Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1975

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
HV 200.080.655 E
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortzetting van LJN BW1261 en LJN BW1263

Artikel 1:160 BW, man stelt dat vrouw samenwoont met partner als ware zij gehuwd. Hof beveelt vrouw (artikel 22 Rv) stukken in geding te brengen ter motivering van haar betwisting, teneinde man aanknopingspunten voor evt. bewijslevering te verschaffen. Bewijslast blijft bij man. Hoger beroep wordt afgewezen: niet kan worden vastgesteld dat tussen vrouw en partner een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat vrouw en partner een volledige, tot lotsverbondenheid leidende gemeenschap met elkaar hebben.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 22, geldigheid: 2012-04-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 12 april 2012

Zaaknummer: HV 200.080.655/01

Zaaknummer eerste aanleg: 200100 / FA RK 09-5267-2

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.F.M. Giebels-Derks,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.D. Roos.

9. De beschikking van 26 januari 2012

Bij die beschikking heeft het hof de man in de gelegenheid gesteld schriftelijk mede te delen of en zo ja op welke wijze hij bewijs wenst te leveren van zijn stelling. Voorts heeft het hof beslist dat de man desgewenst kan volstaan met het geven van een schriftelijke reactie op de door de vrouw bij brief van 24 november 2011 in het geding gebrachte stukken. Het hof heeft de vrouw, uit oogpunt van hoor en wederhoor, in de gelegenheid gesteld te reageren.

10. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof heeft vervolgens kennis genomen van:

- de brief van de advocaat van de man van 10 februari 2012;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 5 maart 2012.

11. De verdere beoordeling

11.1. Kern van het geschil is de vraag of de vrouw samenwoont met [verweerster] in de zin van artikel 1:160 BW. Om daarvan uit te kunnen gaan is vereist dat tussen de vrouw en [verweerster] een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat de vrouw en [verweerster] elkaar wederzijds verzorgen, dat zij met elkaar samenwonen en dat zij een gemeenschappelijke huishouding voeren. Noodzakelijk is dat komt vast te staan dat sprake is van een volledige, tot lotsverbondenheid leidende levensgemeenschap welke het kenmerk is van een normaal huwelijk.

11.2. Het hof stelt voorop dat op de man de stelplicht en de bewijslast rust van zijn stelling dat de vrouw samenwoont met [verweerster] als waren zij gehuwd. De door de vrouw in het geding gebrachte feitelijke gegevens zijn in opdracht van het hof overgelegd teneinde de man aanknopingspunten voor bewijslevering te verschaffen.

11.3. Tussen partijen staat vast dat de vrouw en [verweerster] samenwonen. De vrouw heeft erop gewezen dat het hof in zijn beschikking van 26 juli 2011 ten onrechte ervan uit is gegaan dat zij reeds vanaf november 2007 haar intrek heeft genomen in de woning van [verweerster]. Volgens de vrouw is dat geweest vanaf januari 2008. De man heeft dat betwist. Volgens hem is de vrouw eerder op het adres van [verweerster] gaan wonen en heeft pas in januari 2008 inschrijving van de vrouw in de gemeentelijke basisadministratie plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven vanaf welke datum de vrouw haar intrek heeft genomen bij [verweerster], omdat uit het hierna volgende zal blijken dat het hof niet bewezen acht dat sprake is van een samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW.

11.4. Uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat zij een huurovereenkomst heeft gesloten met [verweerster]. Volgens de man is deze huurovereenkomst pas nadien opgemaakt, daarmee kennelijk bedoelend dat de huurovereenkomst vals is en niet overeenstemt met de feitelijke situatie. De man leidt dat af uit de volgende omstandigheden. Volgens de man valt niet in te zien waarom de vrouw in de huurovereenkomst met [verweerster] is aangeduid als zijn achternicht. In de huurovereenkomst wordt vermeld dat [verweerster] de vrouw inwoning verschaft totdat zij alternatieve woonruimte heeft gevonden, terwijl de vrouw tot maart 2008 de voormalige echtelijke woning had kunnen blijven bewonen, zodat zij geen aanleiding had om bij [verweerster] in te trekken. Voorts heeft de man aangevoerd dat de vrouw nimmer van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om alternatieve woonruimte te verkrijgen. Zij had immers de mogelijkheid om te reageren op het aanbod van de woningbouwverenigingen in [vestigingsplaats], hetgeen zij nimmer heeft gedaan.

11.5. Uit de omstandigheid dat de vrouw eerder uit de echtelijke woning is vertrokken dan noodzakelijk, valt naar het oordeel van het hof niet af te leiden dat de huurovereenkomst niet in overeenstemming zou zijn met de werkelijkheid. Het hof acht het niet opmerkelijk of ongebruikelijk dat de vrouw tijdig andere woonruimte heeft gezocht en aldaar haar intrek heeft genomen. Het hof volgt de man evenmin in zijn stelling met betrekking tot de aanvaarding van andere woonruimte. Niet valt uit te sluiten dat de vrouw, zoals zij stelt, de beschikbare woonruimte op de woningmarkt niet geschikt achtte en er de voorkeur aan gaf om haar verblijf bij [verweerster] te continueren. Evenmin valt uit te sluiten dat, daar waar aanvankelijk de intentie bestond dat het verblijf bij [verweerster] van korte duur zou zijn, dat verblijf wederzijds is bestendigd zodat de noodzaak om andere woonruimte te zoeken naar de achtergrond is geraakt. Tot slot acht het hof van belang dat de vrouw een verklaring heeft gegeven waarom zij haar intrek heeft genomen bij [verweerster], die haar achterneef is. Zij heeft immers gesteld dat zij een moeilijke tijd heeft doorgemaakt door haar ontslag uit een baan, de zorg voor haar zieke moeder, suïcide door haar zuster, een suïcidepoging van de oudste zoon en de echtscheiding, dat zij een hechte band heeft met haar familie en dat zij ook tijdens het huwelijk al een goed contact had met [verweerster] met wiens gezin zij voorheen ook wel eens gezamenlijk vakantie vierde. Gelet op deze (onbetwiste) omstandigheden kan uit de vermelding in het huurcontract dat de vrouw de achternicht is van [verweerster], evenmin worden afgeleid dat deze vals is.

11.6. Uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften volgt dat de vrouw maandelijks huurpenningen aan [verweerster] heeft betaald. Weliswaar staat bij de overschrijving op 22 januari 2008 (en kennelijk ook bij de overschrijving op 25 maart 2008 die gedeeltelijk is weggelakt) vermeld dat dit bedrag niet slechts huur betreft maar tevens levensonderhoud, maar daar staat tegenover dat op diezelfde bankafschriften afschrijvingen staan vermeld waaruit blijkt dat de vrouw uitgaven heeft gedaan bij supermarkten, dus dat zij haar eigen boodschappen heeft afgerekend. De man heeft geconstateerd dat nadien de pinbetalingen aan supermarkten zijn geëindigd, tot omstreeks het moment dat de rechtbank uitspraak heeft gedaan en dat nadien weer wel pinbetalingen aan supermarkten op de bankafschriften voorkomen. De vrouw heeft daarvoor als verklaring gegeven dat zij stelselmatig contant geld heeft opgenomen waarvan zij boodschappen heeft voldaan en voorts dat zij met grote regelmaat schenkingen van haar moeder heeft ontvangen die ook in de regel in contanten werden verstrekt. Het hof constateert dat de vrouw inderdaad met zekere regelmaat contant geld heeft opgenomen van haar bankrekening. Hoewel daarmee niet vast staat dat de vrouw dat geld heeft aangewend voor het betalen van boodschappen, kan dat ook niet worden uitgesloten. In samenhang met de schenkingen die de vrouw stelt te hebben ontvangen van haar moeder, is het hof van oordeel dat zij de stelling van de man, dat de vrouw en [verweerster] in elkaars levensonderhoud voorzien, daarmee voldoende heeft ontzenuwd. Daartoe heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de man heeft erkend dat het ook al tijdens zijn huwelijk met de vrouw gebruikelijk was in de familie van de vrouw, dat er geld van de bankrekening van de moeder van de vrouw werd overgemaakt op de bankrekening van de echtgenoot van de zus van de vrouw, waarna een gedeelte daarvan aan de vrouw werd verstrekt. Uit de bankafschriften van de moeder blijkt in ieder geval van overschrijvingen naar de bankrekening van de zus van de vrouw, althans haar echtgenoot. Voor zover de man bedoelt te suggereren dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor deze schenkingen, mist die stelling relevantie, omdat een eventuele onrechtmatigheid wat dat betreft, onverlet laat dat de man niet, althans onvoldoende heeft betwist dat de vrouw geld heeft ontvangen dat afkomstig was van de moeder. Evenmin is van belang of de vrouw en haar zus financiële ondersteuning van de moeder nodig hadden of hebben.

11.7. Uit de door de vrouw overgelegde stukken kan niet eenduidig worden afgeleid wie de kosten van de vakanties die de vrouw met [verweerster] heeft genoten, heeft betaald. Dat betekent niet dat daaruit volgt dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW. De man dient te stellen en te bewijzen dat daarvan sprake is. Nu uit de door de vrouw overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat de vrouw de vakanties volledig, dus ook voor [verweerster] heeft betaald, en daaruit evenmin kan worden afgeleid dat [verweerster] de vakanties volledig, dus ook voor de vrouw, heeft betaald, terwijl de vrouw wel voldoende inzicht heeft gegeven in haar financiële administratie, had het op de weg van de man gelegen om op andere wijze bewijs te leveren dat daarvan sprake was. De man heeft echter in hoger beroep afgezien van bewijslevering door middel van getuigenverhoor en hij heeft ook geen ander bewijs bijgebracht.

11.8. De man heeft in zijn appelschrift aangevoerd dat het onmogelijk is dat de vrouw met haar inkomen kan rondkomen. Die stelling was één van de redenen voor het hof om de vrouw op te dragen stukken in het geding te brengen teneinde de man in de gelegenheid te stellen bewijs te leveren. Nadat de vrouw stukken in het geding heeft gebracht, had het op de weg van de man gelegen om die stelling nader toe te lichten, hetgeen hij heeft nagelaten. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor over de huurpenningen, de lasten van de vrouw en de schenkingen door de moeder van de vrouw is overwogen, verwerpt het hof daarom die stelling van de man.

11.9. Voorts heeft de man zijn in eerste aanleg reeds ingenomen stelling herhaald, dat de vrouw regelmatig gebruik maakt van de auto van de man, hetgeen de vrouw heeft betwist. Gelet op die betwisting had het op de weg van de man gelegen om zijn stelling nader te concretiseren, hetgeen hij eveneens heeft nagelaten. Ook die stelling wordt dus verworpen.

11.10. De rechtbank heeft, na weging van de stellingen van partijen en de verklaringen van de getuigen die hierover zijn gehoord, de stelling van de man dat de vrouw en [verweerster] een affectieve relatie hebben, verworpen. Hoewel de grieven van de man niet uitdrukkelijk zijn gericht tegen de bewijswaardering, moet uit de toelichting op grief 1 worden afgeleid dat de man zich met die bewijswaardering niet kan verenigen. Het hof neemt de bewijswaardering van de rechtbank echter over en maakt deze tot de zijne. De klacht van de man dat de getuigen in contra-enquête na een schorsing hun verklaringen hebben afgestemd op de verklaring van de vrouw - hetgeen de vrouw heeft betwist - verwerpt het hof, nu alle getuigen onder ede zijn gehoord. De man heeft in hoger beroep een schriftelijke verklaring overgelegd van [Z.] (productie 10), waarin wordt vermeld dat de vrouw en [verweerster] het bed met elkaar deelden. De juistheid van die verklaring is door de vrouw betwist. Nu de man heeft afgezien van getuigenverhoor in hoger beroep, ziet het hof onvoldoende aanleiding om op grond van deze schriftelijke verklaring het bewijs anders te waarderen dan de rechtbank heeft gedaan. Het als productie 11 in hoger beroep overgelegde bericht op Hyves vermeldt niets relevants in dit opzicht. Anders dan de man kennelijk meent, hoeft de vrouw het door hem aangedragen bewijs slechts te ontzenuwen, hetgeen zij naar het oordeel van het hof heeft gedaan. De overige door de man aangevoerde omstandigheden, voor zover deze in het voorgaande niet reeds zijn besproken, brengen het hof niet tot een andere bewijswaardering.

11.11. Het hof komt tot de slotsom dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet kan worden vastgesteld dat tussen de vrouw en [verweerster] een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat de vrouw en [verweerster] een volledige, tot lotsverbondenheid leidende levensgemeenschap met elkaar hebben. Grief 1 faalt mitsdien.

11.12. De man klaagt met grief 2 over de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. Deze grief slaagt. De man had voldoende aanwijzingen om te veronderstellen dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW. Van ex-echtelieden mag worden verwacht dat zij zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid jegens elkaar gedragen en in een situatie als de onderhavige brengt dat mee dat van de vrouw verlangd had mogen worden dat zij voldoende inzicht had gegeven in haar financiële situatie, hetgeen zij heeft nagelaten. Daarmee had een procedure voorkomen kunnen worden. Het hof zal de proceskosten zowel in eerste aanleg als in hoger beroep compenseren nu partijen ex-echtelieden zijn.

11.13. De bestreden beschikking zal dus worden bekrachtigd, behoudens voor zover de man is veroordeeld in de proceskosten.

12. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 oktober 2010 behoudens voor zover de man is veroordeeld in de proceskosten en in zoverre opnieuw rechtdoende:

compenseert de proceskosten zowel in eerste instantie als in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. van Ham, C.D.M. Lamers en P.C.G. Brants en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2012.