Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW4064

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
20-001691-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2010:BL7280, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijheid van religie en recht op scholing; inschrijving voor school in buitenland. Verenigbaarheid Leerplichtwet 1969 met EVRM (artikel 9 en 14 EVRM, artikel 2 Eerste Protocol en artikel 1 Twaalfde Protocol). Virtueel bezoek inrichting van onderwijs in buitenland levert geen ‘geregeld bezoek’ op. Vrijstellingen niet van toepassing. Veroordeling tot voorwaardelijke geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/168

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001691-10

Uitspraak : 26 april 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, van 12 maart 2010 in de strafzaak met parketnummer 02-402644-09 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres, woonplaats].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen, het ten laste gelegde zal bewezen verklaren en verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van 375 euro, subsidiair 7 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

Door en namens verdachte is bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

Ter terechtzitting van dit hof van 5 juli 2011 heeft de verdediging een pleitnota overgelegd waarin verweer wordt gevoerd op verschillende aspecten van het ten laste gelegde, leidend tot integrale vrijspraak. Op verzoek van de advocaat-generaal heeft het wetenschappelijk bureau van het Openbaar Ministerie (WBOM) een schriftelijk advies opgesteld aangaande de standpunten van de verdediging. Dit advies is vastgesteld op 18 oktober 2011. De advocaat-generaal heeft het advies doen toekomen aan het hof en aan de verdediging. Per brief met bijlage van 28 december 2011 heeft de raadsman van verdachte op het advies van het WBOM gereageerd. Per brief met bijlagen van 28 februari 2012 heeft de advocaat-generaal op die brief gereageerd. Per brief met bijlagen van 11 april 2012 heeft de verdediging de richtingbezwaren nader toegelicht. Ter terechtzitting van 12 april 2012 heeft de advocaat-generaal medegedeeld dat hij de in het advies van het WBOM ingenomen standpunten tot de zijne maakt. Waar in dit arrest wordt gesproken van het standpunt van de verdediging wordt gedoeld op het standpunt dat zij in de door haar verstrekte stukken, in onderlinge samenhang gelezen, en ter terechtzitting heeft verdedigd. Waar wordt gesproken van het standpunt van de advocaat-generaal wordt gedoeld op de in het advies van het WBOM en de schriftelijke reactie van de advocaat-generaal van 28 februari 2012, in onderlinge samenhang gelezen, en ter terechtzitting ingenomen standpunten.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 september 2009 tot en met 12 januari 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, terwijl zij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere(n) [kind A], geboren [geboortedatum kind A], en/of [kind B], geboren op [geboortedatum kind B], althans terwijl zij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere(n) had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere(n), als leerling(en) van een school, was/waren ingeschreven, zijnde de terminologie in deze tenlastelegging -voor zover daaraan betekenis is gegeven- gebezigd in de zin van de Leerplichtwet 1969;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht leiden:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 september 2009 tot en met 12 januari 2010 te [plaats], in de gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland en/of te Michigan (Verenigde Staten), meermalen, althans eenmaal, terwijl zij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere(n) [kind A], geboren [geboortedatum kind A], en/of [kind B], geboren op [geboortedatum kind B], althans terwijl zij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere(n) had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere(n), als leerling(en) van een school, was/waren ingeschreven en/of die als leerling(en) van een school, te weten de "Clonlara School", was/waren ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezocht(en), zijnde de terminologie in deze tenlastelegging -voor zover daaraan betekenis is gegeven- gebezigd in de zin van de Leerplichtwet 1969.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 7 september 2009 tot en met 12 januari 2010 te [plaats], gemeente [gemeente], terwijl zij als degene die het gezag uitoefende over de jongeren [kind A], geboren [geboortedatum kind A], en [kind B], geboren op [geboortedatum kind B], niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren als leerlingen van een school waren ingeschreven.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de verdediging is vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft zij zich beroepen op artikel 5 van de Leerplichtwet 1969 (hierna verder: Lpw). Op grond van die bepaling geldt voor de in beginsel inschrijvingsplichtige personen op verschillende gronden vrijstelling van die verplichting. Daardoor kan volgens de verdediging niet worden bewezen verklaard dat niet aan de voorwaarden van de vrijstelling is voldaan, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Het hof merkt op dat aan een beroep op vrijstelling artikel 6, eerste lid, Lpw de formele eis verbindt van kennisgeving aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de basisadministratie is ingeschreven. Deze kennisgeving dient te specificeren voor welke jongeren en op welke grond de inschrijvingsplichtige meent aanspraak te mogen maken op vrijstelling.

Vrijstelling op grond van richtingbezwaren

Door de verdediging is een beroep gedaan op artikel 5, aanhef en onder b., Lpw. Op grond van die bepaling geldt, voor zover in deze strafzaak van belang, voor de in beginsel inschrijvingsplichtige personen vrijstelling van die verplichting zolang zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben.

Artikel 8, eerste lid, Lpw eist dat bij een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b. Lpw de kennisgeving als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Lpw de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan. Artikel 8, tweede lid, Lpw bepaalt vervolgens dat deze verklaring niet geldig is, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit.

Voor zover verdachte artikel 8, tweede lid, Lpw zou worden tegengeworpen, heeft de verdediging zich beroepen op strijdigheid van deze bepaling met artikel 9 en 14 van het EVRM en artikel 2 van het eerste Protocol bij het EVRM (hierna verder: P1 EVRM). Zakelijk weergegeven komt dit beroep erop neer dat met de beperking die artikel 8, tweede lid, Lpw aanbrengt op de mogelijkheid een beroep te doen op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op de vrijheid van godsdienst (artikel 9 EVRM), ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt bij het waarborgen van die vrijheid van godsdienst (artikel 14 EVRM) dan wel een inbreuk wordt gemaakt op de eerbiediging van de godsdienstige overtuiging van ouders bij het verzekeren van het recht op onderwijs. In het bijzonder zou verdachte worden beperkt in haar vrijheid van religie te veranderen in die zin dat zij scherper wordt in haar overtuiging. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat inbreuk wordt gemaakt op artikel 1 van het Twaalfde Protocol van het EVRM (hierna verder: P12 EVRM), het (anders dan dat van artikel 14 EVRM) zelfstandige verbod op discriminatie, onder meer op grond van godsdienst. Artikel 8, tweede lid, Lpw zou als gevolg daarvan buiten toepassing moeten blijven, zodat verdachte onverkort een beroep zou toekomen op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat verdachte geen beroep toekomt op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw. Artikel 8, tweede lid, Lpw komt niet in strijd met verdragsrechtelijke verplichtingen en behoeft niet buiten toepassing te worden gelaten. Het ten laste gelegde kan derhalve worden bewezen verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 februari 2011 (LJN BM6898) overwogen dat artikel 8, tweede lid, Lpw geen inbreuk maakt op artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM. Het oordeel van de Hoge Raad komt er in de kern op neer dat vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw verder gaat dan de genoemde verdragsbepalingen vereisen. Het staat de inschrijvingsplichtige als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Lpw immers vrij de jongere, indien binnen redelijke afstand geen school is te vinden waartegen geen richtingbezwaren bestaan, elders in het land voor een school in te schrijven of zelf een dergelijke school op te richten, dan wel om hem na schooltijd en in het weekend onderwijs te laten volgen dat in overeenstemming is met zijn levensbeschouwing. Anders gezegd: vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw is niet cruciaal voor eerbiediging van artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM. De Hoge Raad verbindt aan dat oordeel de conclusie dat artikel 8, tweede lid, Lpw evenmin inbreuk maakt op bedoelde verdragsbepalingen.

Het hof is evenwel van oordeel dat de conclusie, die het hof onderschrijft, dat vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw niet vereist is om de vrijheid van religie als bedoeld in artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM te garanderen, niet afdoet aan de mogelijk (zelfstandige) strijdigheid met die verdragsbepalingen van artikel 8, tweede lid, Lpw. In het onderhavige geval levert echter naar het oordeel van het hof ook de beperking van artikel 8, tweede lid, Lpw van de vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw zelf geen inperking van genoemde verdragsrechten op en is van een inbreuk op de vrijheid van religie, al dan niet in het kader van scholing zoals bedoeld in artikel 2 P1 EVRM, geen sprake. Het staat eenieder, ook verdachte, vrij om van religie te veranderen of scherper in zijn of haar overtuiging te worden. Het gevolg daarvan, althans waar zich die verandering uit in een richtingbezwaar dat eerder kennelijk niet bestond, is enkel dat geen succesvol beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw mogelijk is. De onmogelijkheid daartoe staat er echter niet aan in de weg het religierecht ten volle uit te oefenen. Nog steeds staat het de inschrijvingsplichtige immers vrij om de jongere zelf aanvullend onderwijs te geven, hem op een andere school (al kan die op grotere afstand zijn gelegen) te plaatsen dan wel zelf een school op te richten. Van enige daadwerkelijke beperking van door artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM beschermde rechten en vrijheden is derhalve geen sprake. Slechts indien al deze alternatieve mogelijkheden op zichzelf en gecombineerd onvoldoende tegemoet komen aan de eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging en in die zin dus bezwaarlijk zijn, zou het niet toestaan van thuisonderwijs een inbreuk op artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM kunnen impliceren. Het is naar het oordeel van het hof echter aan de verdediging om geadstrueerd en aannemelijk uiteen te zetten dat en waarom de genoemde alternatieve mogelijkheden feitelijk dermate tekortschieten dat niet aan de eisen van de eigen godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging tegemoet wordt gekomen. In het onderhavige geval is dat niet gebeurd, zodat dit onderdeel van het verweer faalt.

De verdediging heeft voorts een beroep gedaan op artikel 14 EVRM. Dat artikel verbiedt het maken van ongerechtvaardigd onderscheid bij de waarborging van de in het EVRM gegarandeerde basisrechten. In de onderhavige strafzaak zou de wetgever met artikel 8, tweede lid, Lpw ongerechtvaardigd onderscheid hebben gemaakt tussen jongeren, in het bijzonder jongeren uit hetzelfde gezin, van wie de ene wel en de andere niet van de vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw kan profiteren. Ten aanzien van het oudere kind, dat reeds eerder ingeschreven is geweest voor een school waartegen bedenkingen bestaan, kan de inschrijvingsplichtige zich niet langer beroepen op vrijstelling, terwijl dat ten aanzien van jongere kinderen uit hetzelfde gezin in voorkomende gevallen dan wel mogelijk is.

Hiervoor zette het hof reeds zijn oordeel uiteen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een beperking van de door artikel 9 EVRM en artikel 2 P1 EVRM gegarandeerde rechten. Op de eerder uiteengezette gronden kan niet worden gezegd dat van enige daadwerkelijke beperking sprake is. Gevolg van artikel 8, tweede lid, Lpw is ontegenzeggelijk dat in bepaalde gezinnen de ene jongere wel en de andere jongere niet onder vrijstelling valt. Dit onderscheid is evenwel terug te voeren op een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Reeds omdat geen sprake is van gelijke gevallen, het ene kind is immers eerder ingeschreven geweest voor een school waartegen bedenkingen bestaan, het andere is dat niet, valt niet in te zien waarom het onderscheid in strijd zou komen met artikel 14 EVRM. Daarbij is opnieuw relevant dat de inschrijvingsplichtige voor de jongere ten aanzien van wie geen beroep kan worden gedaan op artikel 5 onder b. Lpw, de eerder genoemde alternatieven kan benutten. Van enig ongerechtvaardigd onderscheid is naar het oordeel van het hof geen sprake, zodat ook dit onderdeel van het verweer dient te worden verworpen.

De verdediging heeft ten slotte een beroep gedaan op artikel 1 P12 EVRM. Daartoe is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat met een inhoudelijke beoordeling van de richting onderscheid wordt gemaakt op de enkele grond van de inhoud van de opvattingen van verdachte over schoolonderwijs of andere zaken, zonder dat daar een objectieve rechtvaardiging voor bestaat.

Voor zover de verdediging haar beroep op artikel 1 P12 EVRM baseert op de stelling dat de strafrechter de bedenkingen tegen de richting van een school in die zin inhoudelijk beoordeelt dat ook het gewicht van die bezwaren wordt beoordeeld, mist het verweer feitelijke grondslag. Zoals reeds door de Hoge Raad in zijn arrest van 19 februari 1980, NJ 1980, 190, is duidelijk gemaakt, en is herhaald in zijn arrest van 30 oktober 2001, LJN AB2946, treedt de rechter niet in het gewicht van de tegen een school opgeworpen bezwaren. Wel dient de rechter te onderzoeken of de bezwaren de richting van het onderwijs betreffen. Voor zover het verweer ook het onderzoek van de richting van de bezwaren in strijd acht met artikel 1 P12 EVRM dient het te worden verworpen. Voor zover daarmee al onderscheid als bedoeld in die bepaling wordt gemaakt, is dat onderscheid inherent aan het door de wetgever gekozen systeem van leerplicht met beperkte mogelijkheden van vrijstelling op grond van richtingbezwaren, en daarmee aan te merken als een gerechtvaardigd onderscheid. Indien de opvatting van de verdediging zou worden gevolgd, zou het gevolg zijn dat het beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw aan enige rechterlijke controle is onttrokken. Het is evident dat dit niet de bedoeling van de wetgever is geweest. Evenmin dwingt enige internationaalrechtelijke bepaling tot een dergelijk oordeel. Op het voorgaande stuit ook af de stelling van de verdediging dat voor een onderzoek naar de vraag of de bezwaren de richting van de school betreffen geen wettelijke grondslag bestaat. Deze bestaat, gezien het hiervoor overwogene wel degelijk, zij het niet zo expliciet als de verdediging kennelijk, maar ten onrechte, noodzakelijk acht.

De door de raadsman, in zijn pleitnota en in zijn schriftelijke reactie op het advies van het WBOM, onder punt 1. tot en met 14. geformuleerde argumenten ter onderbouwing van het standpunt van de verdediging dat artikel 8, tweede lid, Lpw buiten toepassing moet blijven, zouden niet tot een ander oordeel over de hiervoor besproken verweren hebben geleid.

Het hof verwerpt het verweer.

Nu de kinderen van verdachte in het jaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de ten laste gelegde periode valt, geplaatst zijn geweest op een school van de richting waartegen bedenkingen worden geuit, is de verklaring als bedoeld in artikel 8, eerste lid, Lpw ingevolge artikel 8, tweede lid, Lpw niet geldig en komt verdachte geen beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw toe.

Vrijstelling op grond van inschrijving buiten Nederland

De verdediging heeft ook een beroep gedaan op artikel 5, aanhef en onder c., Lpw. Op grond van die bepaling geldt voor de in beginsel op grond van artikel 2, eerste lid, Lpw tot inschrijving verplichte personen vrijstelling van die verplichting zolang de jongere als leerling van een inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt. Op grond van artikel 9 Lpw kan slechts een beroep worden gedaan op de hier bedoelde vrijstelling ‘indien bij de kennisgeving een verklaring is overgelegd van het hoofd van de inrichting van onderwijs waaruit blijkt, dat de jongere als leerling van deze inrichting staat ingeschreven en haar geregeld bezoekt’.

De verdediging heeft zich op deze vrijstellingsbepaling beroepen op grond van de inschrijving van de kinderen van verdachte als leerling bij de Clonlaraschool. Deze school is gevestigd in de staat Michigan in de Verenigde Staten en door die staat geaccrediteerd. De Clonlaraschool biedt onderwijs op afstand aan. Zij beschouwt de ouders of verzorgers als de primair aangewezen leraren (‘primary teachers’). De ouders worden daarbij ondersteund door adviseurs (‘advisors’) van de Clonlaraschool. Tegen meerprijs kunnen kinderen voor bepaalde cursussen afstandsonderwijs volgen. Door de verdediging is aangevoerd dat met deze inschrijving is voldaan aan de vereisten die aan de vrijstelling worden gesteld. Door de school is immers een ‘verification of attendance’ afgegeven, zodat aan artikel 9 Lpw is voldaan. Een nadere beoordeling van de voorwaarde van geregeld bezoek is volgens de verdediging niet aangewezen. Bijgevolg kan niet worden bewezen verklaard dat niet aan de voorwaarden van bedoelde vrijstelling is voldaan en zou verdachte dienen te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de Clonlaraschool geen school of inrichting van onderwijs is als bedoeld in artikel 5 onder c. en artikel 9 Lpw en dat internetonderwijs geen onderwijs is als bedoeld in die artikelen. De vraag of verdachte zich kan beroepen op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder c. Lpw door inschrijving van haar kinderen bij een onlineschool dient ontkennend te worden beantwoord.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de Clonlaraschool als school of inrichting van onderwijs als bedoeld in artikel 5 onder c. en 9 Lpw kan worden beschouwd. De Clonlaraschool is naar het oordeel van het hof, gelet op de definitie daarvan, geen school in de zin van artikel 1 onder b. Lpw. De tekst van de wet hanteert evenwel de term ‘inrichting van onderwijs’. Daarmee is de vraag of inschrijving bij de Clonlaraschool grond voor vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder c. Lpw kan zijn, niet afhankelijk van de vraag of zij onder de definitie van een ‘school’ is te scharen. De wet definieert niet wat onder een ‘inrichting van onderwijs’ dient te worden verstaan. Het hof is van oordeel dat hetgeen het hof bekend is over de Clonlaraschool geen aanleiding vormt te oordelen dat zij geen inrichting van onderwijs is.

Voor een beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder c. Lpw is na inschrijving het geregeld bezoeken van de inrichting van onderwijs buiten Nederland voorwaarde voor vrijstelling. Indien of zodra de jongere de school in het buitenland niet (langer) geregeld bezoekt, kan geen beroep worden gedaan op vrijstelling. Dientengevolge geldt dan onverkort de inschrijvingsplicht en bezoekplicht (van een school in Nederland) van artikel 2, eerste lid, Lpw. Het niet geregeld bezoeken van de school buiten Nederland kan derhalve niet als zelfstandig strafbaar feit worden vervolgd, maar maakt (als voorwaarde voor vrijstelling) onderdeel uit van de beoordeling van het niet inschrijven of bezoeken van een school in Nederland.

Het hof dient de vraag te beantwoorden of er ruimte is voor toetsing van de voorwaarde van geregeld bezoek als bedoeld in artikel 5 onder c. Lpw indien door de school in het buitenland een verklaring als bedoeld in artikel 9 Lpw is afgegeven. Naar het oordeel van het hof dient die vraag bevestigend te worden beantwoord. De eis van artikel 9 Lpw geldt weliswaar als voorwaarde voor een beroep op de hier relevante vrijstelling, maar sluit niet uit dat de (straf)rechter toetst of daadwerkelijk aan de voorwaarden is voldaan. Het kan naar het oordeel van het hof niet de bedoeling van de wetgever zijn dat deze toetsing aan de rechter wordt onthouden en volledig in handen wordt gelegd van de school in het buitenland. Het hof acht zich derhalve, ondanks de verklaring van de school in het buitenland, bevoegd en gehouden te toetsen of de jongere de school in het buitenland geregeld heeft bezocht.

De vraag die vervolgens voorligt betreft de interpretatie van dit geregeld bezoek. Vastgesteld moet worden dat in casu geen sprake is van enig bezoek van de school in fysieke zin. Het bezoek waarvan volgens de verdediging sprake is, kan worden aangemerkt als virtueel bezoek. Kan met dit virtueel bezoek ook worden voldaan aan de wettelijke eis van geregeld bezoek? De tekst van de wet verzet zich wellicht niet tegen een dergelijke interpretatie. Naar het oordeel van het hof dienen de achtergrond van de in artikel 5 onder c. geregelde vrijstelling en de bedoeling van de wetgever bij de interpretatie van de wet een rol te spelen. Deze achtergrond betreft de situatie van kinderen woonachtig in de grensstreek. De wetgever wilde het mogelijk maken dat die kinderen ingeschreven zouden worden voor een school in het buitenland. Het gaat dan om regulier schoolbezoek, in fysieke zin, van een inrichting van onderwijs in het buitenland. Uit niets blijkt dat de wetgever, ten tijde van de totstandkoming van bedoelde bepaling of nadien, met het geregeld bezoek van een inrichting van onderwijs in het buitenland het oog heeft gehad op virtueel bezoek. Het is bovendien onaannemelijk dat de wetgever het oog heeft gehad op virtueel onderwijs gelet op het feit dat eind jaren zestig nog geen sprake was van dergelijk onderwijs. Voorts is van belang dat de wetgever thuisonderwijs in beginsel niet mogelijk heeft willen maken. In de door de verdediging gehuldigde opvatting, wordt deze keuze doorkruist. Een inrichting van onderwijs in het buitenland kan met gesteld virtueel onderwijs immers een situatie bewerkstelligen die feitelijk gelijk is aan thuisonderwijs. Tot een dergelijke lezing dwingt de tekst van de artikelen 5 onder c. en 9 Lpw echter in het geheel niet. Indien de wetgever een constructie als de onderhavige mogelijk zou willen maken, ligt het op zijn weg om zulks door wetswijziging te bewerkstelligen. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om deze keuze voor de wetgever te maken. De maatschappelijke discussie op het vlak van scholing en de leerplicht waar zowel de verdediging als de advocaat-generaal op heeft gewezen, geven de rechter naar het oordeel van het hof des te meer aanleiding om die taak terughoudend uit te oefenen. Het hof legt de in artikel 5 onder c. opgenomen eis van geregeld bezoek derhalve uit als bezoek in fysieke zin. Niet is gebleken dat het kind van verdachte de Clonlaraschool op enig moment fysiek heeft bezocht. Het beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder c. Lpw dient derhalve te worden verworpen.

Het hof verwerpt het verweer.

Nu verdachte geen beroep op vrijstelling van de inschrijvingsverplichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Lpw toekomt, en is gebleken dat zij niet aan die verplichting heeft voldaan, zal het primair ten laste gelegd bewezen worden verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof is van oordeel dat de door verdachte gepleegde overtreding van artikel 2, eerste lid, Lpw niet onbestraft kan blijven. Het is immers niet aan de individuele ouders of verzorgers van kinderen om te bepalen of en op welke wijze hun kinderen worden onderwezen. Dat wordt niet anders indien die ouders/verzorgers daarbij handelen in de overtuiging het belang van hun kinderen te dienen, nu het een maatschappelijk belang is dat de Leerplichtwet wordt gehandhaafd. Het hof zal gelet op alle omstandigheden van het geval volstaan met een geldboete van hierna te melden hoogte in geheel voorwaardelijke vorm.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. J.F.M. Pols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. T. Kraniotis, griffier,

en op 26 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.