Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW6253

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
20-003368-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2011:BR5052, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:964, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, onder invloed van alcohol, een verkeersongeval veroorzaakt, tengevolge waarvan een fietser is overleden, terwijl de schuld bestond in roekeloosheid. Volgt veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en een rijontzegging voor de duur van 8 jaar alsmede verbeurdverklaring van de auto.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6, geldigheid: 2012-04-03
Wegenverkeerswet 1994 8, geldigheid: 2012-04-03
Wegenverkeerswet 1994 7, geldigheid: 2012-04-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003368-11

Uitspraak : 3 april 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van

16 augustus 2011 in de strafzaak met parketnummer 02-800457-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1989],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 HVB te Vught,

waarbij:

- verdachte ter zake van “doodslag” en “overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wegenverkeerswet” werd veroordeeld tot:

o een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

o een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 6 jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd geweest;

- de in beslag genomen personenauto verbeurd werd verklaard.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte voor de onder 1. primair en 2. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- de verdachte voor de onder 1. primair en 2. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van tien jaren;

- de in beslag genomen auto verbeurd zal verklaren.

De verdediging heeft bepleit dat:

- het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep;

- het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging;

- verdachte zal worden vrijgesproken van het hem onder 1. primair ten laste gelegde;

- een gevangenisstraf van meer dan één jaar niet geïndiceerd is.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het hoger beroep, aangezien sprake is van een onaanvaardbare schending van het vertrouwensbeginsel en er gehandeld is in strijd met de beginselen van een goede procesorde. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het openbaar ministerie aanvankelijk beloofde het appel in te trekken wanneer verdachte zijn hoger beroep zou intrekken, terwijl toen verdachte aangaf zijn hoger beroep te willen intrekken werd medegedeeld dat het hoger beroep van de officier van justitie niet zou worden ingetrokken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

A.2

Beginselen van een goede procesorde brengen mee dat de voor het justitiële beleid verantwoordelijke organen niet handelen naar willekeur, doch – tenzij zwaarwichtiger belangen zich daartegen zouden verzetten – zijn gebonden aan jegens de verdachte gedane toezeggingen, welke bij laatstgenoemde gerechtvaardigde verwachtingen hebben opgewekt.

A.3

In aanmerking genomen dat het hoger beroep door verdachte zelf niet is ingetrokken, kon bij verdachte niet de gerechtvaardigde verwachting bestaan dat het hoger beroep van de officier van justitie zou worden ingetrokken.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer in zoverre.

B.1

Namens de verdachte is voorts ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging, omdat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een goede procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekort gedaan en dat voor zover sprake zou zijn van schending van andere belangen dan die van verdachte, geldt dat het gaat om zeer fundamentele inbreuken in die zin dat zij de grondslagen van het strafproces in de kern raken. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat het openbaar ministerie heeft verzuimd toxicologisch onderzoek te verrichten op het lichaam van het slachtoffer, met name gericht op het bloed/alcohol gehalte, terwijl dit van belang is voor enig in het strafproces te nemen beslissing en dit verzuim niet kan worden hersteld.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2

Het hof stelt voorop dat het openbaar ministerie en de politie niet krachtens enige rechtsregel gehouden zijn toxicologisch onderzoek te verrichten op het lichaam van het slachtoffer. Bijgevolg levert het niet verrichten van toxicologisch onderzoek niet het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven of ongeschreven vormvoorschriften op. Het bepaalde bij artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering mist derhalve toepassing.

B.3

Naar het oordeel van het hof zijn geen omstandigheden gesteld of (anderszins) aannemelijk geworden die de stelling zouden kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan dan wel van schending van fundamentele, de grondslagen van het strafproces rakende, beginselen.

B.4

Bijgevolg verwerpt het hof ook dit onderdeel van het verweer.

Gelet op het vorenstaande is de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie niet aan de orde.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. primair

hij op of omstreeks 24 april 2011 te Breda, althans in Nederland, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet rijdend in een personenauto onder invloed van een zeer grote/aanzienlijke/aanmerkelijke hoeveelheid alcoholhoudende drank, en/of

- rijdend met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan, althans een (veel) te hoge snelheid gelet op de (verkeers)situatie ter plaatse, en/of

- de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk met (nagenoeg) onverminderde en/of (veel) te hoge snelheid naderend en/of oprijdend en/of overrijdend,

die [slachtoffer] en/of haar fiets op/nabij voornoemde kruising en/of met (zeer) hoge snelheid aangereden, (mede) ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 24 april 2011 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg (Crogtdijk/Terheijdenseweg/

Nieuwe Kadijk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval in hoge, althans aanzienlijke mate onvoorzichtig en/of onachtzaam en of onnadenkend en/of ondeskundig terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank, althans (kort) na het inwendig gebruik van een (te grote) hoeveelheid alcohol en/of terwijl hij, verdachte, pas sinds relatief korte tijd bevoegd was een personenauto te besturen (en derhalve is aan te merken als beginnend bestuurder), met dat door hem bestuurde motorrijtuig over die Crogtdijk/ Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk te rijden

- met een (zeer) hoge snelheid, althans een snelheid van ongeveer 112 tot 130 kilometer per uur, althans een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of gelet op de verkeerssituatie passend was en/of

- vervolgens (met (nagenoeg) onverminderde snelheid) het kruispunt Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk op te rijden en/of (vervolgens) in botsing te komen met [slachtoffer] en/of haar fiets, althans tegen [slachtoffer] en/of haar fiets aan te rijden, (mede) waardoor die [slachtoffer] is gedood,

zulks terwijl aan verdachte op 15 juli 2008, althans voor het eerst op of na 30 maart 2002, een rijbewijs was afgegeven en sedert de datum van eerste afgifte van het rijbewijs nog geen vijf jaren zijn verstreken, en verdachte derhalve is te kwalificeren als beginnend bestuurder en/of

zulks terwijl verdachte toen daar dat motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed, althans van hem verdachte, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,26 milligram, in ieder geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

2.

hij op of omstreeks 24 april 2011 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op/nabij de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden een ander (te weten [slachtoffer]) is gedood, althans aan voornoemde [slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

C.1

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het onder 1. primair ten laste gelegde, te weten – kort weergegeven – doodslag.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.2

Uit de voorhanden bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte de intentie had

[slachtoffer] van het leven te beroven noch dat het opzet van verdachte onvoorwaardelijk gericht was op het van het leven beroven van die [slachtoffer].

C.3

Het hof ziet zich aldus gesteld voor de vraag of verdachte in voorwaardelijke zin opzet had op het van het leven beroven van [slachtoffer].

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [slachtoffer] – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

C.4

Het hof heeft uit het voorhanden bewijs niet de overtuiging bekomen dat verdachte ten tijde van zijn handelen de kans, dat hij als gevolg van zijn handelen betrokken zou raken bij een aanrijding ten gevolge waarvan een ander zou komen te overlijden, bewust heeft aanvaard. Bij dat oordeel heeft het hof in aanmerking genomen dat uit het onderzoek ter terechtzitting en het dossier naar voren komt dat:

- verdachte de rem van de door hem bestuurde auto heeft aangetikt op het moment dat het verkeerslicht nog rood licht uitstraalde;

- verdachte verklaarde daar regelmatig te hebben gereden en te weten dat zich aldaar sensoren in het wegdek bevinden die na registratie van een passerend voertuig het verkeerslicht, indien er geen verkeer van de zijwegen komt, op groen zal zetten;

- het verkeerslicht vervolgens op groen sprong en dat het verkeerslicht groen licht uitstraalde toen verdachte de kruising is opgereden;

- verdachte meende dat de kruising leeg was.

Gelet hierop heeft verdachte zich niet willens en wetens blootgesteld aan de kans dat hij als gevolg van zijn handelen betrokken zou raken bij een aanrijding ten gevolge waarvan een ander zou komen te overlijden. De omstandigheid dat verdachte verkeerde onder de invloed van alcoholhoudende drank maakt dat niet anders. Aldus is er evenmin sprake van voorwaardelijk opzet.

C.5

Het hof acht op grond van het vorenstaande niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 24 april 2011 te Breda als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg (Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van alcoholhoudende drank, en terwijl hij, verdachte, pas sinds relatief korte tijd bevoegd was een personenauto te besturen en derhalve is aan te merken als beginnend bestuurder, met dat door hem bestuurde motorrijtuig over die Crogtdijk/ Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk te rijden

- met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en

- vervolgens met (nagenoeg) onverminderde snelheid het kruispunt Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk op te rijden en vervolgens tegen [slachtoffer] en haar fiets aan te rijden, waardoor die [slachtoffer] is gedood,

zulks terwijl aan verdachte op 15 juli 2008 een rijbewijs was afgegeven en sedert de datum van eerste afgifte van het rijbewijs nog geen vijf jaren zijn verstreken, en verdachte derhalve is te kwalificeren als beginnend bestuurder en

zulks terwijl verdachte toen daar dat motorrijtuig (personenauto) heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,26 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

2.

hij op 24 april 2011 te Breda als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de kruising Crogtdijk/Terheijdenseweg/Nieuwe Kadijk, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist een ander, aan [slachtoffer] letsel en/of schade was toegebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

D.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

E.1.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de gedragingen van verdachte zijn te kwalificeren als onachtzaam, wat hoort te leiden tot een bewezenverklaring van het onder 1. subsidiair bewezen verklaarde feit.

E.2

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van de voorhanden bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat door het rijgedrag van verdachte een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Het hof is van oordeel dat het geheel van de gedragingen van verdachte kan worden aangemerkt als roekeloos.

Van roekeloosheid is sprake bij zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico’s zijn genomen, waarbij op zeer lichtzinnige wijze ervan wordt uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren. Roekeloosheid vereist een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid.

Het hof is van oordeel dat daarvan in dit geval sprake is geweest. De verdachte heeft in ernstige mate de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 70 km/u overschreden door met een gemiddelde snelheid tussen 112 en 130 kilometer per uur te rijden en vervolgens met (nagenoeg) onverminderde snelheid een kruising op te rijden, terwijl hij beginnend bestuurder was en het alcoholgehalte van verdachtes bloed 1,26 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn. De verdachte heeft hiermee onaanvaardbare risico’s genomen.

Gelet op het voorgaande kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte het onder 1. subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, van deze wet.

Het onder 2. bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

F.1

Op grond van de argumenten die ten grondslag lagen aan het ontvankelijkheidsverweer heeft de verdediging betoogd dat strafvermindering dient te volgen. Het hof verwerpt dit verweer op dezelfde gronden als gehanteerd bij de verwerping van deze onderdelen van het ontvankelijkheidsverweer onder B.

F.2

Het hof heeft bewezen verklaard – zakelijk weergegeven – dat de verdachte, terwijl hij verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden, terwijl de gedraging van verdachte als roekeloos rijgedrag wordt aangemerkt, en aan het verlaten van de plaats van het ongeval.

De rechtbank heeft verdachte ter zake van doodslag en het verlaten van de plaats van het ongeval een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van 6 jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd geweest, opgelegd.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof ter zake van doodslag en het verlaten van de plaats van het ongeval de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren.

De verdediging heeft bepleit dat een gevangenisstraf van meer dan één jaar niet geïndiceerd is.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat ten gevolge van het aan de schuld van de verdachte te wijten ongeval [slachtoffer] is komen te overlijden, als gevolg waarvan groot leed en verlies is toegebracht aan de familie en naaste omgeving van het jonge slachtoffer die zich geconfronteerd zagen met de dood van een dierbare;

- de roekeloze aard van de gedragingen van verdachte en de omstandigheid dat hij zich geen rekenschap heeft gegeven van de veiligheid van de andere weggebruikers;

- de mate waarin de door de wetgever gestelde norm van hoeveelheid alcohol per milliliter bloed voor beginnend bestuurder met het bewezen verklaarde is overschreden;

- de omstandigheid dat verdachte zich direct na het ongeval niet heeft bekommerd om het slachtoffer, maar kennelijk enkel oog heeft gehad voor zijn eigen persoonlijke situatie.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.

13 februari 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld.;

- de inhoud van het hem betreffend reclasseringsadvies d.d. 20 juli 2011;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van behoorlijke duur met zich brengt. Voorts zal het hof mede ter bescherming van de verkeersveiligheid aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

Het hof heeft wat betreft de duur van de op te leggen straffen aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Aan de hand daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren tot uitgangspunt genomen.

In het onderhavige geval is echter sprake van een strafverhogende omstandigheid, te weten: de omstandigheid dat op 24 april 2011 nog geen vijf jaren waren verstreken na de eerste afgifte van het rijbewijs aan verdachte, zodat hij meer dan zes keer de toegestane hoeveelheid alcohol, zijnde 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed, in zijn bloed had.

Gelet daarop is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van voormelde duur; een verhoging daarvan ligt in de rede. Daarom kan niet worden volstaan met straffen als opgelegd door de eerste rechter. Het hof zal dan ook een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht jaar opleggen.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht.

Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1. subsidiair en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1. subsidiair en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1. subsidiair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) jaren.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een zwarte personenauto, Volkswagen Golf TDI, kenteken [kenteken].

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. S.C. van Duijn, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 3 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. K. van der Meijde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.