Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW4224

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
11-00507
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft bij brief van 11 augustus 2010 bij de Rechtbank Middelburg beroep ingesteld tegen de uitspraken van 7 juli 2010. De Rechtbank Middelburg heeft partijen bij brief van 17 augustus 2010 medegedeeld dat het beroepschrift is ontvangen. Bij brief van 25 januari 2011 heeft de Rechtbank Breda partijen in kennis gesteld van de ontvangst van het beroep van belanghebbende vanuit de Rechtbank Middelburg. De Rechtbank Breda heeft het beroep ter zitting van 16 juni 2011 behandeld en op 29 juni 2011 uitspraak gedaan. Ambtshalve oordeelt het Hof ’s-Hertogenbosch dat Rechtbank Breda niet bevoegd was om uitspraak te doen. Op grond van artikel 27s van de Algemene wet inzake rijksbelastingen verklaart het Hof de onbevoegdheid voor gedekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/1441 met annotatie van van derVoort Maarschalk
FutD 2012-1294
V-N Vandaag 2012/1186
V-N 2012/37.31.7
Belastingblad 2012/432

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00507

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

X, wonende te Y, gemeente YY,

hierna: belanghebbende

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 29 juni 2011, nummer AWB 11/399 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de directeur van SaBeWa, zijnde de door het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling SaBeWa te Middelburg aangewezen ambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle en Tholen, hierna ook wel aan te duiden als: de Heffingsambtenaar,

betreffende de in één geschrift vervatte uitspraken van de Heffingsambtenaar van 7 juli 2010 (hierna: de uitspraken van 7 juli 2010) op de in één geschrift vervatte bezwaren van belanghebbende tegen de bij beschikking voor de Wet waardering onroerende zaken vastgestelde waarde van de onroerende zaak, gelegen aan A-straat 1 te Y (hierna: de onroerende zaak), per de waardepeildatum 1 januari 2009 voor het tijdvak van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 en de tegelijkertijd in één geschrift bekendgemaakte, ter zake van de onroerende zaak voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen.

Onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 maart 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, alsmede de Heffingsambtenaar.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 6 april 2012, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

Gronden

Vooraf en ambtshalve

1. Belanghebbende heeft bij brief van 11 augustus 2010 bij de Rechtbank Middelburg beroep ingesteld tegen de uitspraken van 7 juli 2010. De Rechtbank Middelburg heeft partijen bij brief van 17 augustus 2010 medegedeeld dat het beroepschrift is ontvangen. Bij brief van 25 januari 2011 heeft de Rechtbank partijen in kennis gesteld van de ontvangst van het beroep van belanghebbende vanuit de Rechtbank Middelburg. De Rechtbank heeft het beroep ter zitting van 16 juni 2011 behandeld en op 29 juni 2011 uitspraak gedaan, waartegen belanghebbende bij het Hof hoger beroep heeft ingesteld.

2. Ten tijde van het door belanghebbende tegen de uitspraken van SaBeWa ingestelde beroep was SaBeWa gevestigd te Goes. Op grond van artikel 8:7, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hiena: Awb) is, voor zover hier van belang, indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een gemeenschappelijk orgaan, dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan dat orgaan zijn zetel heeft, bevoegd. Aangezien SaBeWa ten tijde van het door belanghebbende - op 11 augustus 2010 - ingestelde beroep gevestigd was te Goes, is de Rechtbank Middelburg aan te merken als de rechtbank, die bevoegd is om het beroep inhoudelijk te behandelen. De in hoger beroep bestreden uitspraak is gedaan door een andere rechtbank (Breda) dan de bevoegde (Middelburg). Nu uit het Aanwijzingsbesluit nevenzittingsplaats rijksbelastingzaken rechtbank, St.crt. 2008, 157, p. 19 niet volgt, dat Rechtbank Breda bevoegd was dient allereerst (ambtshalve) de vraag te worden beantwoord of het Hof, ondanks de hier aan de orde komende onbevoegdheid, de zaak inhoudelijk in hoger beroep mag behandelen.

3. Artikel 27s van de Algemene wet inzake rijksbelastingen geeft het Hof in hoger beroep de bevoegdheid om, indien het meent dat de uitspraak is gedaan door een andere rechtbank dan de bevoegde, die onbevoegdheid voor gedekt te verklaren en de uitspraak aan te merken als bevoegdelijk gedaan. Deze bevoegdheid is het Hof verleend ter voorkoming van nodeloze en door partijen niet gewenste vertraging in de afdoening der zaak, derhalve met het oog op een effectieve beslechting van het geschil.

4. In de gedingstukken en ter zitting bij het Hof hebben partijen geen grieven ingebracht tegen de omstandigheid dat niet de Rechtbank Middelburg maar de Rechtbank (Breda) de zaak heeft behandeld. Voorts heeft belanghebbende ter zitting aangevoerd, dat hij al zo'n lange weg heeft moeten volgen om tot een vermindering van de initieel door de Heffingsambtenaar bepaalde waarde € 583.000 tot thans € 540.000 te komen. Het Hof is, gelet op de hier geschetste omstandigheden, van oordeel dat in dit geval geen der partijen gebaat is bij een vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing van het geding naar de Rechtbank Middelburg op grond van de geconstateerde onbevoegdheid en het Hof verklaart om die reden de onbevoegdheid voor gedekt en merkt de uitspraak van de Rechtbank als zijnde bevoegdelijk gedaan aan.

Ten aanzien van het geschil

5. In geschil is primair of partijen ter zitting bij de Rechtbank bij compromis

overeenstemming hebben bereikt, waarbij met de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak op een bedrag van € 540.000 en een vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 238 het tussen hen bestaande geschil is beëindigd.

6. Belanghebbende is van mening dat hij thans geconfronteerd wordt met bepaalde

formuleringen van de Rechtbank die hem niet duidelijk zijn, en dat geen sprake is van een reëel compromis. Belanghebbende stelt dat bij de Rechtbank uitgegaan is van waarden van eerdere jaren, die hoger zijn dan die van het jaar 2010. Voorts klaagt belanghebbende erover dat de Rechtbank geen vergoeding van een nota van zijn taxateur heeft verleend en daarnaast dat aan hem geen schadevergoeding voor het door hem geleden rentenadeel is toegekend.

7. De Heffingsambtenaar heeft in zijn verweerschrift bij het Hof zijn verbazing uitgesproken over het door belanghebbende ingestelde hoger beroep. Naar zijn mening hebben partijen in goed overleg bij de Rechtbank een compromis bereikt. In het verweerschrift schrijft de Heffingsambtenaar:

"Ter zitting is bij wijze van compromis overeenstemming bereikt over een

waarde van € 540.000,00. (...) De betrokken zitting is constructief verlopen en beide partijen hebben, in goed overleg met de rechter, water bij de wijn gedaan ten einde een compromis te vinden. (...)"

De Heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ook de proceskosten aan de orde heeft gesteld en partijen het eens zijn geworden over het bedrag van € 238 aan kosten van taxatie die de Heffingsambtenaar aan belanghebbende zou dienen te vergoeden.

8. Het Hof heeft tijdens het onderzoek ter zitting partijen gevraagd naar de gang van zaken bij de zitting bij de Rechtbank. Partijen zijn niet eenduidig in hun verklaringen over datgene wat ter zitting bij de Rechtbank is voorgevallen en besproken. Het Hof kan, bij het ontbreken van eenduidige verklaringen van partijen, voor een oordeel of al dan niet een compromis is bereikt derhalve slechts uitgaan van hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Rechtbank en het van de zitting bij de Rechtbank opgemaakte proces-verbaal. In de uitspraak van de Rechtbank is voor zover van belang overwogen:

"2.4. Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat naar hun oordeel de waarde in het economische verkeer van de woning op 1 januari 2009 nader moet worden vastgesteld op € 540.000. Partijen zijn voorts overeengekomen dat de heffingsambtenaar de griffierechten zal vergoeden alsmede de proceskosten van belanghebbende (....)."

In het proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank is vastgelegd:

"Partijen zijn het eens geworden. Zij verklaren gezamenlijk dat de waarde van de woning moet worden verminderd tot € 540.000 en dat de kosten (...) op € 238 gesteld kunnen worden."

Op grond van hetgeen in die beide stukken is vastgelegd moet het er naar het oordeel van het Hof voor worden gehouden dat partijen door een compromis het tussen hen bestaande geschil hebben opgelost.

Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt, dat partijen ter zitting bij de Rechtbank geen overeenstemming hebben bereikt. Naar het oordeel van het Hof is het hoger beroep van belanghebbende in zoverre ongegrond.

9. Belanghebbende herhaalt in hoger beroep zijn verzoek om het vergoeden van door hem geleden rentenadeel. Belanghebbende heeft ter zitting aangevoerd, dat volgens hem sprake is van een onrechtmatige daad van de Heffingsambtenaar, en hij verzoekt om proceseconomische redenen het Hof een vergoeding voor de renteschade aan hem toe te kennen, zodat hij voor deze schadevergoeding niet een procedure bij de civiele rechter hoeft in te stellen. De Heffingsambtenaar bestrijdt dat sprake is van renteschade. Nu, gelijk hiervóór in 8 overwogen, geoordeeld moet worden dat het geschil bij de Rechtbank ter zitting is beëindigd doordat partijen ter zake een compromis hebben gesloten, welk compromis geacht moet worden alle geschilpunten te omvatten, derhalve ook het geschilpunt met betrekking tot de hierbedoelde rente, en belanghebbende daarnaast de door hem gestelde schade overigens niet cijfermatig heeft onderbouwd, terwijl de Heffingsambtenaar heeft bestreden dat renteschade is geleden, komt naar het oordeel van het Hof aan belanghebbende te dezen geen schadevergoeding toe en acht het Hof het hoger beroep ook in zoverre ongegrond. Dit neemt niet weg dat het belanghebbende vrijstaat de vraag of hem ter zake een schadevergoeding toekomt, aan de civiele rechter voor te leggen.

10. Gelet op het vorenstaande moet worden beslist als hierboven vermeld.

Ten aanzien van het griffierecht

11. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat

aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

12. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P. Fortuin, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en N. van Beelen, leden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 april 2012.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 11 april 2012

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.