Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW4062

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
HD 200.076.123 E
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

belang bij hoger beroep; einde huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik; belangenafweging; tegemoetkoming in de verhuiskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.076.123

arrest van de zevende kamer van 24 april 2012

in de zaak van

[Appellante sub 1.] en

[appellant sub 2.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J.A.J. Dappers,

tegen:

[Geintimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.H. Kroon,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 14 december 2010 in het hoger beroep van de door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ’s-Hertogenbosch, onder nummer 645350/09-8481 gewezen vonnissen van 28 januari 2010, 27 mei 2010 en 1 juli 2010.

5. Het tussenarrest van 14 december 2010

Bij genoemd arrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6. Het verdere verloop van de procedure

6.1.De comparitie heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011. De geplande voortzetting van de comparitie op 18 april 2011 heeft niet plaatsgevonden. Partijen zijn niet tot een regeling gekomen en de zaak is naar de rol verwezen voor memorie van grieven.

6.2. Bij memorie van grieven hebben appellanten acht grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van hun vordering in eerste aanleg, met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties.

6.3.Bij memorie van antwoord heeft geïntimeerde de grieven bestreden. Zij heeft gevorderd ten laste van appellanten een bijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten vast te stellen van primair minimaal € 5.396,- op de voet van artikel 7:275 lid 3 en lid 4 BW, subsidiair van een door het hof te bepalen bedrag.

6.4.Partijen hebben ieder nog een akte genomen, waarbij zij producties hebben overgelegd. Vervolgens hebben zij de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

7. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

8. De verdere beoordeling

8.1. In hoger beroep kan van het volgende worden uitgegaan:

i. Appellanten hebben op 28 april 2006 de woning aan de [perceel] te [plaatsnaam], geleverd gekregen. Zij hebben de woning gekocht van de ouders van [appellante sub 1.].

ii. De benedenverdieping van de woning wordt sinds 1990 aanvankelijk aan geïntimeerde en haar echtgenoot, na het overlijden van haar echtgenoot alleen aan geïntimeerde verhuurd.

iii. Geïntimeerde is bij brief van 27 april 2006 geïnformeerd over de eigendomsoverdracht.

iv. Bij schrijven van 25 juni 2009 hebben appellanten de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2009.

v. Geïntimeerde heeft niet toegestemd in de beëindiging van de huurovereenkomst.

8.2.Appellanten hebben de huurovereenkomst opgezegd, stellende dat zij de woning zelf dringend voor eigen gebruik nodig hebben. Zij hebben in eerste aanleg gevorderd – kort gezegd – dat de rechter het tijdstip vaststelt waarop de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen en het gehuurde ontruimd dient te zijn.

8.3.In eerste aanleg heeft het geschil zich toegespitst op de vraag of geïntimeerde andere passende woonruimte kan verkrijgen. Die vraag is door de kantonrechter ontkennend beantwoord. De vordering van appellanten is in eerste aanleg afgewezen en appellanten zijn veroordeeld in de proceskosten.

8.4.Appellanten zijn hiervan in hoger beroep gekomen en hebben twee grieven tegen het tussenvonnis van 28 januari 2010 en zes grieven tegen het eindvonnis van 1 juli 2010 geformuleerd. Zij vorderen in hoger beroep toewijzing van hun vordering in eerste aanleg en veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten in beide instanties.

8.5.Aangezien appellanten geen grieven hebben geformuleerd tegen het tussenvonnis van 27 mei 2010, zijn zij in zoverre niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.

8.6.Geïntimeerde heeft verweer gevoerd, onder meer stellende dat appellanten geen belang meer hebben bij hun hoger beroep, aangezien zij de woning al verlaten heeft. Voorts heeft geïntimeerde gevorderd ten laste van appellanten een bijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten vast te stellen.

8.7.Gelet op de vergaande strekking ervan zal het hof eerst het verweer van geïntimeerde beoordelen dat appellanten geen belang meer hebben bij hun vordering. Hierbij stelt het hof het volgende voorop. Vaste rechtspraak is dat een proceskostenveroordeling voldoende belang oplevert voor het aanwenden van een rechtsmiddel. Dit heeft tot gevolg dat de hogere rechter, ook al bestaat geen belang meer bij toewijzing van de vordering, niettemin zal hebben te onderzoeken of de vordering in de lagere instantie al dan niet terecht is afgewezen, omdat hiervan het oordeel afhankelijk is wie de kosten van het geding zal hebben te dragen. Dit belang kan komen te ontbreken wanneer een proceskostenveroordeling uit de aard der zaak niet aan de orde kan komen of indien een toezegging is gedaan af te zien van inning van de in de lagere instantie uitgesproken proceskostenveroordeling.

8.8.Appellanten zijn in eerste aanleg veroordeeld in de proceskosten en hebben daartegen een grief gericht. Naar het oordeel van het hof hebben zij dan ook belang bij het hoger beroep. Niet gebleken is van omstandigheden waardoor het belang is komen te ontbreken.

8.9.Nu het verweer van geïntimeerde niet kan worden aanvaard, heeft het hof te onderzoeken of de kantonrechter de vordering van appellanten terecht heeft afgewezen. Daarbij dient het hof te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing.

8.10.De grieven van appellanten zijn alle gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat geïntimeerde geen andere passende woonruimte kan verkrijgen. Onder meer hebben appellanten aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte uitsluitend woonruimte in een straal van vier à vijf kilometer van het gehuurde als passend heeft aangemerkt en zij hebben daartoe gewezen op het ontbreken van huurwoningen en van verzorging- en verpleeghuizen in [plaatsnaam A.] en [plaatsnaam B.] en op het halfjaarlijks verblijf van geïntimeerde op een tien kilometer van [plaatsnaam A.] gelegen camping.

8.11. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Naar geïntimeerde onweersproken heeft gesteld, heeft zij in juli 2011 passende andere woonruimte aangeboden gekregen en heeft zij het aanbod aanvaard. Overigens is het hof van oordeel dat de kantonrechter ten onrechte uitsluitend woonruimte in een straal van vier à vijf kilometer als passend heeft aangemerkt. Appellanten hebben naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd dat het voor geïntimeerde mogelijk moet zijn geweest om in een ruimer gebied (waartoe ook [plaatsnaam B.], [plaatsnaam C.] en [plaatsnaam D.] behoren) tijdig andere passende woonruimte te verkrijgen. In zoverre is de beslissing in eerste aanleg dan ook onjuist; de daartegen gerichte grieven van appellanten slagen.

De vordering van appellanten kan echter niet toegewezen worden zonder alle relevante in eerste aanleg niet behandelde of behandelde maar verworpen verweren opnieuw te bezien, tenzij die verweren in hoger beroep zijn prijsgegeven.

8.12. In eerste aanleg heeft geïntimeerde – zakelijk weergegeven – de volgende verweren gevoerd:

a) de huurovereenkomst is tegen een te korte termijn opgezegd;

b) er is geen sprake van dringend eigen gebruik aan de zijde van appellanten;

c) geïntimeerde kan geen andere passende woonruimte krijgen;

d) de belangen van geïntimeerde wegen zwaarder dan die van appellanten.

Niet gebleken is dat geïntimeerde deze verweren in hoger beroep heeft prijsgegeven.

8.13.Ad a) de huurovereenkomst is tegen een te korte termijn opgezegd

Bij schrijven van 25 juni 2009 hebben appellanten de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2009. In het midden kan blijven of de huurovereenkomst hiermee tegen een te korte termijn is opgezegd, aangezien ingevolge artikel 7:271 lid 6 BW een opzegging die op een kortere termijn is gedaan dan die van lid 5 onder b niettemin geldt als was zij gedaan met inachtneming van de voorgeschreven termijn. Het verweer sub a) van geïntimeerde is ongegrond.

8.14.Ad b) er is geen sprake van dringend eigen gebruik aan de zijde van appellanten

8.14.1.Geïntimeerde heeft in eerste aanleg het volgende verweer gevoerd. Appellanten hebben zelf hun dringende situatie in de hand gewerkt door een woning te kopen die werd verhuurd. Zij kunnen ook ergens anders woonruimte vinden. Bovendien is de woning te klein voor een gezin en is het maar de vraag of de woning geschikt gemaakt kan worden voor bewoning door iemand die in een rolstoel zit, zoals [appellante sub 1.].

8.14.2.Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Dat appellanten hun dringende situatie zelf in de hand zouden hebben gewerkt en ergens anders woonruimte zouden kunnen vinden, kan naar het oordeel van het hof niet aan toewijzing van hun vordering in de weg staan. Haar stelling dat de woning te klein is voor een gezin is door geïntimeerde verder niet toegelicht of onderbouwd en ook beantwoording van haar eigen vraag of de woning geschikt kan worden gemaakt voor bewoning door iemand in een rolstoel heeft zij achterwege gelaten. Vaststaat (aangezien partijen in hoger beroep geen andere stellingen hebben betrokken) dat appellanten en hun zoon niet beschikken over eigen andere woonruimte en bij familie verblijven in een huis dat niet is aangepast aan de behoeften van [appellante sub 1.], die van een rolstoel gebruik moet maken, dat appellanten een gezin zijn gaan vormen en dat de woning al sinds de jeugd van [appellante sub 1.] eigendom is van haar familie en enige tijd gediend heeft als deel van haar ouderlijk huis. Dit alles maakt naar het oordeel van het hof dat appellanten het verhuurde dringend nodig hebben voor eigen gebruik. Het verweer sub b) van geïntimeerde is ongegrond.

8.15.Ad c) geïntimeerde kan geen andere passende woonruimte krijgen

Gelet op hetgeen hiervoor onder 8.11 is geoordeeld, hoeft het verweer sub c) geen nadere bespreking meer. Het verweer sub c) van geïntimeerde is ongegrond.

8.16. Ad d) de belangen van geïntimeerde wegen zwaarder dan die van appellanten

8.16.1.Geïntimeerde heeft zich in eerste aanleg op het standpunt gesteld dat bij een belangenafweging die van haar de doorslag geven: zij is op leeftijd, niet meer zo heel goed ter been, zij huurt de woning al sinds 1990 en zij heeft bijna 50 jaar in dezelfde buurt gewoond.

8.16.2.Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Nu is komen vast te staan dat appellanten het verhuurde dringend nodig hebben voor eigen gebruik en dat geïntimeerde over andere passende woonruimte beschikt, moet door belangenafweging worden vastgesteld of niet van appellanten kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd.

Aan de zijde van appellanten weegt het hof mee dat appellanten en hun zoon niet beschikken over eigen andere woonruimte en bij familie verblijven in een huis dat niet is aangepast aan de behoeften van [appellante sub 1.], die van een rolstoel gebruik moet maken, dat appellanten een gezin zijn gaan vormen en dat de woning al sinds de jeugd van [appellante sub 1.] eigendom is van haar familie en zelfs enige tijd gediend heeft als deel van haar ouderlijk huis. Daarnaast weegt in het voordeel van appellanten mee dat geïntimeerde inmiddels andere passende woonruimte heeft gehuurd.

Aan de zijde van geïntimeerde weegt het hof mee dat zij op leeftijd is en niet meer zo heel goed ter been, dat zij de woning al sinds 1990 huurt en dat zij bijna 50 jaar in dezelfde buurt heeft gewoond.

Naar het oordeel van het hof prevaleren de belangen van appellanten. De belangenafweging wordt niet anders door het feit dat appellanten wisten dat ze een huis kochten dat werd verhuurd of door het feit dat zij elders woonruimte zouden kunnen vinden.

8.17.Het voorgaande betekent dat de vordering van appellanten kan worden toegewezen. Het hof zal daarbij bepalen dat de huurovereenkomst eindigt per 24 april 2012 of zoveel eerder als partijen in onderling overleg zijn overeengekomen. Voor zover nodig wordt het tijdstip van ontruiming bepaald op 1 mei 2012.

8.18. Het hof acht het in de gegeven omstandigheden onredelijk de verhuizing te laten plaatsvinden zonder tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. Het hof acht het voorts in de rede liggen geïntimeerde niet slechter af te laten zijn dan in de gevallen die artikel 7:275 lid 3 BW omschrijft, nu het gaat om een beroep op dringend eigen gebruik ten dienste van eigen bewoning door de verhuurder. Daarom zal het hof de tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten zoals gevorderd vaststellen op het bedrag als bedoeld in artikel 7:275 lid 4 BW.

8.19. Aangezien zowel de vordering van appellanten als de vordering van geïntimeerde wordt toegewezen en beide partijen in die zin over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8.20.Beslist wordt als volgt.

9. De uitspraak

Het hof:

verklaart appellanten niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen het tussenvonnis van de rechtbank

’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ’s-Hertogenbosch, van 27 mei 2010;

vernietigt de vonnissen van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie

’s-Hertogenbosch van 28 januari 2010 en 1 juli 2010 en opnieuw rechtdoende:

stelt het tijdstip van beëindiging van de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de [perceel] te ([postcode]) [plaatsnaam A.], vast op 24 april 2012 of zoveel eerder als partijen in onderling overleg zijn overeengekomen en bepaalt het tijdstip van ontruiming van het gehuurde – voor zover nodig – op 1 mei 2012;

veroordeelt appellanten om aan geïntimeerde een bedrag te betalen van € 5.396,- als bijdrage in de verhuis- en inrichtingskosten;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en W.H.B. den Hartog Jager en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 24 april 2012.