Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW2243

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
10-00002
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Bij een boekenonderzoek komt naar voren dat belanghebbende, exploitant van een cafetaria, in de onderzoeksperiode samen met zijn echtgenote 74 kentekens op naam heeft gehad en dat hij betrokken is geweest bij de productie van verdovende middelen. Belanghebbende deed niet de vereiste aangifte, voerde geen administratie en voldeed niet aan zijn verplichting tot het verstrekken van informatie. Omkering bewijslast. Correcties berekend aan de hand van vermogensvergelijking en vastgesteld op basis van sfo-rapport in het kader van een ontnemingsprocedure. Ook bijtelling in verband met privégebruik auto’s. Navorderingsaanslag komt niettemin gedeeltelijk te vervallen in verband met een, ter behoud van rechten, in twee jaren in aanmerking genomen identiek inkomensbestanddeel. Hoger beroep om die reden gegrond. Vermindering van de vergrijpboete in verband met undue delay. Hoger beroep in vijf samenhangende zaken ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/1642 met annotatie van Meijer
FutD 2012-1103
V-N Vandaag 2012/1023

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 10/00002

Schriftelijke uitspraak op het hoger beroep van

X te Y (hierna: belanghebbende),

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 30 november 2009, nummer AWB 08/5952, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur),

betreffende na te melden navorderingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2003, onder nummer 0000.00.000.H.37, een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 106.213 (hierna: de navorderingsaanslag). Bij het opleggen van de navorderingsaanslag is belanghebbende bij beschikking € 7.834 heffingsrente in rekening gebracht. Bij beschikking is belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van 50% of € 22.786.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken de navorderingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover het de boete betreft, de uitspraak op bezwaar inzake de boete vernietigd, de boete verminderd tot € 21.646, het beroep voor het overige ongegrond verklaard, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende van € 322 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.

1.4. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van

€ 110. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft belanghebbende vóór na te melden zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in kopie verstrekt aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 15 juni 2011 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende in persoon, tot bijstand vergezeld door mevrouw A (belanghebbendes echtgenote) en mevrouw B (belanghebbendes moeder), voorts de heer C, advocaat en procureur te Y, als gemachtigde van belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Ter zitting is eveneens behandeld het hoger beroep van belanghebbende in de zaken met hofkenmerken 10/00001 en 10/00003 tot en met 10/00009. Ter zitting heeft belanghebbende zijn hoger beroep inzake de procedures met hofkenmerken 10/00003 (navorderingsaanslag premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2003), 10/00004 (navorderingsaanslag premie Ziekenfondswet 2003) en 10/00008 (aanslag in de Zorgverzekeringswet 2006) ingetrokken, tegenover de toezegging van de Inspecteur dat hij bij die aanslagen ambtshalve zal handelen in overeenstemming met de definitieve uitslag in de procedures met hofkenmerken

10/00002 (navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003) respectievelijk 10/00009 (aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006).

1.7. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.8. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft het Hof het onderzoek ter zitting gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd op een termijn van zes weken.

1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is gehuwd met mevrouw A (hierna: de echtgenote). Tijdens het politieverhoor op 25 april 2006 heeft belanghebbende verklaard dat zij ongeveer 11 tot 12 jaar een relatie hadden met elkaar. Zij hebben samen vier kinderen. Uit het uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat belanghebbende sinds 14 mei 1998 staat ingeschreven op het adres A-straat 1 te Y. Daarna is belanghebbende diverse malen van adres gewisseld. De echtgenote en de kinderen staan vanaf 14 mei 1998 respectievelijk de geboortedatum ingeschreven op het adres A-straat 1.

2.2. Op 21 maart 2006 heeft de belastingdienst een boekenonderzoek aangekondigd, dit naar aanleiding van gerezen vragen bij de behandeling van de door belanghebbende ingediende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2002. Op 13 april 2006, de dag dat het boekenonderzoek is aangevangen, was belanghebbende niet aanwezig. Wel hebben de controlerend ambtenaren bij een bezoek aan de voormalige boekhouder van belanghebbende, de heer D, computeruitdraaien ontvangen van de administratie van E te Y.

2.3. Op 24 april 2006 is belanghebbende aangehouden op verdenking van overtreding van bepalingen uit de Opiumwet. Op die dag zijn bij belanghebbende in beslag genomen twee op zijn naam geregistreerde personenvoertuigen van het merk F, kentekens 00-00-00 en 00-00-01, en een op naam van de echtgenote geregistreerde G, kenteken 00-00-02, een chalet op Camping H te I en een geldbedrag van € 6.300.

2.4. Vervolgens is een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: sfo) gestart met als doel, onder meer, het maken van een berekening van het door belanghebbende en zijn echtgenote wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 januari 1998 tot en met 24 april 2006. Op 19 juli 2007 is door de Dienst Nationale Recherche van de politie een rapport opgesteld van het sfo. In dit rapport is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 januari 1998 tot en met 24 april 2006 door middel van vermogensvergelijking berekend op een bedrag van € 489.535.

2.5. Uit de gedingstukken, met name uit het rapport van het sfo en de bijlagen, volgt onder meer het volgende:

- Belanghebbende heeft van april 2001 tot en met april 2004 een onderneming gedreven, te weten E aan de B-straat in Y.

- In de onderzoeksperiode van het sfo hebben belanghebbende en zijn echtgenote 74 kentekens op hun naam gehad. Uit vergelijking van de in- en verkoopprijzen van deze voertuigen, blijkt dat sprake is van een verlies van € 139.480.

- Uit gegevens van de Rijksdienst voor het wegverkeer blijkt dat in de periode 2001 tot 24 april 2006 in totaal 56 transacties hebben plaatsgevonden waarbij auto's op naam werden gesteld van belanghebbende en/of zijn echtgenote.

- Met betrekking tot de huur van de C-straat 1 te J is gebleken dat in de periode van de huurbetalingen, van juni 2003 tot en met april 2004, in het betreffende pand een hennepkwekerij heeft gezeten. Aannemelijk is volgens het sfo dat één van de twee voor die kwekerij verantwoordelijke personen belanghebbende is geweest.

- Op basis van een vermogensvergelijking zijn over de periode 1 januari 2001 tot en met 24 april 2006 meer inkomsten tot een bedrag van € 408.951 berekend.

2.6. Op 10 oktober 2006 heeft de strafkamer van de rechtbank Breda belanghebbende veroordeeld tot een gevangenisstraf, wegens productie van amfetamine, teelt van hennep en witwassen.

2.7. In hoger beroep is belanghebbende, bij vonnis van 10 april 2007 door het Hof 's-Hertogenbosch, veroordeeld voor het opzettelijk telen van hennep te J in de periode 1 juli 2003 tot en met 1 juni 2004 en te Y in de periode 19 april 2004 tot en met 1 september 2004. In het verleden is herhaaldelijk geconstateerd dat belanghebbende handelde in drugs, op 9 juli 1992 is hij voor drugshandel met Marokko door de strafkamer van de rechtbank Breda veroordeeld tot een gevangenisstraf en een geldboete. Bedoelde uitspraak van het Hof 's-Hertogenbosch is onherroepelijk geworden.

2.8. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat hij in het huis van zijn moeder beschikte over een in 1990 aangeschafte kluis welke later werd vervangen door een grotere kluis. In de kluis lag altijd veel geld.

2.9. Bij uitspraak van de rechtbank Breda van 25 maart 2009 is belanghebbende veroordeeld tot terugbetaling aan de Staat van het wederrechtelijk verkregen voordeel, welk voordeel is vastgesteld op een bedrag van € 394.646,78.

2.10. Voor het onderhavige jaar (2003) heeft belanghebbende aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 15.416 (negatieve belastbare winst uit onderneming). In die aangifte was geen inkomen uit handel in auto's en inkomen uit handel in drugs vermeld. De Inspecteur heeft de primitieve aanslag conform de aangifte opgelegd.

2.11. De Inspecteur heeft met dagtekening 12 december 2007 belanghebbende een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 106.213.

De Inspecteur heeft de koopsom ad € 93.170 voor de aankoop van een auto in januari 2003, contante uitgaven ad € 16.000 voor de aankoop van meubels, contante uitgaven ad € 4.440 voor de huur van een woning aan de D-straat te Y en contante uitgaven ad € 4.865 voor huur van een woning aan de C-straat te J aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden, omdat niet bekend is welke herkomst deze bedragen hebben. Daarbij gaat het om een totaalbedrag van

€ 118.475. Aan (meer) verlies autohandel heeft de Inspecteur een bedrag in aanmerking genomen van (negatief) € 21.846 en aan een correctie in verband met privégebruik auto een bedrag van € 25.000.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen.

A. Heeft de Inspecteur terecht een bedrag van € 106.213 tot belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend?

B. Is de vergrijpboete terecht?

Belanghebbende is van oordeel dat beide vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij geen andere gronden aangevoerd.

3.3. Belanghebbende concludeert in hoger beroep, onder vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de desbetreffende uitspraken van de Inspecteur, primair tot vernietiging van de navorderingsaanslag en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen als het Hof zal vermenen te behoren, alsmede, wat de boete betreft, primair tot vernietiging van de boetebeschikking en subsidiair tot vermindering van de boete tot een bedrag als het Hof zal menen te behoren.

De Inspecteur concludeert in hoger beroep, naar het Hof begrijpt, tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. De gronden voor de beslissing

Ten aanzien van het geschilpunt in 3.1 onder A

Vooraf

4.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de Rechtbank in haar uitspraak ten onrechte onder 2.5 heeft overwogen dat de nadere stukken in afschift aan belanghebbende zijn verstrekt, dat de betreffende aanvullende stukken niet zijn ontvangen, dat uitsluitend in de procedure over het jaar 2001 een verweerschrift is ontvangen en dat in de onderhavige zaak nimmer een verweerschrift van de Inspecteur is ontvangen. Wat daarvan zij, belanghebbende heeft niet gesteld dat hij daardoor in zijn belangen is geschaad en zulks is ook niet aannemelijk geworden.

Omkering en verzwaring bewijslast

4.2. Op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) wordt de bewijslast omgekeerd en verzwaard indien belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan dan wel niet heeft voldaan aan de op het rustende verplichtingen tot het op de voet van artikel 47 en 49 van de AWR verstrekken van inlichtingen of tot het op de voet van artikel 52 van de AWR houden van een administratie. Vast staat dat belanghebbende in het onderhavige jaar winst uit onderneming heeft genoten van E in Y. Belanghebbende had tevens een autohandel en heeft activiteiten ontwikkeld op het terrein van hennepkweek en de productie van amfetamine.

4.3. De Inspecteur heeft gesteld dat aan belanghebbende zowel in de fase van de controle als in de bezwaarfase - gewezen wordt op de brieven aan belanghebbende van 18 januari 2007, 2 mei 2007 en 1 juni 2007 - is gevraagd de administratie over te leggen met betrekking tot de autohandel, de hennepkweek, de productie van amfetamine alsmede de herkomst te verklaren van de aanschaf van vermogensbestanddelen. Belanghebbende heeft steeds gereageerd op daartoe strekkende verzoeken van de Inspecteur door het geven van schriftelijke verklaringen en het verschaffen van enkele stukken. Van het overleggen van een samenhangende verifieerbare administratie waaruit de inkomsten en uitgaven betreffende voormelde activiteiten blijken en waaruit de herkomst van de bestedingen valt af te leiden, is evenwel geen sprake.

4.4. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met hetgeen hij heeft overgelegd niet is geslaagd te voldoen aan zijn verplichting tot het verstrekken van informatie noch aan de verplichting tot het voeren van een administratie als voormeld. Het Hof merkt daarbij op dat de Inspecteur, in zijn brief van 2 mei 2007 aan belanghebbende, heeft gewezen op de gevolgen van het niet voldoen aan de verplichtingen voortvloeiende uit voormeld artikel 47.

4.5. 's Hofs oordelen zoals hiervoor vermeld in 4.2 en 4.4 leiden tot ongegrondverklaring van het (hoger) beroep, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.6. Gelet op hetgeen belanghebbende in de stukken en ter zitting heeft aangevoerd, concludeert het Hof dat belanghebbende, met al hetgeen hij heeft aangevoerd, niet het bewijs heeft geleverd, dat wil zeggen overtuigend heeft aangetoond dat het bij "de grote bedragen" die hij heeft gestort en de "grote betalingen" die hij heeft voldaan, gaat om opbrengstbedragen van auto's en dat die bedragen in een ander jaar dan 2003 zijn verdiend. Dat de auto's van belanghebbende en zijn echtgenote nimmer zijn opgenomen op een balans, van E noch van de autohandel, zoals belanghebbende heeft gesteld, maakt dat niet anders. Ook met zijn stelling in hoger beroep dat hij in het verleden een lucratieve drugshandel had, per 1 januari 2001 over aanzienlijke hoeveelheden contante gelden beschikte en er veel geld zat in een door belanghebbende in 1990 aangekochte en in het huis van zijn moeder geplaatste kluis, heeft belanghebbende tegenover de betwisting daarvan door de Inspecteur niet overtuigend aangetoond dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

Redelijke schatting

4.7. Het Hof zal beoordelen of de navorderingsaanslag berust op een redelijke schatting.

4.8. De Inspecteur heeft de koopsom ad € 93.170 voor de aankoop van een auto in januari 2003, contante uitgaven ad

€ 16.000 voor de aankoop van meubels, contante uitgaven ad

€ 4.440 voor huur voor een woning aan de D-straat te Y en contante uitgaven ad € 4.865 voor huur van een woning aan de C-straat te J aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden, omdat niet bekend is welke herkomst deze bedragen hebben.

4.9. Ten aanzien van de koopsom ad € 93.170 voor de aankoop van de auto in januari 2003, overweegt het Hof het volgende.

4.10.1. De koopsom voor de auto is in twee jaren bijgeteld, in het jaar 2002 en in het jaar 2003. De Inspecteur is tot de bijtelling in (mede) 2002 overgegaan tot behoud van rechten. Voor het geval wordt geoordeeld dat het geld voor de auto reeds op 1 januari 2003 aanwezig was, heeft de Inspecteur zich beroepen op interne compensatie "aangezien slechts de netto inkomsten zijn belast in plaats van de bruto inkomsten", hetgeen niet is weersproken.

Het Hof leest dat beroep zo dat de Inspecteur zich op interne compensatie beroept indien en voor zover het geld voor de auto reeds op 1 januari 2003 aanwezig was, conform het oordeel dienaangaande van het Hof.

4.10.2. Gelet op de datum van de aankoop van de auto, welke is gelegen in de maand januari van 2003, acht het Hof redelijk aan te nemen dat 1/13 gedeelte van de koopsom ad € 93.170 of

€ 7.167 is gefinancierd met in januari 2003 verdiend geld en dat de correctie, afgezien van het door de Inspecteur gedaan beroep op interne compensatie, in redelijkheid tot dat laatste bedrag moet worden beperkt. Aan de juistheid van de tot

€ 7.167 teruggebrachte correctie doet niet af dat, naar belanghebbende heeft gesteld, de auto is gekocht op rekening van mevrouw A voornoemd.

Het Hof neemt hierbij mede in aanmerking dat de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en die van mevrouw A met elkaar waren vervlochten en dat belanghebbende en mevrouw A als het ware een economische eenheid vormden. De auto's waren immers zowel op naam van belanghebbende als van zijn echtgenote gesteld.

4.10.3. Het door de Inspecteur gedaan beroep op interne compensatie ziet op de hierna in 4.11 vermelde contante uitgaven. De som van die posten bedraagt € 25.305. De Inspecteur heeft ter zitting aangevoerd dat dat bedrag een berekend netto voordeel is, dat ter zake het bruto voordeel in aanmerking moet worden genomen, in verband met voormelde onherroepelijke uitspraak van het Hof 's-Hertogenbosch en de werking van artikel 3.14, lid 1 aanhef en onderdeel d, van de Wet op de inkomstenbelasting 2001, alsmede dat het bruto voordeel dient te worden vastgesteld op (200% van € 25.305 =) € 50.610, een en ander indien de Inspecteur op het punt van de in 4.8 vermelde contante uitgaven in het gelijk wordt gesteld. Belanghebbende heeft het beroep op interne compensatie niet bestreden. Het Hof honoreert onder evengemelde voorwaarde het beroep op interne compensatie.

4.11. Ten aanzien van de contante uitgaven voor de aankoop van meubels (€ 16.000), voor de huur van een woning aan de D-straat te Y (€ 4.440) en voor de huur van een woning aan de C-straat te J (€ 4.865) overweegt het Hof het volgende.

4.12. In de woning aan de C-straat te J heeft van juni 2003 tot en met april 2004 een hennepkwekerij gezeten. Belanghebbende is door het Hof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor onder meer het opzettelijk telen van hennep te J in de periode 1 juli 2003 tot en met 1 juni 2004 en te Y in de periode 19 april 2004 tot en met 1 september 2004.

Het Hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de feiten waarvoor belanghebbende is veroordeeld. Belanghebbende heeft verder ook in hoger beroep geen afdoende, met bescheiden onderbouwde verklaringen gegeven ter zake van de herkomst van de contante uitgaven. De Inspecteur heeft in redelijkheid de bedragen van de contante uitgaven tot het resultaat uit overige werkzaamheden gerekend. Dat belanghebbende, naar hij door middel van het rapport van de heer O heeft gesteld, de aankoop van de meubels is geschied op naam van mevrouw A voornoemd, dat het huurcontract voor de woning aan de D-straat te Y ten name stond gesteld van mevrouw K, destijds echtgenote van de heer L, en dat het huurcontract voor de woning te J ten name stond gesteld van de heer M en de heer N terwijl de woning werd gehuurd door laatstgenoemde twee heren alsmede door de heer L en belanghebbende, noopt niet tot een andere gevolgtrekking.

4.13. De Inspecteur is binnen de grenzen der redelijkheid gebleven bij het stellen van de correctie op

(€ 16.000 + € 4.440 + € 4.865 =) € 25.305. Dat brengt mee dat het beroep van de Inspecteur op interne compensatie moet worden gehonoreerd. Het Hof verhoogt die correctie met

€ 25.305 tot € 50.610.

4.14. Ter zake van "verlies autohandel" heeft de Inspecteur een correctie toegepast van negatief € 21.846. Belanghebbende heeft tegen die correctie geen grieven geformuleerd. Het Hof heeft geen reden aan te nemen dat die correctie niet in redelijkheid is geschied.

4.15.1. De Inspecteur heeft voor 2003 ter zake van privégebruik auto's bij belanghebbende, die met mevrouw A voornoemd in de onderzoeksperiode van het sfo in totaal 74 kentekens op eigen naam heeft gehad en met mevrouw A in de periode 2001 tot 24 april 2006 betrokken is geweest bij in totaal 56 transacties waarbij auto's op naam werden gesteld van belanghebbende en/of mevrouw A,

€ 25.000 bijgeteld voor het privégebruik van twee auto's. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de Inspecteur in redelijkheid heeft kunnen stellen dat gedurende bedoelde onderzoeksperiode sprake is geweest van een autohandel en dat, in het licht van deze autohandel en het feit dat belanghebbende veelal in dure auto's van het merk F placht te rijden, een bijtelling voor twee auto's met de door de Inspecteur gehanteerde catalogusprijzen redelijk is.

4.15.2. Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld, naar het Hof begrijpt, dat de twee auto's in privé gehouden auto's waren, die niet voor de autohandel zijn gebruikt en dat zeker de auto van mevrouw A uitsluitend privé gehouden is. Zij werkte niet in de autohandel, heeft wel verschillende auto's op haar naam gehad, maar deze auto's waren voor haar eigen plezier en gebruik, privé auto's dus, aldus verder belanghebbende.

4.15.3. Voor zijn in hoger beroep ingenomen stellingen als weergegeven in 4.15.2 heeft belanghebbende, die, naar hij ter zitting heeft verklaard, met betrekking tot zijn handel in auto's geen administratie heeft bijgehouden, zelfs geen begin van bewijs bijgebracht. Het Hof volgt de in 4.15.1 weergegeven oordelen van de Rechtbank. De Inspecteur heeft de bijtelling van € 25.000 in redelijkheid kunnen aanbrengen. Daarbij neemt het Hof mede in aanmerking dat de inkomsten en uitgaven van belanghebbende en die van zijn echtgenote (mevrouw A) met elkaar waren vervlochten en dat belanghebbende en zijn echtgenote als het ware een economische eenheid vormden. Het Hof herhaalt hier dat de auto's zowel op naam van belanghebbende als van zijn echtgenote gesteld.

4.16. In zijn pleitnota heeft belanghebbend gepersisteerd bij zijn stelling dat een bedrag van € 13.672,50 geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op kosten van kleding voor zijn personeel, naar het Hof aanneemt in verband met E. Hiervoor heeft belanghebbende evenwel zelfs geen begin van bewijs bijgebracht. Het Hof verwerpt die stelling.

Voor het geval aangenomen moet worden dat belanghebbende in verband met de heer L een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel, merkt het Hof op dat voor een geslaagd beroep sprake moet zijn zowel feitelijk als rechtens vergelijkbare gevallen. Dat is niet aannemelijk geworden.

Conclusie

4.17. Gelet op het al het vorenstaande is het gelijk gedeeltelijk aan de zijde van belanghebbende. De navorderingsaanslag moet worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 106.213 -

(€ 93.170 - € 7.167 =) € 86.003 + € 25.305 = € 45.515. Het hoger beroep is gegrond.

Ten aanzien van het geschilpunt in 3.1 onder B

4.18. Het Hof is van oordeel dat het aan belanghebbendes opzet is te wijten dat de aanslag voor het jaar 2003 te laag is vastgesteld, door inkomsten uit de autohandel en de handel in hennep willens en wetens niet aan te geven.

De Inspecteur is ter zake van inkomsten uit deze activiteiten terecht uitgegaan van een op te leggen boete van 50%.

4.19. De Rechtbank, oordelende dat de navorderingsaanslag moet worden gehandhaafd en lettende op de hoogte van de correcties en de zwaarte van de feiten, heeft een boete van € 22.786, zowel absoluut als relatief gezien, passend en geboden geacht. Hierbij heeft de Rechtbank tevens meegewogen dat de navorderingsaanslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast.

4.20. Mede gelet op de in aanmerking te nemen vermindering van de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.515, acht het Hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, een vermindering van de boete tot

€ 8.500, zowel absoluut als relatief gezien, passend en geboden. Het Hof merkt daarbij op dat het ook zonder omkering van de bewijslast de correctie voor de auto op € 7.167 zou hebben bepaald, de overige correcties zou hebben gehandhaafd en het beroep interne compensatie zou hebben gehonoreerd.

4.21. In verband met undue delay heeft de Rechtbank de boete met 5% verminderd tot € 21.646, na te hebben vastgesteld dat sinds de aankondiging van de boete bij brief van 20 november 2007 en de uitspraak van de Rechtbank inzake de boete iets meer dan twee jaren waren verstreken. Het Hof zal eveneens rekening houden met de door de Rechtbank vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn.

4.22. Belanghebbende heeft bij brief van 29 december 2009, bij het Hof binnengekomen op 31 december daarna, hoger beroep ingesteld. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juni 2011. Sindsdien, tot het doen van de onderhavige uitspraak, zijn ongeveer 10 maanden verstreken en sinds het instellen van het hoger beroep ongeveer 2 jaar en 4 maanden, dat is ongeveer 4 maanden na afloop van de daarvoor geldende termijn. Sinds de aankondiging van de boete zijn ongeveer 4 jaar en 4 maanden verstreken. Voor de fase in hoger beroep en voor de totale procedure tot nu toe is sprake van undue delay. Het Hof is van oordeel dat de boete nader met 5% moet worden verminderd.

Conclusie

4.23. Het Hof acht, zoals in 4.20 is vermeld, een boete van

€ 8.500 passend en geboden. De door de Rechtbank toegepaste vermindering in verband met undue delay komt dan uit op 5% van € 8.500 is € 425. De door het Hof toe te passen vermindering in verband met undue delay bedraagt dan 5% van (€ 8.500 -

€ 425 =) € 8.075 is € 403,75.

De boete moet worden vastgesteld op € 8.500 - (€ 425 + € 403,75 =) € 828,75 = € 7.671,25, afgerond € 7.600.

Ten aanzien van het griffierecht

4.24. Het hoger beroep is gegrond. De Staat dient aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 110 te vergoeden.

Proceskosten

4.25. Nu het hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op 2 punten x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) = € 874.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen inzake de proceskosten en het griffierecht,

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur, ook die inzake de heffingsrente,

- vermindert de navorderingsaanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.515, met dienovereenkomstige vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente,

- vermindert de boete tot € 7.600,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 110 vergoedt,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874, en

- bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald aan de griffier, nu belanghebbende met een toevoeging heeft geprocedeerd.

Aldus gedaan op 6 april 2012

door J.W.J. Huige, voorzitter, M. van Dun en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.