de raadsman van [geintimeerde] aan de rechtbank Roermond). (Nagenoeg) alle verklaringen bevatten mededelingen met de strekking dat er ook in de maanden na het bestreden vonnis nog belastende mededelingen over [geintimeerde] voorkwamen op onder andere de Website. In elk geval uit twee van die verklaringen kan worden opgemaakt, dat het daarbij onder meer gaat om de door [appellant] geplaatste aanvullende tekst bij de rectificatie. Zo staat in de verklaring van [Z.] (bijlage 4 bij brief van 5 april 2011 van de raadsman van [geintimeerde] aan de rechtbank Roermond): “(…) Die opgeslagen bestanden tonen u ook eigen, door dhr [appellant] aan de rectificatie toegevoegde tekst die niet voldeed aan de uitspraak van het vonnis van de rechter. (…)”. In de verklaring van [A.] (bijlage 4 bij brief van 5 april 2011 van de raadsman van [geintimeerde] aan de rechtbank Roermond) is onder meer opgenomen:“(…) De rectificatie was na 1-7-2010 al niet meer direct zichtbaar op de voorpagina (men moest eerst naar beneden scrollen om deze te zien) Ook werd er een ‘opinie onderzoek’ op zijn website gezet, waarbij verwezen werd naar artikelen op Geen Stijl en de Telegraaf, waarbij wederom verwezen werd naar de undercover beelden. (…)”

In reactie op de aldus onderbouwde stellingen van [geintimeerde], volstaat [appellant] er mee om zowel in eerste aanleg als in hoger beroep te wijzen op de (technische) mogelijkheden, die meebrengen dat de door [geintimeerde] overgelegde screenprints -volgens [appellant] eenvoudig- gewijzigd of gemanipuleerd kunnen zijn. Een dergelijke manipulatie is door [geintimeerde] betwist. Voor het overige voert [appellant] onvoldoende concrete, inhoudelijke feiten en omstandigheden aan ter onderbouwing van zijn betwisting.

Al met al is het naar het voorlopig oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de aanvullende tekst in elk geval nog een aantal maanden na 24 juni 2010 op de Website heeft gestaan. Grief 2 faalt dan ook in dit opzicht en kan derhalve niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

het gebod in 5.3 van het Vonnis

4.7.1. Vervolgens komt aan de orde of de door [appellant] onder de rectificatie geplaatste aanvullende tekst in strijd is met het gebod tot het plaatsten van de rectificatie. Dit in het dictum onder 5.3 van het Vonnis geformuleerde gebod tot rectificatie moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid. Daarbij dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen op een zodanige manier dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. De voorzieningenrechter in Arnhem heeft in het Vonnis (4.7. en 4.8.) onder meer het volgende overwogen:

“(…) Het gaat echter te ver om steeds opnieuw dezelfde feiten zoals die in de televisie-uitzending zijn gepresenteerd op de website te plaatsen en daaraan telkens de conclusie te verbinden dat [geintimeerde] dus een pedofiel is én de suggestie te wekken dat [geintimeerde] behalve dit incident zich ook meer structureel bezighoudt met pedofiele praktijken en kinderporno, zonder dat daarvoor enige feitelijke grond wordt aangevoerd waaruit dit zou blijken. Ook in dit kort geding is, afgezien van wat er in de televisie-uitzending is gebeurd, verder op geen enkele wijze gebleken dat zulke praktijken aan [geintimeerde] zijn toe te schrijven. Daarentegen is voorshands wél komen vast te staan dat [geintimeerde] nooit strafrechtelijk is veroordeeld ter zake van enig misdrijf tegen de zeden en dat er thans ook geen enkel strafrechtelijk onderzoek tegen hem loopt. Evenmin is gebleken van tegen [geintimeerde] gerichte aangiftes van mogelijke slachtoffers. Voor zover op de website www.dimitri.nu wordt verwezen naar meer dan alleen de televisie-uitzending, ontbreekt daarvoor dus iedere feitelijke grond. Nu daarvoor geen feitelijke basis bestaat, zijn die geplaatste uitlatingen slechts waardeoordelen die als excessief kunnen worden aangemerkt en voorts als onnodig grievend en beschadigend voor [geintimeerde]. Dit geldt te meer nu de website www.dimitri.nu zich richt tot een groot publiek en ook feitelijk veel bezoekers trekt. Daarenboven geldt dat de wijze waarop naar de televisie-uitzending wordt verwezen, namelijk door telkens opnieuw alle details te openbaren van wat er in die televisie-uitzending is te zien, niet noodzakelijk is om aandacht te vragen voor de hiervoor reeds genoemde misstand.(…)”

4.8. Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter, alle bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval in onderling verband en samenhang in aanmerking nemend, tot de conclusie dat [appellant], als de beheerder van de website www.dimitri.nu, onrechtmatig jegens [geintimeerde] heeft gehandeld door de hier aan de orde zijnde uitlatingen telkens weer op die website te plaatsen en geplaatst te houden. Voorshands geoordeeld komt in dit geval dan ook de doorslag toe aan het belang dat [geintimeerde] niet door (openbare of openbaar gemaakte) uitlatingen via de website www.dimitri.nu wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen.(…)”

Gelet op deze overwegingen was het doel van de rectificatie om het nadelige effect voor [geintimeerde] van de niet op feiten gebaseerde verdachtmakingen (dat [geintimeerde] zich meer structureel bezighoudt met pedofiele praktijken en kinderporno), zoveel mogelijk ongedaan te maken. Het was [appellant] ook zonder een expliciet daarop gericht verbod niet toegestaan om de rectificatie aan te vullen met mededelingen en/of commentaar waardoor de rectificatie zou worden ontkracht. Van een ontkrachting van de rectificatie kan slechts worden gesproken wanneer in redelijkheid niet kan worden betwijfeld dat de toegevoegde mededelingen en/of commentaar dat gevolg hebben (HR 23 februari 2007, LJN AZ 3085).

4.7.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de hierboven bedoelde aanvullende tekst onder de Rectificatie “links”/verwijzingen bevat naar bronnen waarin de televisie-uitzending aan de orde komt. Als niet of onvoldoende door [appellant] betwist, is in deze links een verband gelegd tussen [geintimeerde] en de televisie-uitzending en kwam men via de link terecht bij negatieve en beschuldigende commentaren over [geintimeerde] in verband met de televisie-uitzending. In het Vonnis zijn de door [appellant] in verband met de televisie-uitzending op de Website geplaatste waardeoordelen als excessief en onnodig grievend en beschadigend aangemerkt. In de gelaste tekst van de rectificatie is dan ook opgenomen, dat dergelijke uitlatingen slechts waardeoordelen betreffen die als onnodig grievend en beschadigend voor [geintimeerde] kunnen worden aangemerkt. Door het onder de rectificatie plaatsen van bedoelde verwijzingen naar beschuldigende commentaren van derden met de suggestieve tekst “Heeft u ook een waardeoordeel?” is het publiek uitgenodigd om opnieuw kennis te nemen en “mee te denken” over beschuldigende waardeoordelen over [geintimeerde]. Zo is tevens opnieuw voeding gegeven aan de in 4.7.1. bedoelde verdachtmakingen. Aldus is afbreuk gedaan aan de rectificatie. Gelet hierop kan in redelijkheid niet worden betwijfeld dat de door [appellant] bij de rectificatie geplaatste aanvullende tekst met bedoelde verwijzingen de rectificatie heeft ontkracht.

Dat uit de rectificatie voor het publiek voldoende duidelijk zou blijken dat [appellant] door de rechter in het ongelijk is gesteld, kan hier niet aan afdoen. Het doel van de rectificatie was immers niet om het publiek te informeren over de uitkomst van de procedure maar om het nadelige effect voor [geintimeerde] van de -naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter- niet op feiten gebaseerde verdachtmakingen zoveel mogelijk ongedaan te maken.

Gelet op het voorgaande, heeft [appellant] naar het voorlopig oordeel van het hof in strijd gehandeld met het gebod tot rectificatie. Nu het voldoende aannemelijk is dat de aanvullende tekst ook een aantal maanden na 27 juni 2010 op de Website heeft gestaan (zie hierboven 4.6.2.) heeft [appellant] aldus naar het voorlopig oordeel van het hof dwangsommen verbeurd door het niet nakomen van het gebod tot rectificatie (5.3. van het Vonnis).

4.7.3. [appellant] heeft in de memorie van grieven (nr. 21) nog naar voren gebracht dat eventuele door hem verbeurde dwangsommen zouden dienen te worden beperkt, dan wel vervangen door een bevel tot herplaatsing van de rectificatie zonder enige toevoeging. Nog daargelaten de vraag of hier sprake is van een, al dan niet toelaatbare, eisvermeerdering van [appellant], wordt het volgende overwogen. Blijkens nr. 10 van de memorie van grieven richt [appellant] geen grief tegen het in het bestreden vonnis (4.6. en 5.4.) gegeven oordeel, dat voor opheffing, opschorting of vermindering van de dwangsom slechts plaats is indien het voor [appellant] onmogelijk was (in de zin van artikel 611 d lid 1 Rv) om aan het Vonnis te voldoen. Nu [appellant] niet stelt dat er sprake is van onmogelijkheid om correct te voldoen aan het gebod tot rectificatie, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk op welke grond [appellant] eventuele beperking of vervanging van verbeurde dwangsommen vordert. De bewuste stelling in nr. 21 van de memorie van grieven zal derhalve als onbegrijpelijk worden gepasseerd.

4.7.4. Reeds gelet op al het bovenstaande dient naar het voorlopig oordeel van het hof het door [appellant] gevorderde verbod (zie 4.2. sub a) om dwangsommen aan te zeggen, te executeren of te incasseren ten laste van [appellant] op grond van de beslissing in 5.3. van het Vonnis, te worden afgewezen. Of [appellant] al dan niet heeft voldaan aan het vereiste dat de rectificatie voldoende zichtbaar op de eerste pagina van de Website moest worden geplaatst, kan dan ook in het midden blijven. Grief III in het incidenteel appel slaagt.

het verbod in 5.1. van het Vonnis

4.8.1. Voorts dient beoordeeld te worden of [appellant] in strijd heeft gehandeld met genoemd verbod om op de Website uitlatingen te doen die de strekking hebben seksuele gedragingen van [geintimeerde] zoals die in de televisie-uitzending aan de orde zijn gesteld te beschrijven of aan de orde te stellen, of [geintimeerde] neer te zetten als pedofiel of die [geintimeerde] in verband brengen met pedofiele praktijken en/of kinderporno. Ook dit in het dictum onder 5.1. van het Vonnis geformuleerde verbod moet worden uitgelegd in het licht en met inachtneming van de overwegingen die tot de beslissing hebben geleid.

Gelet op hetgeen hierboven in 4.7.2. is overwogen over de inhoud van de door [appellant] bij de rectificatie op de Website geplaatste aanvullende tekst, gaat het daarbij om een verwijzing naar “meer dan alleen de televisie-uitzending”, zoals in het Vonnis bedoeld (zie 4.7.1.). Het publiek wordt nadrukkelijk uitgenodigd en via een link in staat gesteld om opnieuw kennis te nemen van de seksuele gedragingen van [geintimeerde], zoals die in de televisie-uitzending aan de orde zijn gesteld. Derhalve heeft [appellant] naar het voorlopig oordeel van het hof door het plaatsen van de aanvullende tekst onder de rectificatie eveneens in strijd gehandeld met het verbod onder 5.1. van het Vonnis.

4.8.2. Daar komt nog het volgende bij. Ter onderbouwing van zijn stelling dat ook na betekening van het Vonnis op de Website nog andere uitlatingen stonden die in strijd waren met het verbod uit 5.1. van het Vonnis, verwijst [geintimeerde] naar een groot aantal op de CD-ROM opgenomen bestanden en naar de negen onder 4.6.2. genoemde verklaringen.

Het hof stelt vast dat alle negen verklaringen mededelingen bevatten die er op neerkomen dat in de maanden na het Vonnis op de Website nog artikelen zichtbaar waren met zeer belastende informatie over [geintimeerde] in verband met de televisie-uitzending. In (minimaal) vier verklaringen (van [B.], [C.], [D.], [A.]) wordt aangegeven dat [geintimeerde] daarbij als pedofiel is neergezet.

Verder zijn op de CD-ROM vele screen prints opgenomen van de Website, die data tussen juli en eind oktober 2010 tonen en waarop bepaalde artikelen of verwijzingen naar artikelen over [geintimeerde] voorkomen. Zo gaat het bijvoorbeeld om screenprints met verwijzing naar het artikel “Pedofielen hulpverlener(s) met BIG registratie geen enkel probleem bij de IGZ” en screenprints met de vermelding “Startpagina?Laatste Nieuws (archief)?Undercover ontmaskerd hulpverlener Drs. [geintimeerde] als pedofiel - [appellant] tipte”, met daaronder “U bent niet bevoegd dit onderdeel te bekijken U dient zich in te loggen”.

Laatstgenoemde vermelding verwijst kennelijk naar een artikel waarvoor de bezoeker van de site over bepaalde inloggegevens dient te beschikken. Anders dan [appellant], is het hof van oordeel dat ook deze (en soortgelijke) vermelding(en) (door [appellant] aangeduid als “randje” op de Website) op zichzelf al in strijd is (zijn) met 5.1. van het Vonnis. Het is (zijn) immers uitlating(en) waarin [geintimeerde] expliciet wordt neergezet als pedofiel.

[appellant] betwist dat de bedoelde artikelen en verwijzingen na betekening van het Vonnis nog zichtbaar waren op de Website. Hiertoe beroept hij zich opnieuw op de (technische) mogelijkheden, die meebrengen dat de door [geintimeerde] overgelegde screenprints -volgens [appellant] eenvoudig- gewijzigd of gemanipuleerd kunnen zijn. Bij verwijzingen naar artikelen waarvoor inloggegevens nodig zijn, kan er bovendien volgens [appellant] sprake zijn van in het zogenaamde cachegeheugen opgeslagen pagina’s, die niet meer overeenkomen met de werkelijke pagina.

Alles afwegend, is naar het voorlopige oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat geruime tijd na betekening van het Vonnis op de Website nog diverse artikelen en verwijzingen naar artikelen zichtbaar waren, die in strijd waren met 5.1. van het Vonnis.

Voor zover plaatsing van de bewuste artikelen en verwijzingen op de Website al had plaatsgevonden vóór betekening van het Vonnis (zoals [appellant] stelt), hadden ze verwijderd dienen te worden en was er naar het oordeel van het hof derhalve ook sprake van strijdigheid met het verbod in 5.1. van het Vonnis. Dit geldt te meer nu in het Vonnis onder meer is overwogen dat: “[appellant], als de beheerder van de website www.dimitri.nu, onrechtmatig jegens [geintimeerde] heeft gehandeld door de hier aan de orde zijnde uitlatingen telkens weer op die website te plaatsen en geplaatst te houden.“

4.8.3. Gelet op al het bovenstaande, heeft [appellant] naar het voorlopig oordeel van het hof dwangsommen verbeurd door het niet nakomen van het verbod als bedoeld in 5.1. van het Vonnis. In het bestreden vonnis is derhalve terecht het gevorderde verbod (zie hierboven 4.2. sub a) om dwangsommen aan te zeggen, te executeren of te incasseren ten laste van [appellant] op grond van de beslissing in 5.1. van het Vonnis, afgewezen. Nu het voorts naar het voorlopig oordeel van het hof voldoende aannemelijk is dat de aanvulling onder de rectificatie en de artikelen en verwijzingen op de Website enkele maanden na betekening van het Vonnis op de Website zichtbaar waren, acht het hof het aannemelijk dat [appellant] het maximum bedrag van € 15.000,-- aan dwangsommen (60 maal € 250,--) als bedoeld in 5.1. van het Vonnis heeft verbeurd. Grief 1 in het principaal appel faalt en grief I in het incidenteel appel slaagt.

het verbod in 5.2. van het Vonnis

4.9. Vervolgens dient te worden beoordeeld, of [appellant] ook dwangsommen heeft verbeurd vanwege het verbod om op internet of in het openbaar uitlatingen te doen over [geintimeerde] die de strekking hebben [geintimeerde] neer te zetten als pedofiel of die [geintimeerde] in verband brengen met pedofiele praktijken en/of kinderporno (Vonnis onder 5.2.). Daarbij gaat het, gelet op de stellingen van [geintimeerde], om de door [geintimeerde] genoemde uitlatingen van [appellant] op onder meer de websites www.harrysteijnonline.com, www.stopkinderpornonu.hyves.nl, www.wuz.nl/wuzlog/kinderombudsman, en www.stopkindersex.com. Uit de stukken, de CD-ROM en de door [geintimeerde] overgelegde verklaringen valt naar het voorlopig oordeel van het hof onvoldoende duidelijk op te maken of de aan de orde zijnde uitlatingen op genoemde andere websites daadwerkelijk zijn gedaan door [appellant]. Dat [appellant] (nauwe) contacten onderhoudt met de beheerder(s) van deze andere sites, is daartoe onvoldoende. Aldus is niet voldaan aan de toepasselijke maatstaf dat in ernst niet kan worden betwijfeld dat deze uitlatingen een overtreding opleveren van het verbod in 5.2. van het Vonnis. Derhalve heeft [appellant] naar het voorlopig oordeel van het hof geen dwangsommen verbeurd op grond van dit verbod. Grief II in het incidenteel appel faalt.

executoriaal beslag

4.10. Ten aanzien van de door [appellant] gevorderde opheffing van het executoriaal beslag op de woning, overweegt het hof als volgt.

[appellant] beroept zich op het ontbreken van belang van de kant van [geintimeerde] om gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot tenuitvoerlegging. Het hof begrijpt dit als een beroep op misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW). De enkele door [appellant] gestelde omstandigheid dat nog niet vaststaat of en zo ja, tot welk bedrag, [appellant] in een bodemprocedure veroordeeld zal worden tot het betalen van dwangsommen, is onvoldoende om tot het oordeel te kunnen komen dat [geintimeerde] misbruik maakt van zijn bevoegdheid om over te gaan tot executie van op grond van het - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - Vonnis verbeurde dwangsommen. Een dergelijk misbruik van bevoegdheid kan zich wel voordoen, indien het Vonnis, ter uitvoering waarvan het executoriaal beslag op de woning is gelegd, berust op een juridische of feitelijke misslag of indien de tenuitvoerlegging op grond van na het Vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van [appellant] een noodtoestand doet ontstaan.

[appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die duiden op een feitelijke of juridische misslag in het Vonnis.

Evenmin heeft [appellant] feiten of omstandigheden gesteld die er op wijzen dat de tenuitvoerlegging op grond van na het Vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van [appellant] een noodtoestand doet ontstaan. [appellant] stelt wel dat hij lijdt aan PTSS en dat voor mensen met een dergelijke psychische aandoening het verlies van de woning tot psychische nood kan leiden. Echter, voor zover het juist is dat [appellant] aan PTSS lijdt, stelt hij niet dat dit na het Vonnis is ontstaan of aan het licht gekomen. Hij verwijst naar het overlijden van zijn zoontje maar dit overlijden heeft kennelijk plaatsgevonden vóór het Vonnis, aangezien [appellant] in zijn eigen stukken refereert aan het op 21 juni 2010 gedenken van de sterfdag van zijn zoontje.

Tenslotte wordt het volgende overwogen naar aanleiding van de stelling van [appellant] dat de hoogte van het in het bestreden vonnis genoemde bedrag aan verbeurde dwangsommen ad € 15.000,-- niet in verhouding staat tot de waarde van het op de woning gelegde executoriale beslag. In 4.7. en 4.8. is al overwogen dat [appellant] naar het voorlopig oordeel van het hof € 15.000,-- aan dwangsommen heeft verbeurd ten aanzien van het in het Vonnis onder 5.1. bepaalde verbod en daarnaast ook dwangsommen heeft verbeurd ten aanzien van het onder 5.3. bepaalde gebod. Deze laatste kunnen maximaal € 20.000,-- bedragen. Naar het voorlopig oordeel van het hof kan op grond van deze, niet onaanzienlijke, bedragen niet gezegd worden dat het executoriale beslag op de woning buitenproportioneel was en daarom dient te worden opgeheven. De enkele stelling van [appellant] dat [geintimeerde] geen onderzoek heeft gedaan naar “eventuele andere verhaalsmogelijkheden die minder ingrijpend zijn voor [appellant] en wel in verhouding staan tot het gevorderde bedrag”, maakt dit niet anders. [appellant] heeft deze stelling in het geheel niet toegelicht of onderbouwd. Verder heeft hij evenmin concrete andere verhaalsmogelijkheden voor [geintimeerde] genoemd, nog daargelaten de vraag of [geintimeerde] verplicht was geweest van die andere mogelijkheden gebruik te maken.

Gelet op het bovenstaande dient de vordering tot opheffing van het executoriaal beslag te worden afgewezen. Grief 3 in het principaal appel faalt.

slotsom

4.11. Gelet op al het bovenstaande, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen voor zover [geintimeerde] daarin wordt geboden zich te onthouden van iedere vorm van aanzegging, executie of incasseren aan of ten laste van [appellant] op grond van het Vonnis, voor zover dit betrekking heeft op de beweerdelijk reeds verbeurde dwangsommen op grond van 5.3. van het Vonnis. Voor het overige zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.

proceskosten

4.12. Nu beide partijen in eerste aanleg (nog steeds) deels als de in het ongelijk gestelde partij zijn te beschouwen, ziet het hof geen aanleiding voor een andere proceskostenveroordeling in eerste aanleg dan uitgesproken in het bestreden vonnis.

Als de in het principaal appel grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten van het principaal appel.

Nu partijen in het incidenteel appel over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten in het incidenteel worden gecompenseerd zoals in het dictum vermeld.

5. De uitspraak

Het hof:

in het principaal en incidenteel appel

vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Roermond van 26 april 2011, voor zover [geintimeerde] daarin wordt geboden om zich te onthouden van iedere vorm van aanzegging, executie of incasseren van dwangsommen aan of ten laste van [appellant], op grond van het Vonnis, voor zover dit betrekking heeft op de beweerdelijk reeds verbeurde dwangsommen op grond van 5.3. van het Vonnis, totdat in een bodemzaak omtrent deze verbeurte zal zijn beslist;

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank Roermond van 26 april 2011 voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel, welke kosten aan de zijde van [geintimeerde] worden begroot op € 284,-- aan verschotten en € 1.737,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

compenseert de kosten van het incidenteel appel in die zin, dat iedere partij de eigen kosten

draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.B. Beekhoven van den Boezem, L.R. van Harinxma thoe Slooten en P.M. Arnoldus-Smit en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 mei 2012.