Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW2274

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
11/00678
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na verwijzing, zie Hoge Raad van 14 oktober 2011, nr 10/01220, is in geschil op welke wijze het aantal vervuilingseenheden moet worden bepaald. Vooronderstellenderwijs wordt ervan uitgaan dat dit aantal niet aan de hand van de in de Verordening opgenomen Tabel mag worden bepaald. De feitelijke gegevens om het gezochte aantal te bepalen volgens de hoofdregel van de Verordening, namelijk door meting, bemonstering en analyse gedurende 365 dagen van het jaar, ontbreken. Van twee meetweken zijn gegevens beschikbaar, maar het Hof acht deze gegevens niet bruikbaar. De Verordening kent geen bepaling welke voorziet in het door middel van schatting vaststellen van het aantal vervuilingseenheden. Het Hof stelt het aantal vervuilingseenheden in goede justitie vast op 1.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1020
Belastingblad 2012/252
V-N 2012/29.23 met annotatie van Redactie
FutD 2012-1114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00678

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

de vennootschap onder firma X, gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de Rechtbank) van 7 februari 2008, nummer AWB 05/2259 in het geding tussen

belanghebbende,

en

het Hoofd Afdeling Aanslagregeling en Bezwaar en beroep van Tricijn Belastingen, als zijnde de ambtenaar belast met de heffing voor het Waterschap Zuiderzeeland (hierna: het Waterschap); hierna, evenals het hoofd van de afdeling Belastingen van het Waterschap, aan te duiden als: de Heffingsambtenaar,

betreffende de uitspraak van het hoofd van de afdeling Belastingen van het Waterschap van 21 november 2005 op het bij brief van 10 augustus 2002 ingediende bezwaar van belanghebbende tegen de voor het jaar 2000 opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren (hierna: de aanslag) ten bedrage van € 53.822,87.

1. Onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 maart 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Heffingsambtenaar. Belanghebbende is niet verschenen.

De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 1 februari 2012, met nummer 3SRRRD0000000, aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie. Hieruit volgt dat de uitnodiging op 2 februari 2012 op het door belanghebbende opgegeven adres is afgeleverd.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 30 maart 2012, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar,

- vermindert de aanslag tot een bedrag van € 45.378,

- veroordeelt de Heffingsambtenaar tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 4.500,

- bepaalt dat aan belanghebbende wordt vergoed het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 709,

- veroordeelt de Heffingsambtenaar in een tegemoetkoming in de kosten van het geding bij de Rechtbank, het Gerechtshof Arnhem en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een bedrag van € 644, en

- wijst het Waterschap aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Gronden

Ten aanzien van het geschil

1. In geschil is, na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 14 oktober 2011, nr

10/01220, LJN: BP1499, BNB 2012/24, waarbij de Hoge Raad de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem van 2 februari 2010, nr 08/00133, LJN: BL5007 heeft vernietigd, hoeveel vervuilingseenheden belanghebbende in het jaar 2000 heeft geloosd.

2. Het Hof zal met het Waterschap vooronderstellenderwijs ervan uitgaan dat het aantal

vervuilingseenheden niet op de voet van artikel 9 van de Verordening verontreinigingsheffing Waterschap Zuiderzeeland 2000 (hierna: de Verordening) aan de hand van de Tabel mag worden bepaald. Alsdan dient het aantal vervuilingseenheden te worden bepaald volgens de hoofdregel van artikel 8 van de Verordening, namelijk door meting, bemonstering en analyse gedurende 365 dagen van het jaar.

3. Vaststaat dat dit laatste niet is geschied. Mitsdien ontbreken de feitelijke gegevens om

op basis van de hoofdregel het gezochte aantal vervuilingseenheden te bepalen.

4. Weliswaar zijn er gegevens van twee meetweken beschikbaar, maar partijen verschillen

van mening over de representativiteit van deze gegevens voor het gehele jaar. In verband daarmede acht het Hof deze gegevens niet bruikbaar.

5. De Verordening kent geen bepaling welke, in een situatie als de onderhavige, voorziet

in het door middel van schatting vaststellen van het aantal vervuilingseenheden.

Mitsdien dient het Hof het aantal vervuilingseenheden in goede justitie vast te stellen. In goede justitie stelt het Hof dit aantal vast op 1.000 vervuilingseenheden. Het bedrag van de aanslag wordt dan berekend op 1.000 x f 100 is f 100.000, zijnde (afgerond) € 45.378.

6. Het Waterschap heeft zich, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 10 juni

2011, nr. 09/02639, LJN: BO5046, ter zitting bereid verklaard de immateriële schade wegens overschrijding van voor de behandeling van de zaak in acht te nemen redelijke termijn, ook in zoverre deze eventueel is te wijten aan de Rechtbank, te vergoeden en wel tot een bedrag van € 4.500. Naar het oordeel van het Hof is dit bedrag niet te laag.

7. Gelet op het vorenstaande moet worden beslist als hierboven vermeld.

Ten aanzien van het griffierecht

8. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient aan belanghebbende het door

haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem betaalde griffierecht ten bedrage van € 276 respectievelijk € 433, in totaal € 709, te worden vergoed.

Ten aanzien van de proceskosten

9. In de omstandigheid dat de bestreden uitspraak van de Rechtbank moet worden

vernietigd, vindt het Hof aanleiding de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van haar beroep bij de Rechtbank en haar hoger beroep bij het Gerechtshof Arnhem en bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten, met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten fiscale procedures, voor beroep op 1 (punt [indienen beroepschrift bij de Rechtbank]) x € 322 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is € 322 en voor hoger beroep op 1 (punt [indienen hoger beroepschrift bij het Gerechtshof Arnhem]) x € 322 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak) is € 322, tezamen € 644.

10. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking

komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten fiscale procedures heeft gemaakt.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door P. Fortuin, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en J.A. Meijer, leden, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2012.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 2 april 2012

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.