Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW4061

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
20-001689-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2010:BL7280, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdstip kennisgeving vrijstelling richtingbezwaren Leerplichtwet 1969. Kennisgeving dient, de uit de wet voortvloeiende uitzonderingen daargelaten, te worden gedaan voor 1 juli van het schooljaar voorafgaand aan dat waarop de kennisgeving betrekking heeft. Vrijstellingen niet van toepassing. Veroordeling tot voorwaardelijke geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001689-10

Uitspraak : 26 april 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, van 12 maart 2010 in de strafzaak met parketnummer 02-401902-09 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres, woonplaats].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen, het ten laste gelegde zal bewezen verklaren en verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van 250 euro, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis, met een proeftijd van twee jaar.

Door en namens verdachte is bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

Ter terechtzitting van dit hof van 5 juli 2011 heeft de verdediging een pleitnota overgelegd waarin verweer wordt gevoerd op verschillende aspecten van het ten laste gelegde, leidend tot vrijspraak. Op verzoek van de advocaat-generaal heeft het wetenschappelijk bureau van het Openbaar Ministerie (WBOM) een schriftelijk advies opgesteld aangaande de standpunten van de verdediging. Dit advies is vastgesteld op 18 oktober 2011. De advocaat-generaal heeft het advies doen toekomen aan het hof en aan de verdediging. Per brief met bijlage van 28 december 2011 heeft de raadsman van verdachte op het advies van het WBOM gereageerd. Per brief met bijlagen van 28 februari 2012 heeft de advocaat-generaal op die brief gereageerd. Per brief met bijlagen van 11 april 2012 heeft de verdediging de richtingbezwaren nader toegelicht. Ter terechtzitting van 12 april 2012 heeft de advocaat-generaal medegedeeld dat hij de in het advies van het WBOM ingenomen standpunten volledig tot de zijne maakt. Waar in dit arrest wordt gesproken van het standpunt van de verdediging wordt gedoeld op het standpunt dat zij in de door haar verstrekte stukken, in onderlinge samenhang gelezen, en ter terechtzitting heeft verdedigd. Waar wordt gesproken van het standpunt van de advocaat-generaal wordt gedoeld op de in het advies van het WBOM en de schriftelijke reactie van de advocaat-generaal van 28 februari 2012, in onderlinge samenhang gelezen, en ter terechtzitting ingenomen standpunten.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat de eerste rechter niet binnen veertien dagen na sluiting van het onderzoek uitspraak heeft gedaan. Dat de procespartijen hebben ingestemd met de uitspraakdatum, en derhalve met de overschrijding van de wettelijk voorgeschreven termijn van maximaal veertien dagen, doet aan het verzuim niet af.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 juni 2009 tot en met 24 juli 2009 te [plaats], gemeente [gemeente], meermalen, althans eenmaal, terwijl zij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere(n) [kind A], geboren op [geboortedatum kind A], en/of [kind B], geboren op [geboortedatum kind B], althans terwijl zij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere(n) had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere(n), die als leerling(en) van een school, te weten basisschool "[naam basisschool]" te [plaats], was/waren ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezocht(en); zijnde de terminologie in deze tenlastelegging -voor zover daaraan betekenis is gegeven- gebezigd in de zin van de Leerplichtwet 1969.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 22 juni 2009 tot en met 24 juli 2009 te [plaats], gemeente [gemeente], terwijl zij als degene die het gezag uitoefende over de jongeren [kind A], geboren op [geboortedatum kind A], en [kind B], geboren op [geboortedatum kind B], niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, die als leerlingen van een school, te weten basisschool "[naam basisschool]" te [plaats], waren ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezochten.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de verdediging is vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft zij zich beroepen op artikel 5 onder b. van de Leerplichtwet 1969 (hierna verder: Lpw). Op grond van die bepaling geldt, voor zover in deze strafzaak van belang, voor de in beginsel inschrijvingsplichtige personen vrijstelling van die verplichting zolang zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben. Daardoor kan volgens de verdediging niet worden bewezen verklaard dat niet aan de voorwaarden van de vrijstelling is voldaan, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.

Aan een beroep op vrijstelling verbindt artikel 6, eerste lid, Lpw de formele eis van kennisgeving aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de basisadministratie is ingeschreven. Deze kennisgeving dient te specificeren voor welke jongeren en op welke grond de inschrijvingsplichtige meent aanspraak te mogen maken op vrijstelling. Het tweede lid van artikel 6 Lpw bepaalt dat deze kennisgeving, indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht, ten minste een maand voordat de jongere leerplichtige wordt moet worden ingediend en, zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, elk jaar opnieuw voor 1 juli.

Artikel 8, eerste lid, Lpw eist dat bij een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b. Lpw de kennisgeving als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Lpw de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan. Artikel 8, tweede lid, Lpw bepaalt vervolgens dat deze verklaring niet geldig is, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit.

Voor zover aan verdachte zou worden tegengeworpen dat de kennisgeving niet tijdig is ingediend heeft de verdediging aangevoerd dat artikel 6, tweede lid, Lpw niet strikt tekstueel gelezen dient te worden zodat ook een melding na 1 juli van een bepaald jaar als tijdig moet worden aangemerkt. Voor het geval die stelling niet zou worden gevolgd, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat aan de niet-nakoming van artikel 6 Lpw geen gevolgen dienen te worden verbonden, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 januari 2003, LJN AF1264 en naar analogie (het hof begrijpt: a contrario redenerend) afgeleid uit artikel 8, tweede lid, Lpw, waarin wel expliciet een sanctie wordt verbonden aan niet-naleving van artikel 8, eerste lid, Lpw. Tevens is verwezen naar artikel 6, derde lid, Lpw, dat bepaalt dat onder omstandigheden een vervolgverklaring als bedoeld in artikel 6, tweede lid onder b., Lpw niet vereist is.

Voor zover verdachte artikel 8, tweede lid, Lpw zou worden tegengeworpen, heeft de verdediging zich beroepen op strijdigheid van deze bepaling met artikel 9 en 14 van het EVRM en artikel 2 van het eerste Protocol bij het EVRM. Zakelijk weergegeven komt dit beroep erop neer dat met de beperking die artikel 8, tweede lid, Lpw aanbrengt op de mogelijkheid een beroep te doen op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw een ongerechtvaardigde inbreuk wordt gemaakt op de vrijheid van godsdienst (artikel 9 EVRM), ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt bij het waarborgen van die vrijheid van godsdienst (artikel 14 EVRM) dan wel een inbreuk wordt gemaakt op de eerbiediging van de godsdienstige overtuiging van ouders bij het verzekeren van het recht op onderwijs. In het bijzonder zou verdachte worden beperkt in haar vrijheid van religie te veranderen in die zin dat zij scherper wordt in haar overtuiging. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat inbreuk wordt gemaakt op artikel 1 van het Twaalfde Protocol van het EVRM, het (anders dan dat van artikel 14 EVRM) zelfstandige verbod op discriminatie, onder meer op grond van godsdienst. Artikel 8, tweede lid, Lpw zou als gevolg daarvan buiten toepassing moeten blijven, zodat verdachte onverkort een beroep zou toekomen op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat verdachte geen beroep toekomt op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw. Artikel 8, tweede lid, Lpw komt niet in strijd met verdragsrechtelijke verplichtingen en behoeft niet buiten toepassing te worden gelaten. Het ten laste gelegde kan derhalve worden bewezen verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

In het door de verdediging ten aanzien van de tijdigheid van de kennisgeving aangehaalde arrest heeft de Hoge Raad als volgt overwogen (HR 14 januari 2003, LJN AF1264, r.o. 3.4.):

‘Een redelijke uitleg van art. 6 Leerplichtwet 1969 brengt mee dat — behoudens in het zich hier niet voordoende, in het tweede lid onder a bedoelde, geval — slechts dan met vrucht een beroep kan worden gedaan op vrijstelling als bedoeld in art. 5 onder b van die wet, indien de in art. 6, tweede lid onder b, bedoelde kennisgeving is gedaan vóór 1 juli voorafgaand aan het schooljaar waarop de kennisgeving betrekking heeft. Onjuist is dus de aan het verweer en het middel ten grondslag liggende opvatting dat ook een kennisgeving die is gedaan vóór 1 juli van het lopende schooljaar als zo een vrijstelling (het hof begrijpt: kennisgeving) moet worden aangemerkt.’

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat uit deze overweging van de Hoge Raad is op te maken dat in alle gevallen, met uitzondering van artikel 6, tweede lid, sub a., (en naar het hof aanneemt ook artikel 6, derde lid,) Lpw, de kennisgeving van een beroep op vrijstelling voor 1 juli van het schooljaar voorafgaand aan dat waarop de kennisgeving betrekking heeft, moet zijn gedaan. Een uitleg als door de verdediging wordt voorgestaan, is daarmee niet verenigbaar. Het hof overweegt in dit verband nog, dat indien voor een lopend schooljaar nog tot 1 juli van dat schooljaar een kennisgeving zou kunnen worden ingediend, dit de handhaving van de Leerplichtwet onmogelijk zou maken. In dat geval zou immers verzuim gedurende het schooljaar achteraf nog door een kennisgeving kunnen worden gedekt. Blijkens de inhoud van de brief van verdachte en haar toenmalige partner van 22 mei 2009, die onder meer inhoudt ‘Betreft: Richtingbezwaar schooljaar 2009/2010’, zag deze kennisgeving overigens ook niet op het destijds lopende schooljaar waarin de ten laste gelegde periode viel, maar op het daaropvolgende schooljaar.

Het hof verwerpt het verweer.

Derhalve komt verdachte reeds als gevolg van het verzuim tijdig de kennisgeving als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Lpw in te dienen, voor de in de tenlastelegging genoemde periode van 22 juni 2009 tot en met 24 juli 2009 geen beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 5 onder b. Lpw toe.

Nu verdachte geen beroep op vrijstelling van de inschrijvingsverplichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Lpw toekomt, gold voor verdachte onverkort de verplichting te zorgen dat haar kinderen de basisschool waar zij waren ingeschreven geregeld bezochten. Nu aan die verplichting niet is voldaan zal het ten laste gelegde bewezen worden verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichting niet nakomen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof is van oordeel dat de door verdachte gepleegde overtreding van artikel 2, eerste lid, Lpw niet onbestraft kan blijven. Het is immers niet aan de individuele ouders of verzorgers van kinderen om te bepalen of en op welke wijze hun kinderen worden onderwezen. Dat wordt niet anders indien die ouders/verzorgers daarbij handelen in de overtuiging het belang van hun kinderen te dienen, nu het een maatschappelijk belang is dat de Leerplichtwet wordt gehandhaafd. Het hof zal gelet op alle omstandigheden van het geval volstaan met een geldboete van hierna te melden hoogte in geheel voorwaardelijke vorm.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 26 van de Leerplichtwet 1969 en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. F. van Es en mr. J.F.M. Pols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. T. Kraniotis, griffier,

en op 26 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.