Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW3696

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
24-04-2012
Zaaknummer
HV 200.101.889
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:262 lid 3 BW

Geen belang bij het ingestelde hoger beroep bij het vervallen van de machtiging tot uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 12 april 2012

Zaaknummer: HV 200.101.889/01

Zaaknummer eerste aanleg: 238644 JE RK 11-1941MZ12

in de zaak in hoger beroep van:

[Appellant],

verblijvende in de penitentiaire inrichting te Grave,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. F.A. de Leeuw,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 november 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 februari 2012, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de stichting tot verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing van de, hierna nader te noemen, minderjarige [dochter] niet-ontvankelijk te verklaren, althans te ontzeggen als zijnde ongegrond en onbewezen.

2.2. De stichting heeft geen verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 maart 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. F.A. de Leeuw namens de vader;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw G.A.L.G. Vissers.

2.3.1. Ter zitting zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet verschenen:

- de vader;

- mevrouw [moeder], de moeder van de hierna te noemen minderjarige (hierna: de moeder);

- de heer en mevrouw [grootouders], grootouders vaderszijde tevens (netwerk) pleegouders;

- de Raad voor de Kinderbescherming.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief van de raad d.d. 2 maart 2012.

3. De beoordeling

3.1. Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader, is, voor zover hier van belang, geboren:

- [X.] (hierna: [dochter]), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats].

De vader is alleen belast met het gezag over [dochter].

3.2. [dochter] staat sinds 21 april 2008 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 21 april 2012.

[dochter] is op grond van een daartoe strekkende machtiging op 21 april 2011 geplaatst bij haar grootouders vaderszijde, in het kader van een netwerkplaatsing.

3.3. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank een machtiging verleend aan de stichting om [dochter] met ingang van 14 november 2011 voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen in een verblijf accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs.

3.4. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. Het hof overweegt het volgende.

3.5.1. Bij de mondelinge behandeling van 22 maart 2012 is alleen de ontvankelijkheid van het onderhavige hoger beroep tegen de bestreden beschikking aan de orde gekomen.

3.5.2. Het hof constateert dat de stichting niet binnen de in artikel 1:262 lid 3 BW vastgestelde wettelijke termijn de door de rechtbank bij de bestreden beschikking verleende machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer heeft gelegd, zodat deze machtiging is vervallen.

3.5.3. Op grond van artikel 3:303 BW komt zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toe. Aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, dient zijn procesbelang niet te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold, inmiddels is verstreken (HR 24 juni 2011, NJ 2011, 390). In het verlengde hiervan wordt ook in zaken waarin een ouder opkomt tegen een uithuisplaatsing van een minderjarig kind, aangenomen dat deze ouder, gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van zijn of haar gezinsleven, een rechtens relevant belang erbij heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen, en behoort aan deze ouder mitsdien niet zijn of haar procesbelang te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor de maatregel gold, inmiddels is verstreken (HR 14 oktober 2011, NJ 2011, 596).

3.5.4. Het hof is van oordeel dat de situatie in de onderhavige procedure afwijkt van de hiervoor door de Hoge Raad geschetste lijn, nu in deze situatie de machtiging tot uithuisplaatsing niet ten uitvoer is gelegd en ook niet meer ten uitvoer kan worden gelegd, waardoor geen inbreuk is (of kan worden) gemaakt op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven van de vader en hij aldus geen rechtens relevant belang heeft om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing te laten toetsen.

Gelet op het vorenstaande heeft het hof de advocaat van de vader ter zitting expliciet gevraagd naar het belang van de vader bij het tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep, waarop de advocaat heeft verklaard dat de vader geen enkel belang heeft.

3.6. Het hof is van oordeel dat de vader geen belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep. Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek van de vader in hoger beroep dient te worden afgewezen.

4. De beslissing

Het hof:

wijst af het verzoek van de vader in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 november 2011;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank ’s-Hertogenbosch.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. van Ham, M.C. van Dijkhuizen en J.U.M. v.d. Werff en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2012.