Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW3489

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
HD 200.083.934
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkoop bedrijfsgebouwen door echtpaar met verstrekking aan koper van voorkeursrecht van koop met betrekking tot de daarbij gelegen woning. Na overlijden van één van de echtelieden wordt de woning in het kader van de verdeling van de nalatenschap aan een van de kinderen toegedeeld. Daarmee is niet het voorkeursrecht van koop overtreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.083.934

arrest van de zevende kamer van 17 april 2012

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. J.J.J.M.D. Maas,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1.],

2. [geïntimeerde sub 2.],

beiden wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. A.A.M. van Exsel,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 maart 2011 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 december 2010, gewezen tussen [appellante] als gedaagde en [geintimeerden] c.s. als eisers.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 204405/HA ZA 09-2910)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het in dezelfde zaak gewezen tussenvonnis van 24 februari 2010.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] twee producties overgelegd (genummerd 5 en 6), vier grieven aangevoerd tegen het beroepen vonnis en geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot hetgeen daarnaast aan het slot van die memorie staat omschreven.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben [geintimeerden] c.s. twee producties overgelegd, de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het beroepen vonnis.

2.3. De partijen hebben hun standpunten ter zitting van dit hof van 22 februari 2012 laten bepleiten door hun advocaten. Beide advocaten hebben daarbij gebruik gemaakt van door hen overgelegde pleitnota’s. [appellante] heeft bij het pleidooi voorts een op voorhand door haar toegezonden productie in het geding gebracht.

2.4. Na afloop van het pleidooi hebben de partijen uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In dit hoger beroep kan op hoofdlijnen worden uitgegaan van de volgende feiten.

a) Bij koopovereenkomst van 11 november 1991 hebben [appellante] en [echtgenoot] (hierna: [echtgenoot]), met wie [appellante] destijds in algehele gemeenschap van goederen was gehuwd, hun mestvarkensbedrijf en rundveehouderij, gelegen aan en nabij [vestigingsadres] te [vestigingsplaats], verkocht aan [geintimeerden] c.s.

b) Het bij het bedrijf gelegen woonhuis is door partijen uitgezonderd van de verkoop. In artikel 18 van de koopovereenkomst is daarover het volgende bepaald:

“Partijen komen overeen dat er een persoonlijke overeenkomst wordt gemaakt dat als huidige verkopers hun woonhuis gaan verkopen zij dit bij aangetekende brief aan huidige kopers fam. [geintimeerden] zullen melden. Indien niet binnen 2 mnd. na verzending wordt gereageerd vervalt dit koopvoorkeursrecht. Als wel tot aankoop wordt besloten zal prijsvaststelling door 2 taxateurs plaatsvinden. Ieder der partijen benoemd 1 taxateur. Bij geschil zullen beide taxateurs een derde schatter benoemen die de prijs (“verkoopwaarde lege staat”) bindend vaststellen.

Overtreding van een dezer bepalingen zal de schuldige/nalatige partij een direct opeisbare boete verschuldigd zijn van fl. 100.000,-- (…) aan andere partij.”

c) De levering van het verkochte heeft plaatsgevonden door middel van een transportakte, op 22 november 1991 verleden ten overstaan van mr. [notaris sub 1.], notaris te [standplaats]. In de transportakte staat onder meer het volgende:

“VOORKEURSRECHT

a. Indien verkopers (dan wel hun rechtsopvolgers onder algemene titel) het woonhuis met verdere opstallen, aanhorigheden, erf en tuin, staande en gelegen te [vestigingsplaats] aan [vestigingsadres], en uitmakende een op dit terrein afgepaald gedeelte, ter grootte van ongeveer dertien aren (13.00 aren), van het perceel (…) (hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk) willen vervreemden (hetzij in eigendom, hetzij in zakelijk genotsrecht), zijn zij verplicht dit te koop aan te bieden aan de comparanten sub 2, dan wel hun rechtsopvolgers onder algemene of bijzondere titel (hierna zowel tesamen als ieder afzonderlijk te noemen voorkeursgerechtigde).

b. De voorkeursgerechtigde dient binnen een maand, na ontvangst van voormeld schrijven, aan de verkopers (hierna zowel tesamen als ieder afzonderlijk te noemen aanbieder) kennis te geven of jij al dan niet in beginsel van het voorkeursrecht gebruik wenst te maken.

(…)

e. Indien de voorkeursgerechtigde van het voorkeursrecht tegen de als voormeld vastgestelde prijs geen gebruik wenst te maken, is de aanbieder bevoegd tot vervreemding en eigendomsoverdracht aan derden over te gaan;

gelijke koopaanbieding als gemeld, dient plaats te vinden indien een gemeenschap van goederen, waarin de aanbieder is gehuwd wordt ontbonden anders dan door overlijden, indien de aanbieder failliet wordt verklaard of surséance van betaling aanvraagt;

ingeval van ontbinding van een gemeenschap van goederen als gemeld geldt het te koop aanbieden niet indien het onroerend goed binnen drie jaar na die ontbinding wederom aan een der verkopers zal zijn toegescheiden.

f. Indien de aanbieder tot vervreemding overgaat zonder de voorkeursgerechtigde gelegenheid te hebben gegeven, op de boven aangegeven wijze, om van het voorkeursrecht gebruik te maken of zijn medewerking tot de overdracht niet verleent nadat door de voorkeursgerechtigde is verklaard dat hij van het voorkeursrecht gebruik wenst te maken, zal de aanbieder ten behoeve van de voorkeursgerechtigde verbeuren een direkt opvorderbare boete van EENHONDERDDUIZEND GULDEN (…) onverminderd het recht van de voorkeursgerechtigde om van de aanbieder te eisen vergoeding van de eventueel geleden meerdere schade.”

d) [echtgenoot] is op 4 maart 2008 overleden. [echtgenoot] heeft bij testament van 7 juli 1983 over zijn nalatenschap beschikt en daarbij geen van de (toenmalige) wet afwijkende erfstelling gemaakt.

De erfgenamen van [echtgenoot] zijn daarom [appellante] en de drie zonen van [echtgenoot] en [appellante]: [zoon sub 1.], [zoon sub 2.] en [zoon sub 3.], elk voor één/vierde onverdeeld aandeel. Het hof zal de zonen in dit arrest kortheidshalve met hun roepnamen aanduiden.

e) [echtgenoot] heeft in het testament een ouderlijke boedelverdeling opgenomen in de zin van artikel 1167 (oud) van boek 4 BW. [appellante] heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de ouderlijke boedelverdeling niet te aanvaarden voor zover deze betrekking had op de tot de nalatenschap behorende onroerende zaken.

f) Bij brief van 31 juli 2008 heeft mr. [notaris sub 2.], notaris te [standplaats], aan [geintimeerden] c.s. een “verklaring afstand voorkeursrecht” toegezonden. [geintimeerden] c.s. hebben geweigerd die verklaring te ondertekenen.

g) Op 22 september 2008 heeft een bespreking plaatsgevonden ten kantore van notaris [notaris sub 2.], waaraan werd deelgenomen door onder meer [appellante], [zoon sub 3.] en [geintimeerde sub 1]. Tijdens deze bespreking is geen overeenstemming bereikt over de wens van [appellante] om de woning aan [zoon sub 3.] toe te delen.

h) Bij notariële akte van 24 december 2008 heeft [appellante] haar onverdeelde 5/8e aandeel in de woning en hebben [zoon sub 1.] en [zoon sub 2.] elk hun 1/8e aandeel in de woning aan [zoon sub 3.] geleverd.

i) Bij brief van 7 april 2009 heeft de toenmalige gemachtigde van [geintimeerden] c.s. aan [appellante] en [zoon sub 3.] geschreven dat door de overdracht van 24 december 2008 het voorkeursrecht van koop van [geintimeerden] c.s. is geschonden. [appellante] en [zoon sub 3.] zijn in deze brief gesommeerd de woning binnen één maand alsnog aan [geintimeerden] c.s. over te dragen.

j) [appellante] en [zoon sub 3.] hebben aan deze sommatie geen gevolg gegeven.

4.2.1. In de onderhavige procedure vorderden [geintimeerden] c.s. in eerste aanleg veroordeling van [appellante] tot betaling van een hoofdsom van € 45.378,-- vermeerderd met € 1.788,-- ter zake buitengerechtelijke kosten en met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

4.2.2. Aan deze vordering hebben [geintimeerden] c.s. in eerste aanleg ten grondslag gelegd dat [appellante] bij de toedeling van de woning aan [zoon sub 3.] op 24 december 2008 in twee hoedanigheden heeft gehandeld:

1) als gerechtigde tot 4/8e onverdeeld aandeel in de woning op grond van de door het overlijden van [echtgenoot] ontbonden huwelijkse gemeenschap van goederen;

2) als gerechtigde tot 1/8e onverdeeld aandeel in de woning krachtens erfrecht.

Ten aanzien van de levering van eerstgenoemd 4/8e onverdeeld aandeel in de woning aan [zoon sub 3.] is volgens [geintimeerden] c.s. sprake van “vervreemding” zoals bedoeld in het voorkeursrecht van koop, zodat [appellante] dat voorkeursrecht heeft geschonden en de boete van fl. 100.000,-- (€ 45.378,--) heeft verbeurd.

4.2.3. [appellante] heeft verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

4.3.1. Bij het tussenvonnis van 24 februari 2010 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

4.3.2. Bij het eindvonnis van 15 december 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellante] tekort geschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit het voorkeursrecht van koop, door het onverdeelde aandeel ter grootte van de helft van de woning uit hoofde van de ontbonden huwelijksgemeenschap niet aan [geintimeerden] c.s. te koop aan te bieden.

Op grond van dat oordeel heeft de rechtbank [appellante] veroordeeld om aan [geintimeerden] c.s. € 45.378,-- te betalen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, aan de zijde van [geintimeerden] c.s. begroot op € 2.922,--.

4.3.3. Ter voldoening aan het uitvoerbaar verklaarde vonnis heeft [appellante] aan [geintimeerden] c.s. € 48.300,-- voldaan.

4.4.1 Het hof zal de grieven I en II gezamenlijk behandelen. Door deze grieven wordt aan het hof de vraag voorgelegd of [appellante] in strijd met het voorkeursrecht van koop heeft gehandeld, door op 24 december 2008 haar onverdeelde aandeel in de woning toe te delen aan [zoon sub 3.].

4.4.2. Nu [geintimeerden] c.s. hun vordering baseren op de stelling dat het voorkeursrecht van koop is geschonden, rust op hen de bewijslast van die stelling. [geintimeerden] c.s. hebben daarom ook de bewijslast dat het voorkeursrecht de door hen gestelde inhoud/reikwijdte heeft.

4.4.3. Het hof constateert evenals de rechtbank dat het voorkeursrecht van koop zoals opgenomen in de overeenkomst van 11 november 1991 niet gelijkluidend is aan het voorkeursrecht van koop zoals opgenomen in de akte van 22 november 1991.

Tijdens het geding in eerste aanleg zijn beide partijen met name uitgegaan van en ingegaan op de formulering van het voorkeursrecht van koop zoals neergelegd in de akte van 22 november 1991. Ook in de memorie van grieven en van antwoord zijn partijen vooral op die formulering ingegaan. Het hof zal daarom allereerst onderzoeken of [appellante], door op 24 december 2008 haar onverdeelde 5/8e aandeel in de woning aan [zoon sub 3.] te leveren, in strijd heeft gehandeld met de bewoordingen van het voorkeursrecht zoals neergelegd in de akte van 22 november 1991.

4.4.4. Deze vraag – of [appellante] door haar handelwijze in strijd heeft gehandeld met de bewoordingen van het voorkeursrecht in de akte van 22 november 1991 – moet ontkennend worden beantwoord. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Na het overlijden van de [echtgenoot] was [appellante] 4/8e onverdeeld aandeel gerechtigd tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap waartoe ook de woning behoorde.

Daarnaast was [appellante] als erfgename voor 1/8e onverdeeld aandeel gerechtigd in die ontbonden gemeenschap van goederen. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat het testament van [echtgenoot] aldus moet worden uitgelegd dat de afstand die [appellante] heeft gedaan van de ouderlijke boedelverdeling voor zover deze betrekking had op de tot de nalatenschap behorende onroerende zaken, tot gevolg had dat [appellante] en haar drie kinderen gezamenlijk bevoegd werden om over de onroerende zaken te beschikken (overeenkomstig het recht dat gold ten tijde van het maken van het testament).

Op 24 december 2008 is de woning tussen de rechthebbenden verdeeld, aldus dat [appellante], [zoon sub 1.] en [zoon sub 2.] hun aandeel in de woning aan [zoon sub 3.] hebben toegedeeld. Dit betreft taalkundig gezien niet een vervreemding (“hetzij in eigendom, hetzij in zakelijk genotsrecht”) als omschreven sub a in de akte van 22 november 1991 maar een verdeling. Er heeft ook geen overdracht plaatsgevonden van het aandeel van [appellante] in de woning maar een overgang (vgl. art. 3:186 BW).

4.4.5. Dat hiermee niet in strijd met de bewoordingen van het voorkeursrecht is gehandeld blijkt te meer uit onderdeel e van de akte van 22 november 1991. Daarin is bepaald dat, kort gezegd, het voorkeursrecht van koop ook geldt “indien een gemeenschap van goederen waarin de aanbieder is gehuwd wordt ontbonden anders dan door overlijden”.

Deze bewoordingen houden in dat het voorkeursrecht van koop in beginsel ook zou gelden indien het huwelijk tussen [appellante] en [echtgenoot] zou worden ontbonden door bijvoorbeeld een echtscheiding (zij het dat in de daarop volgende zin daar weer een beperking op is aangebracht). Uit de bewoordingen “anders dan door overlijden” volgt echter tevens dat het voorkeursrecht van koop niet geldt in de onderhavige situatie, waarin het huwelijk tussen [appellante] en [echtgenoot] is ontbonden door het overlijden van [echtgenoot].

4.4.6. Dit sluit ook aan bij het gegeven dat in onderdeel a van de akte is bepaald dat het voorkeursrecht van koop niet alleen geldt voor “verkopers” ([appellante] en [echtgenoot]), maar ook voor “hun rechtsopvolgers onder algemene titel”, waaronder begrepen een of meer erfgenamen van [echtgenoot] en [appellante] die de woning door de verdeling van de nalatenschap van [echtgenoot] en/of [appellante] in eigendom krijgen.

4.4.7. Bij pleidooi in hoger beroep hebben [geintimeerden] c.s. zich niet alleen beroepen op de bewoordingen van het voorkeursrecht zoals neergelegd in de akte van 22 november 1991 maar ook op de bewoordingen van het voorkeursrecht zoals neergelegd in de daaraan voorafgaande overeenkomst van 11 november 1991. Ook indien van die bewoordingen wordt uitgegaan kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat [appellante] dat voorkeursrecht heeft geschonden. Artikel 18 van die overeenkomst bepaalt immers dat het voorkeursrecht van koop geldt indien de verkopers ([echtgenoot] en [appellante]) “hun woonhuis gaan verkopen”. Van een verkoop door [appellante] is echter geen sprake geweest. Na het overlijden van [echtgenoot] was sprake van meerdere deelgenoten ([appellante] voor 5/8e deel en [zoon sub 1.], [zoon sub 2.] en [zoon sub 3.] elk voor 1/8e deel). [appellante] heeft vervolgens meegewerkt aan verdeling van de woning, in die zin dat de woning geheel aan [zoon sub 3.] werd geleverd (toegedeeld) en de andere deelgenoten in beginsel recht kregen op een uitkering door [zoon sub 3.] wegens overbedeling. Deze wijze van verdeling kan niet worden gelijk gesteld aan een verkoop van (een deel van) de woning.

4.4.8. In een geschil als het onderhavige, waarin partijen van mening verschillen over de betekenis van een tussen hen overeengekomen voorkeursrecht van koop, zijn niet alleen de bewoordingen waarin het voorkeursrecht is vastgelegd beslissend. Bij de vaststelling van wat partijen zijn overeengekomen moet mede worden gelet op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.4.9. Door beide partijen is bij gelegenheid van de comparitie van partijen bij de rechtbank verklaard dat het voorkeursrecht van koop is overeengekomen om te voorkomen dat een “burger” / “ niet-boer” in de woning zou gaan wonen die vervolgens bezwaar zou kunnen gaan maken tegen eventuele stankoverlast of geluidsoverlast uit de bedrijfsgebouwen.

Uit deze omstandigheid is naar het oordeel van het hof niet af te leiden dat partijen hebben bedoeld dat de verplichting om de woning te koop aan te bieden aan [geintimeerden] c.s. ook zou gelden indien een van de verkopers zou overlijden en de overblijvende verkoper de woning in het kader van de verdeling van de nalatenschap aan een van de kinderen van partijen zou willen laten toedelen. [geintimeerden] c.s. heeft in ieder geval geen concrete feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld moet worden dat [appellante] en [echtgenoot] het beding – ondanks de andersluidende bewoordingen – in die zin hadden moeten begrijpen. Het hof merkt ook op dat [zoon sub 3.] reeds in de woning woonde, toen het voorkeursrecht van koop werd overeengekomen.

4.4.10. [geintimeerden] c.s. hebben voorts aangevoerd dat het woonhuis als het ware een geheel vormt met de bedrijfsgebouwen. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen bij de rechtbank heeft [geintimeerde sub 1] verklaard dat dit als tijdelijke situatie, zolang [echtgenoot] en [appellante] daar zouden wonen, geen probleem zou vormen maar dat het woonhuis uiteindelijk natuurlijk wel bij de bedrijfsgebouwen moest worden getrokken. [geintimeerde sub 1] heeft bij de comparitie echter tevens verklaard dat hij dit destijds niet met [echtgenoot] en [appellante] heeft besproken. Ook hier concludeert het hof dat de door [geintimeerden] c.s. gestelde omstandigheid niet meebrengt dat [appellante] en [echtgenoot] het voorkeursrecht van koop – ondanks de andersluidende bewoordingen – aldus hadden moeten opvatten dat het ook zou gelden indien een van hen zou overlijden en de langstlevende echtgenoot de woning in het kader van de verdeling van de nalatenschap aan een van de kinderen zou willen doen toekomen. Indien [geintimeerden] c.s. [appellante] en [echtgenoot] aan een beding met een dergelijke strekking hadden willen binden, hadden zij dit duidelijk met [appellante] en [echtgenoot] moeten bespreken en zich ervan moeten vergewissen dat [appellante] en [echtgenoot] daarmee instemden. Dat dit is gebeurd is niet gesteld of gebleken.

4.4.11. Het hof neemt bij het voorgaande in aanmerking dat [geintimeerden] c.s. bij gelegenheid van het pleidooi:

- hebben verklaard dat de tekst van de overeenkomst van 11 november 1991 tot stand is gekomen op basis van gesprekken die de makelaar met zowel hen als [echtgenoot] en [appellante] heeft gevoerd;

- niet hebben betwist dat de op 22 november 1991 verleden notariële akte op voorhand aan hen is toegezonden en dat zij de notariële akte van levering in persoon – na zakelijke opgave van de inhoud van de akte door de notaris – hebben ondertekend.

Mede gelet op die omstandigheden kan niet worden aangenomen dat [appellante] en [echtgenoot] hebben moeten begrijpen dat [geintimeerden] c.s. aan het voorkeursrecht een verdergaande strekking wilden toekennen dan uit de bewoordingen van de overeenkomst en de akte op te maken was.

4.4.12. [geintimeerden] c.s. hebben geen concrete feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die het hof tot een ander oordeel zouden brengen. Het hof acht daarom geen termen aanwezig voor bewijslevering. Het hof concludeert dat de grieven 1 en 2 doel treffen. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat [appellante] de boete van fl. 100.000,-- niet heeft verbeurd door mee te werken aan levering van haar onverdeelde aandeel in de woning aan [zoon sub 3.].

4.5. Door middel van grief 3 voert [appellante] aan dat de rechtbank het beroep van [appellante] op matiging van de boete ten onrechte heeft afgewezen. Deze grief hoeft geen bespreking meer omdat de grieven 1 en 2 doel hebben getroffen en vast is komen te staan dat [appellante] geen boete verschuldigd is.

4.6.1. Door middel van grief 4 voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de vordering van [appellante] tot vergoeding van door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten.

4.6.2. Het hof constateert dat [appellante] in het petitum van haar conclusie van antwoord geen aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en niet uitdrukkelijk een eis in reconventie heeft geformuleerd. In onderdeel 4.2 en 4.3 van de conclusie van antwoord heeft [appellante] echter wel aanspraak gemaakt op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

4.6.3. Deze vordering is reeds niet toewijsbaar omdat de in art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b en c, BW bedoelde kosten slechts kunnen worden gevorderd indien zij zijn gemaakt als gevolg van gedragingen waarvoor de wederpartij aansprakelijkheid draagt. Daaronder valt niet te begrijpen de enkele omstandigheid dat de wederpartij tevergeefs een vordering in rechte heeft ingesteld (vgl. HR 18 februari 2005, LJN: AR6164 en HR 8 september 2006, LJN: AV3384). Grief 4 kan om deze reden geen doel treffen.

4.7. Nu de grieven 1 en 2 doel hebben getroffen, zal het hof het beroepen vonnis vernietigen. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vordering van [geintimeerden] c.s. afwijzen met veroordeling van [geintimeerden] c.s. in de kosten van het geding in eerste aanleg.

4.8. [appellante] heeft in haar memorie van grieven terugbetaling gevorderd van het bedrag van € 48.300,-- dat zij in december 2010 ter uitvoering van het beroepen vonnis aan [geintimeerden] c.s. heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2011.

Deze vordering is toewijsbaar.

4.9. Het hof zal [geintimeerden] c.s. als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. De door [appellante] over deze kosten gevorderde wettelijke rente is op de na te melden wijze toewijsbaar.

4.10. Dit arrest wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen gewezen vonnis van 15 december 2010 voor zover daarbij de vorderingen van [geintimeerden] c.s. zijn toegewezen met veroordeling van [appellante] in de proceskosten en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

- wijst de vorderingen van [geintimeerden] c.s. af;

- veroordeelt [geintimeerden] c.s. in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 1.040,-- aan vast recht en op € 1.788,-- aan salaris advocaat;

veroordeelt [geintimeerden] c.s. om aan [appellante] € 48.300,-- terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 januari 2011;

veroordeelt [geintimeerde sub 1] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [appellante] tot op heden begroot op € 90,81 aan dagvaardingskosten, € 649,-- aan vast recht, en € 4.893,-- aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de 14e dag na de datum van dit arrest;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, I.B.N. Keizer en A.R. Autar en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 17 april 2012.