Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1953

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
20-004014-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2010:BO0533, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt de verdachte wegens een moord, twee pogingen daartoe en twee mishandelingen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren en gelast tevens dat hij ter beschikking zal worden gesteld met verpleging van overheidswege.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-004014-10

Uitspraak : 12 april 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 15 oktober 2010 (LJN BO0533) in de strafzaak met parketnummer 03/700133-10 tegen de verdachte,

[naam van de verdachte],

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar 1987],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden,

locatie Scheveningen, Penitentiair Psychiatrisch Centrum, te ’s-Gravenhage,

bij welk vonnis:

- de verdachte van het 3, 4 primair en 4 subsidiair ten laste gelegde werd vrijgesproken;

- het onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde bewezen werd verklaard en als “moord” werd gekwalificeerd;

- het onder 2 (impliciet primair) ten laste gelegde bewezen werd verklaard en als “poging tot moord” werd gekwalificeerd;

- het onder 5 ten laste gelegde bewezen werd verklaard en als “mishandeling van een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” werd gekwalificeerd;

- de verdachte niet strafbaar werd verklaard en werd ontslagen van alle rechtsvervolging;

- de terbeschikkingstelling van de verdachte werd gelast, met verpleging van overheidswege;

- de vorderingen van de benadeelde partijen [nabestaande van A], [B] en [E] volledig werden toegewezen.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 28 maart 2011, 20 juni 2011, 4 juli 2011, 12 september 2011, 8 december 2011, 23 februari 2012 en 29 maart 2012, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 4 juni 2010, 9 juli 2010 en 1 oktober 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. J.W.M. Grimbergen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. W.G.M.M. van Montfort naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en - opnieuw rechtdoende - het onder 1 (impliciet primair), 2 (impliciet primair), 3 (in hoger beroep: primair, impliciet primair), 4 primair en 5 ten laste gelegde bewezen zal verklaren, de terbeschikkingstelling van de verdachte zal gelasten met verpleging van overheidswege en de verdachte daarnaast zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest. Verder heeft de advocaat-generaal gerekwireerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregelen tot de telkens toe te wijzen bedragen.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte integraal van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Voorts heeft hij - bij wijze van een subsidiair standpunt - bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en de terbeschikkingstelling van de verdachte zal worden gelast met verpleging van overheidswege. Tot slot heeft de raadsman een draagkrachtverweer gevoerd met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen en op te leggen schadevergoedingsmaatregel.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd. Opmerking verdient ook dat de promis-bewijsvoering van de rechtbank gebreken vertoont, in die zin dat bepaalde vastgestelde feiten en omstandigheden niet blijken uit de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen en bovendien een ontkennende verklaring van de verdachte voor het bewijs is gebruikt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na een wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2012 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 februari 2010 in de gemeente Heerlen opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, [A] heeft doodgestoken;

2.

hij op of omstreeks 28 februari 2010 in de gemeente Utrecht ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [B] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met kracht met een (in een plastic zak gestopte) hamer, in elk geval met een hard voorwerp, op het hoofd van die [B] heeft geslagen en/of meermalen, althans eenmaal, in de richting van het hoofd van die [B] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 16 januari 2010 in de gemeente Arnhem ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [C] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal, met een mes in de nek en/of hals van die [C] heeft gestoken en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2010 in de gemeente Arnhem opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [C], meermalen, althans eenmaal, met een mes in de nek en/of hals heeft gestoken en/of gesneden, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 16 januari 2010 in de gemeente Arnhem ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [D] van het leven te beroven, met dat opzet met een mes in het lichaam, althans in de richting van het lichaam, van die [D] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2010 in de gemeente Arnhem ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [D], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes in het lichaam, althans in de richting van het lichaam, van die [D] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2010 in de gemeente Arnhem opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [D], met een mes in het lichaam heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij op of omstreeks 2 maart 2010 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [E] (brigadier van politie), gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde

Naar het oordeel van het hof schiet het voorhanden bewijs te kort om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde, de poging tot doodslag, dan wel de poging tot zware mishandeling van [D]. Het hof overweegt daartoe als volgt. De verdachte heeft met een mes een ‘backhandbeweging’ gemaakt in de richting van de buik van het slachtoffer [D]; daar werd het slachtoffer ook geraakt. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft een rapport d.d. 9 maart 2011 opgesteld over de risico’s van het steken met een mes als door de verdachte is gebruikt, maar dat rapport ziet op het steken in de halsstreek, niet in de buikstreek. Gelet op de wijze van steken - een backhandbeweging -, op het gebruik van een mes waarvan het uiteinde van het lemmet is afgerond en de minder gevaarlijke plaats waar het slachtoffer is geraakt in relatie tot de positie die de verdachte en [D] ten opzichte van elkaar hadden ingenomen, concludeert het hof dat niet kan worden vastgesteld dat de kans dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou komen te overlijden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou bekomen, aanmerkelijk is. Het hof acht daarom niet bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop gericht was, zodat hij van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair), 2 (impliciet primair), 3 primair (impliciet primair) 4 meer subsidiair en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij op 28 februari 2010 in de gemeente Heerlen opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, [A] heeft doodgestoken;

2.

hij op 28 februari 2010 in de gemeente Utrecht ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [B] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg meermalen met kracht met een (in een plastic zak gestopte) hamer op het hoofd van die [B] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 16 januari 2010 in de gemeente Arnhem ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [C] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes in de nek en hals van die [C] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op 16 januari 2010 in de gemeente Arnhem opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [D], met een mes in het lichaam heeft gestoken, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

5.

hij op 2 maart 2010 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [E] (brigadier van politie), gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft gestompt, waardoor voornoemde ambtenaar pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

• Algemeen verweer: ontbreken van ieder opzet door stoornis

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte integraal van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij - zakelijk weergegeven -aangevoerd dat de cognitieve vermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten dermate beperkt waren dat zijn opzet daarop niet, ook niet in voorwaardelijke zin, gericht kan zijn geweest.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld dient te worden dat een geestelijke stoornis slechts dan aan een bewezenverklaring van het opzet in de weg staat, indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen ervan heeft ontbroken (vgl. HR 14 december 2004, LJN AR3226).

Afgezien nog van het feit dat de conclusie van de rechtbank dat de feiten niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend, nog niet betekent dat daarmee ook ieder inzicht in vorenbedoelde zin afwezig was, moet worden vastgesteld dat die conclusie inmiddels achterhaald is. Die conclusie was immers gebaseerd op rapporten van psychiatrische en psychologische onderzoeken waaraan de verdachte niet had meegewerkt, terwijl de verdachte na het vonnis waarvan beroep opnieuw aan zulke onderzoeken is onderworpen en toen wel zijn medewerking heeft gegeven. Het heeft geresulteerd in een rapportage van het Pieter Baan Centrum (hierna te noemen: PBC) d.d. 5 december 2011 die door de psychiater F.R. Kruisdijk en de psycholoog R.J.A. van Helvoirt is opgemaakt. De gedragsdeskundigen kwamen tot de conclusie dat de verdachte voor alle feiten als sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Het hof ziet in het rapport geen enkele steun voor de stelling van de raadsman dat de cognitieve vermogens van de verdachte dermate beperkt waren dat hij niet in staat kan worden geacht opzettelijk te hebben gehandeld. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof ook anderszins geen feiten of omstandigheden gebleken die nopen tot een dergelijke conclusie. Er is derhalve geen sprake van een situatie waarin het aan ieder inzicht in het handelen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

• Voorbedachte raad ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte in elk geval van het onder 1 (impliciet primair) ten laste gelegde - de moord op [A] - zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het enkele vermoeden dat de verdachte het slachtoffer is gevolgd onvoldoende is om van voorbedachte raad te kunnen spreken. Er is sprake van slechts één messteek; de mogelijkheid kan niet worden uitgesloten dat de verdachte die in een opwelling heeft toegebracht in de laatste vier seconden. De verdachte had het mes al de hele week bij zich met de bedoeling zich te verdedigen. Hij had geen motief of aanleiding om een willekeurige voorbijganger te vermoorden. Er is maar één verklaring voor het gedrag van de verdachte: hij was als gevolg van een paranoïde psychose volledig ontoerekeningsvatbaar, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een bewezenverklaring van moord is onder meer vereist dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de beoordeling van dit criterium moet een weging en waardering worden gemaakt van de omstandigheden van het concrete geval, met dien verstande dat het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van de voorbedachte raad pleiten.

In het onderhavige geval acht het hof van belang dat de verdachte het latere slachtoffer [A] vanaf het einde van de stationstunnel tot aan het Glaspaleis in het centrum van Heerlen onafgebroken en op korte afstand heeft gevolgd. Gedurende die achtervolging droeg de verdachte een mes bij zich. De verdachte is het slachtoffer kort voor het Pancratiusplein voorbij gehold, heeft [A] met een mes in de hals gestoken en is daarna teruggehold in de richting van het station. Er is niet gebleken van enige aanleiding voor de honderden meters lange achtervolging, laat staan voor de daaropvolgende steekpartij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof geen enkel objectief aanknopingspunt naar voren gekomen op grond waarvan aangenomen kan worden dat de verdachte in een opwelling heeft gehandeld. Dat “het veronderstelde aanwezige paranoïde psychotische toestandsbeeld zeer waarschijnlijk een vertekende realiteit bij de verdachte veroorzaakte waarbij anderen als kwaadwillend werden ervaren en de verdachte zich bedreigd voelde en zich meende te moeten verdedigen”, zoals uit de dubbelrapportage van het PBC naar voren komt, doet daaraan niet af. De feitelijke situatie is dat de verdachte zonder dat gebleken is van enige aanleiding een nietsvermoedend slachtoffer heeft gevolgd om hem vervolgens met een mes aan te vallen. Zoals reeds aan de orde is gekomen, is de stelling van de raadsman dat de verklaring van verdachtes handelen uitsluitend in diens stoornis ligt, ongegrond en wordt deze daarom terzijde gesteld. Daarbij is nog daargelaten dat ook ingeval de stoornis van de verdachte zijn gedragskeuzes c.q. gedragingen zodanig heeft beïnvloed dat het feit niet aan hem kan worden toegerekend - wat hier dus niet het geval is - nog niet de afwezigheid van voorbedachte raad met zich brengt (vgl. HR 5 februari 2008, LJN BB4959).

Naar het oordeel van het hof schiet het voorhanden bewijs weliswaar tekort voor de vaststelling op welk moment de verdachte het besluit heeft genomen om tot een (potentiële) dodingshandeling over te gaan, maar dat is ook niet vereist: ook de gelegenheid tot bezinning op een te nemen besluit, levert voorbedachte raad op. Mede in aanmerking genomen de uiterlijke verschijningsvorm van het gebeuren, zoals hiervoor uiteen is gezet, acht het hof bewezen dat de verdachte die gelegenheid tijdens de achtervolging heeft gehad. De verdachte heeft toen voldoende gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Hetgeen de raadsman voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

• De getuigenverklaringen van de medewerkers van het PPC Overmaze

Het verweer van de raadsman dat strekt tot bewijsuitsluiting van de getuigenverklaringen van de medewerkers van het PPC Overmaze behoeft geen bespreking, nu het hof deze niet voor het bewijs gebruikt.

• Voorbedachte raad ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het onder 2 (impliciet primair) ten laste gelegde - de poging tot moord op [B] - zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte de hamer niet bij zich had om daarmee iemand anders op het hoofd te slaan. De verdachte heeft het slachtoffer vanuit het niets geslagen. De gedachte is dat de verdachte direct na een in Heerlen gepleegde moord opnieuw een moord heeft geprobeerd te plegen, ditmaal met een hamer. De verdachte kan echter niet na kalm beraad en rustig overleg hebben gehandeld. Gelet op zijn psychische toestand heeft hij de gevolgen van zijn handelen niet kunnen overzien, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Voor de beantwoording van de vraag of aan het eerder omschreven criterium van de voorbedachte raad is voldaan, is het volgende van belang. De verdachte heeft het slachtoffer [B] - kort voordat deze de roltrap in het winkelcentrum Hoog-Catharijne in Utrecht wilde nemen - met een hamer op het achterhoofd geslagen. Hij riep daarbij “Dat flik je me niet nog een keer!” en sloeg hem daarna nog een aantal keren met de hamer. In totaal heeft de verdachte het slachtoffer zes keer geslagen in negen seconden tijd. Het slachtoffer is naar achteren uitgeweken en heeft geprobeerd de klappen af te weren, terwijl de verdachte achter het slachtoffer aanliep om tegelijkertijd herhaaldelijk op het hoofd van het slachtoffer te slaan. De verdachte is vervolgens rustig weggelopen, het slachtoffer met vier grote wonden op het achterhoofd achterlatend. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij ruzie met het slachtoffer had en hem daarom met een hamer heeft geslagen.

Het hof leidt uit het vorenstaande af dat de verdachte het slachtoffer heeft willen uitschakelen en dat de omstandigheden waaronder hij dat heeft getracht te doen, op handelen met voorbedachten rade wijzen. Daarbij heeft het hof meegewogen dat de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank van 1 oktober 2010 heeft verklaard dat hij het slachtoffer achterna is gelopen. Daar komt bij dat de verdachte - in elk geval naar de uiterlijke verschijningsvorm - rustig is weggelopen. Dat is niet te rijmen met het handelen in een opwelling. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof bovendien geen feiten of omstandigheden gebleken die aannemelijk maken dat de verdachte wel in een opwelling heeft gehandeld. Een weging en waardering van de feiten en omstandigheden van dit geval brengt het hof daarom tot het oordeel dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof acht aldus bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Hetgeen de raadsman voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

• De deugdelijkheid van het onder 3 bewezen verklaarde middel

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van het onder 3 primair ten laste gelegde - de poging tot moord op, dan wel tot doodslag van [C] - zal worden vrijgesproken. Daartoe heeft hij - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat het door de verdachte gehanteerde mes niet geschikt is voor het doden van een mens. De conclusie van het deskundigenonderzoek dat met het mes ernstig lichamelijk letsel kan worden veroorzaakt, maakt dat niet anders, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een beroep op een absoluut ondeugdelijk middel is naar het oordeel van het hof vereist dat de uitvoeringshandeling dermate ineffectief en ongerijmd is dat het nimmer tot het door de verdachte beoogde doel had kunnen leiden.

Uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 9 maart 2011 komt naar voren dat:

- het door de verdachte gebruikte mes een scherprandig en puntig voorwerp is waarmee door snijden en/of steken scherprandige perforaties van de huid en inwendige organen kunnen worden veroorzaakt;

- de gevaarzetting van deze perforaties in belangrijke mate afhankelijk is van de plaats van het lichaam waar de perforatie wordt bewerkstelligd;

- snij/steekletsels in de hals veelvuldig ernstig c.q. fataal verlopen vanwege de oppervlakkige ligging van meerdere vitale structuren, zoals bloedvaten, de luchtpijp en zenuwen.

Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan het hof de raadsman niet volgen in zijn stelling dat het mes desondanks als een ondeugdelijk middel moet worden aangemerkt. Het hof stelt op grond van het deskundigenrapport vast dat het met kracht steken met het litigieuze mes in de halsstreek potentieel dodelijk is.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

• (Voorwaardelijk) opzet op de dood van [C]

Op basis van voornoemd deskundigenrapport oordeelt het hof dat door het met kracht steken met het litigieuze mes in de halsstreek, er een aanmerkelijke kans heeft bestaan op het overlijden van het slachtoffer [C]. De verdachte moet zich daarvan, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, bewust zijn geweest. Hij heeft die kans niettemin willens en wetens aanvaard. Aldus is er bij de verdachte sprake geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

• Voorbedachte raad van het onder 3 bewezen verklaarde

Ambtshalve overweegt het hof als volgt ten aanzien van de vraag of is voldaan aan het criterium van voorbedachte raad. De verdachte is in de recreatieruimte van de Penitentiaire Inrichting De Berg in Arnhem - na daar eerst een tijdje te hebben geijsbeerd - vanuit het niets naar het slachtoffer gelopen en heeft hem toen bij de rechter schouder vastgepakt om vervolgens op hem in te steken. Hij stak met kracht in de hals en het strottenhoofd van het slachtoffer. Hij maakte lange uithalen naar achteren, met de kennelijke bedoeling om krachtig op het slachtoffer in te steken. Het slachtoffer had daarna een rode streep in de nek en een snee op het strottenhoofd. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij het slachtoffer wilde verwonden om iets dat hij een half uur daarvoor tegen hem had gezegd. Dat had volgens hem plaatsgevonden in een andere recreatiezaal. Het mes behoorde tot het inventaris van de gedetineerde in de cel en mocht niet meegenomen worden naar de recreatieruimten.

Gelet op het voorgaande heeft de verdachte naar het oordeel van het hof voldoende gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof geen feiten of omstandigheden gebleken die tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. Het hof acht daarom bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht en levert de volgende kwalificatie op:

Moord.

Het onder 2 en 3 bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 289 juncto artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en levert telkens de volgende kwalificatie op:

Poging tot moord.

Het onder 4 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 300, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en levert de volgende kwalificatie op:

Mishandeling.

Het onder 5 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 300 juncto artikel 304, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht en levert de volgende kwalificatie op:

Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de bewezen verklaarde feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft bij wijze van een subsidiair standpunt bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en daartoe aangevoerd dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard. Zoals reeds is overwogen, is voor die stelling geen steun te vinden in de rapportage van het Pieter Baan Centrum. Volgens de psychiater F.R. Kruisdijk en de psycholoog R.J.A. van Helvoirt, die deze rapportage hebben opgemaakt, is de verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Het hof volgt de conclusie van deze gedragsdeskundigen en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing dat de bewezen verklaarde feiten slechts in sterk verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

A.

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan één moord, twee pogingen daartoe en twee mishandelingen, waarvan een ten opzichte van een politieagent.

De rechtbank heeft de verdachte - uitgaande van één moord, één poging daartoe en een mishandeling van een politieagent - ontslagen van alle rechtsvervolging en de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd.

De advocaat-generaal heeft - uitgaande van één moord, twee pogingen daartoe, een poging tot zware mishandeling en een mishandeling van een politieagent - gevorderd dat de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd en dat de verdachte daarnaast zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

De raadsman heeft in subsidiaire zin bepleit dat de verdachte alleen de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.

B.

Het hof ziet zich aldus voor de vraag gesteld of in het onderhavige geval de maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd. Bij de beantwoording van die vraag wordt de inhoud van meergenoemde rapportage van het PBC in aanmerking genomen. In dit verband zijn de volgende conclusies van de psychiater Kruisdijk en psycholoog Van Helvoirt van belang.

• De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde

“Betrokkene is lijdende aan de ziekte schizofrenie van het paranoïde type en heeft een gebrekkige opbouw van de persoonlijkheid veroorzaakt door een disharmonische opvoeding, vroeg antisociaal gedrag en een vertraagde rijping als gevolg van beperkte intellectuele vermogens op zwakbegaafd niveau. De persoonlijkheid is niet volledig uitgekristalliseerd en wordt gekenmerkt door antisociale en afhankelijke trekken. Deze laatste overlappen met de uit de ziekte schizofrenie voortkomende beperkingen. […]

Er kan vanuit gegaan worden dat bovenstaande psychopathologie in de volle omvang aanwezig was ten tijde van alle ten laste gelegde feiten, immers het betreft (schizofrenie, persoonlijkheidsopbouw en zwakbegaafdheid) chronische en langdurig invaliderende aandoeningen. Bovendien werd de ziekte schizofrenie toentertijd niet behandeld met medicijnen.”

• De mate van toerekeningsvatbaarheid

“Het veronderstelde aanwezige paranoïde psychotische toestandsbeeld bij alle vijf ten laste gelegde feiten veroorzaakte zeer waarschijnlijk een vertekende realiteit bij betrokkene, waarbij anderen als kwaadwillend werden ervaren en betrokkene zich bedreigd voelde en zich meende te moeten verdedigen. De voortdurende drang zich preventief te moeten bewapenen hangt hiermee zeer waarschijnlijk samen.

De snelle en gerichte massale agressieve reactie duidt op het ontbreken van remmingen door enerzijds de aangetaste realiteitstoetsende vermogens wegens de psychose, anderzijds de beperktere remming vanuit intellectuele vermogens. Bovendien de deels ontbrekende remming vanuit gewetensfuncties die bij betrokkene vanaf de vroege jeugd lacunair zijn aangelegd vanuit een gedragsstoornis met antisociaal gedrag.

Aangezien de psychotische component in bovenstaande niet exact kon worden geanalyseerd en gereconstrueerd - betrokkenes psychose is door het gebruik van medicatie inmiddels in remissie en er zijn geen opvallende restverschijnselen van hallucinaties of wanen en hij vertoont een partiële amnesie - achten wij betrokkene sterk verminderd toerekeningsvatbaar voor de vijf ten laste gelegde feiten.”

• Het gevaar van recidive

“Indien de meervoudige problematiek van betrokkene onbehandeld blijft, is er sprake van een hoog gevaar op recidive. Dit op zowel de korte-, middenlange- als lange termijn. Prognostisch ongunstig te noemen is dat er bij betrokkene al vanaf vroege leeftijd sprake is van een gedragsstoornis, betrokkene al op relatief vroege leeftijd begint met middelenmisbruik, het hem ontbreekt aan ziektebesef, laat staan -inzicht en dat hij ten gevolge daarvan niet of nauwelijks aan kan geven wanneer het in psychiatrisch opzicht minder goed met hem gaat. Met het ontbreken van het ziektebesef ontbreekt bij betrokkene ook de intrinsieke motivatie om blijvend medicamenteus behandeld te worden. Verder valt over het recidivegevaar nog op te merken dat de combinatie van het hebben van een gedragsstoornis (welke zich bij betrokkene op latere leeftijd heeft ontwikkeld in de richting van een antisociale persoonlijkheidsstoornis) en het in de vroege adolescentie beginnen met middelengebruik, een krachtige voorspeller is van later gewelddadig gedrag waarbij in het geval van betrokkene, de schizofrene stoornis een verder invaliderende werking heeft. Betrokkene herkent bij zichzelf geen risicosignalen wat automatisch impliceert dat zijn omgeving deze moet herkennen alvorens te kunnen interveniëren om eventueel gevaar af te kunnen wenden.”

• De geadviseerde maatregel

“Op grond van de beschreven pathologie, de doorwerking en de risicotaxatie adviseert de staf van het PBC […] de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Een langdurig structurerend en beveiligend kader is noodzakelijk wegens het hoge risico op herhaling, het ontbrekende of verdrongen ziektebesef bij betrokkene, de diverse op elkaar inwerkende psychopathologische componenten en de lange veronderstelde tijd die betrokkene nodig zal hebben om hiermee om te leren gaan.”

Het hof volgt deze conclusies en maakt deze tot de zijne.

C.

Op grond van het vorenstaande acht het hof een terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht noodzakelijk. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat:

- bij de verdachte tijdens de bewezen verklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond;

- de onder 1 bewezen verklaarde moord en de onder 2 en 3 bewezen verklaarde pogingen tot moord misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;

- uit voormelde rapportage is gebleken dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen, het opleggen van die maatregel eist.

Het hof is bovendien van oordeel dat in casu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen een bevel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege eist. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het hof zal dan ook ter zake van de onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en daarbij bevelen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

D.

Het hof acht naast de oplegging van genoemde maatregel, oplegging van een straf geboden.

Bij de bepaling van deze op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan onder de gegeven omstandigheden niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De verdachte heeft zich onder meer schuldig gemaakt aan één moord en twee pogingen daartoe (het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde). Bij moord kan in de regel niet worden volstaan met een lagere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum (voor moord is dat strafmaximum de levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke van ten hoogste dertig jaren; voor een poging daartoe ten hoogste twintig jaren) en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Aan dit uitgangspunt ligt ten grondslag dat moord algemeen wordt beschouwd als het ernstigste commune delict, nu het opzettelijk en met voorbedachten raden benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven, is.

Het hof neemt daarbij de volgende bijzondere omstandigheden in aanmerking.

28 februari 2010 is een dag waarop de verdachte op een moordexpeditie lijkt te zijn gegaan. Eerst heeft hij op klaarlichte dag in het centrum van Heerlen [A] vermoord; daarna is hij met de trein naar Utrecht gegaan en heeft hij daar op het station [B] geprobeerd te vermoorden. Steeds was er geen enkele aanleiding voor het geweld. De slachtofferverklaringen maken pijnlijk duidelijk wat de gevolgen daarvan zijn geweest. Die gevolgen zijn vanzelfsprekend het grootst voor de nabestaanden van het slachtoffer [A]. De verdachte heeft diepe wonden geslagen in de levens van de broers, de zus, hun kinderen en de collega’s van het slachtoffer. Ook voor het slachtoffer [B] zijn de gevolgen groot. Nog altijd kampt hij met gevoelens van angst en onveiligheid. Bovendien is niet alleen de waardigheid van de slachtoffers ernstig geweld aangedaan, ook de nietsvermoedende aanwezigen en meer in het algemeen de rechtsorde zijn ernstig geschokt.

Tijdens een eerdere detentieperiode had de verdachte al eens een poging tot moord gepleegd. Toen was zijn geweld gericht op medegedetineerde [C]. Ook toen gebeurde dat zonder noemenswaardige aanleiding. Iets dat [C] een half uur eerder tegen hem had gezegd, was voor hem kennelijk aanleiding tot een steekpartij. Bij dat voorval mishandelde de verdachte bovendien ook een andere medegedetineerde (het onder 4 bewezen verklaarde).

Ook bij de ondervraging over de dood van [A] toonde de verdachte zijn enorme agressiviteit. Dit keer werd een politieagent daarmee geconfronteerd. De mishandeling die dat als gevolg had (het onder 5 bewezen verklaarde), heeft ook op hem impact gehad, zo is tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen.

In strafverhogende zin werkt ook dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 23 januari 2012 eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld.

Gezien het vorenstaande zou naar het oordeel van het hof normaal gesproken een gevangenisstraf van zeer lange duur aan de orde zijn. Uit hetgeen hiervoor onder B is weergegeven, blijkt echter dat de verdachte aan een dusdanig ernstige psychiatrische aandoening lijdt dat de bewezen verklaarde feiten aan hem nog slecht in zeer beperkte mate kunnen worden toegerekend. Bovendien zal ook de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege - een maatregel met een vrijheidsbenemend karakter - aan de verdachte worden opgelegd.

Alles in ogenschouw genomen, acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 9 jaren aangewezen, met dien verstande dat het hof daarbij adviseert dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal aanvangen nadat de helft van de gevangenisstraf ten uitvoer is gelegd.

Maatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [nabestaande van A] als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 8.763,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (28 februari 2010) tot en met de dag der voldoening.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [B] als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 2.071,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (28 februari 2010) tot en met de dag der voldoening.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [E] als gevolg van het onder 5 bewezen verklaarde schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 125,00.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hierna te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partijen telkens de verplichting opleggen om aan de Staat ten behoeve van het betreffende slachtoffer het vastgestelde schadebedrag te betalen.

Draagkrachtverweer

De raadsman heeft bepleit dat - mocht het hof tot oplegging van enige betalingsverplichting overgaan - deze (aanzienlijk) dient te worden gematigd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de veroordeelde niet de draagkracht heeft om aan de Staat dan wel de benadeelde partijen enig geldbedrag te betalen.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof voorhands niet aannemelijk geworden dat de verdachte thans, of op enig moment alsnog, niet in staat zou zijn aan de op te leggen betalingsverplichtingen te voldoen. Het hof heeft daarbij gelet op de betrekkelijk jonge leeftijd van de veroordeelde, alsmede op de geldende verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het openbaar ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.

Vordering benadeelde partij [nabestaande van A]

De benadeelde partij [nabestaande van A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 8.763,57 vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 1 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch zijn tot op heden begroot op nihil.

Vordering benadeelde partij [B]

De benadeelde partij [B] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 2.071,10 vermeerderd met de wettelijke rente. De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch zijn tot op heden begroot op nihil.

Vordering benadeelde partij [E]

De benadeelde partij [E] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 125,00. De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes onder 5 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch zijn tot op heden begroot op nihil.

Overweging betreffende de schadevergoedingsmaatregel en de vordering benadeelde partij

Het hof zal ten aanzien van elk van evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen en zulks vice versa (dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 57, 63, 289, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 (impliciet primair), 2 (impliciet primair), 3 primair (impliciet primair) 4 meer subsidiair en 5 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte daarvoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Gelast ter zake van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Adviseert dat de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal aanvangen, nadat de helft van de gevangenisstraf ten uitvoer is gelegd.

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [nabestaande van A] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 8.763,57 (achtduizend zevenhonderd drieënzestig euro en zevenenvijftig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 78 (achtenzeventig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente van 28 februari 2010 tot en met de dag der voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [B] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 2.071,10 (tweeduizend eenenzeventig euro en tien cent) aan materiële en immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente van 28 februari 2010 tot en met de dag der voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [E] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 125,00 (honderd vijfentwintig euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [nabestaande van A] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 8.763,57 (achtduizend zevenhonderd drieënzestig euro en zevenenvijftig cent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente van 28 februari 2010 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag aan de benadeelde partij tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen.

Veroordeelt de verdachte in de door deze benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [B] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 2.071,10 (tweeduizend eenenzeventig euro en tien cent) aan materiële en immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente van 28 februari 2010 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag aan de benadeelde partij tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen.

Veroordeelt de verdachte in de door deze benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [E] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 125,00 (honderd vijfentwintig euro) aan immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag aan de benadeelde partij tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen.

Veroordeelt de verdachte in de door deze benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt ten aanzien van elk van evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt ten aanzien van elk van evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij is voldaan.

Aldus gewezen door

mr. E.A.A.M. Pfeil, voorzitter,

mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. J.F.M. Pols, raadsheren,

in tegenwoordigheid van J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 12 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

J.M.A.W. Koningstein is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.