Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1637

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
20-003224-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OVAR t.a.v. art. 13 Ffw (primair tlg). Vrijstelling van het bezitsverbod van gefokte vogels.

Veroordeling art. 81 Ffw (begaan door een rechtspersoon), toepassing art. 9a Sr.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2012-04-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-003224-10

Uitspraak : 6 april 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 augustus 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-995696-08 tegen:

STICHTING [naam],

statutair gevestigd te [postcode] [plaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Verdachte is in eerste aanleg vervolgd voor het al dan niet opzettelijk onder zich hebben van twee andescondors, subsidiair voor het niet bijhouden van een registratie ten aanzien van deze vogels. Eén van de andescondors is van het mannelijke geslacht, de andere is van het vrouwelijke geslacht. Het hof begrijpt de tenlastelegging aldus dat zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde telkens een impliciet cumulatieve tenlastelegging betreft, zowel betrekking hebbend op de andescondor van het mannelijke geslacht als op de andescondor van het vrouwelijke geslacht.

De politierechter heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk onder zich hebben van één andescondor. Blijkens de bewijsoverweging en de bewijsmiddelen gaat het daarbij om de andescondor van het mannelijke geslacht.

De politierechter heeft verdachte vrijgesproken van hetgeen hem overigens ten laste is gelegd, derhalve ook van hetgeen ten aanzien van de andescondor van het vrouwelijke geslacht primair en subsidiair ten laste is gelegd.

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, moet het hoger beroep worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ten aanzien van de andescondor van het mannelijke geslacht. De verwijten die verdachte zijn gemaakt ten aanzien van de andescondor van het vrouwelijke geslacht zijn, als beschermde vrijspraak, derhalve niet meer aan de orde. De stelling van de advocaat-generaaal dat een veroordeling ten aanzien van de andescondor van het vrouwelijke geslacht voor het subsidiair ten laste gelegde abusievelijk achterwege is gebleven, maakt dit niet anders.

De behandeling in hoger beroep strekt zich, gelet op het verbod op partieel hoger beroep, uit tot al hetgeen primair en subsidiair ten aanzien van de andescondor van het mannelijke geslacht is ten laste gelegd.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de vertegenwoordiger van de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte van het primair ten laste gelegde zal vrijspreken en voor het subsidiair ten laste gelegde zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van

€ 500,00, met een proeftijd van twee jaar.

Namens verdachte is aangevoerd dat zij integraal zou moeten worden vrijgesproken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, tenlastegelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 29 september 2008 tot en met 9 oktober 2008 in de gemeente Asten, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, een dier, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, te weten een andescondor (vultur gryphus), krachtens artikel 5 van de Flora- en faunawet aangemerkt als uitheemse beschermde diersoort, onder zich heeft gehad;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 29 september 2008 tot en met 9 oktober 2008 in de gemeente Asten, althans in Nederland, als degene die specimens van soorten bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Regeling administratie bezit en handel in beschermde dier- en plantensoorten onder zich had, geen registratie, als bedoeld in dat artikellid, heeft bijgehouden, immers had zij, verdachte, een vogel, te weten een andescondor (vultur gryphus) niet geregistreerd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 29 september 2008 tot en met 9 oktober 2008 in de gemeente Asten opzettelijk een dier behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, te weten een andescondor (vultur gryphus), krachtens artikel 5 van de Flora- en faunawet aangemerkt als uitheemse beschermde diersoort, onder zich heeft gehad.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Anders dan verdachte en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat verdachte niet dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Hetgeen ten laste is gelegd kan immers worden bewezen.

De verdachte had ten tijde van het ten laste gelegde opzettelijk een andescondor onder zich. De andescondor is op grond van artikel 5, tweede lid, van de Flora- en faunawet juncto artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet juncto bijlage A van Verordening nr. 338/97 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, aangemerkt als een beschermde uitheemse diersoort. Artikel 13, eerste lid, van de Flora- en faunawet verbiedt het onder zich hebben van dit dier.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Het opzettelijk begaan van een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 13, eerste lid, Flora- en faunawet door een rechtspersoon.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan vrijstelling worden verleend van het bij artikel 13 Flora- en faunawet bepaalde verbod. Indien de vrijstelling strekt tot uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie kan deze ook bij ministeriële regeling worden verleend (art. 75, eerste en tweede lid, Flora- en faunawet). De Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet is een uitwerking van dat laatste. De vrijstelling van het bezitsverbod van gefokte vogels is geregeld in artikel 12 van die regeling.

Op grond van het verhandelde ter terechtzitting acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de andescondor in de ten laste gelegde periode was voorzien van een microchiptransponder als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet. Gelet daarop gold voor de verdachte een vrijstelling van het verbod op het onder zich hebben van een andescondor.

De van toepassing zijnde vrijstelling brengt mee dat het bewezenverklaarde feit niet strafbaar is.

Gelet op het voorgaande dient verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde en bewezenverklaarde feit te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Nu het primair ten laste gelegde niet tot een veroordeling kan leiden, komt het hof toe aan de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 29 september 2008 tot en met 9 oktober 2008 in de gemeente Asten, als degene die specimens van soorten bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Regeling administratie bezit en handel in beschermde dier- en plantensoorten onder zich had, geen registratie als bedoeld in dat artikellid heeft bijgehouden, immers had zij een vogel, te weten een andescondor (vultur gryphus) niet geregistreerd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Namens verdachte is aangevoerd dat de wet- en regelgeving niet bepaalt binnen welke termijn na het verkrijgen van een beschermd dier de registratie dient plaats te vinden, zodat niet zonder meer gezegd kan worden dat de regels voor registratie in de periode van 29 september 2008 tot en met 9 oktober 2008 zijn overtreden.

Voorts is namens verdachte aangevoerd dat verdachte wel de bescheiden heeft bewaard waarop relevante informatie staat over de andescondor in deze zaak. Een afzonderlijke registratie zou daarom achterwege kunnen blijven.

Het hof begrijpt dat verdachte op zich op grond van het voorgaande op het standpunt stelt dat zij zou moeten worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde.

Het hof overweegt het volgende.

De Regeling administratie bezit van en handel in beschermde dier- en plantensoorten (verder: de regeling) schrijft voor dat met betrekking tot een beschermde uitheemse diersoort een registratie moet worden bijgehouden (art. 2 van de regeling). De registratie moet worden bijgehouden door een ieder die een dergelijk dier onder zich heeft (art. 6 van de regeling). Voor de verdachte gold dus vanaf het moment dat zij de andescondor onder zich kreeg - volgens haar vertegenwoordiger een paar maanden voordat de politie op 29 september 2008 kwam controleren - de plicht tot het bijhouden van een registratie, derhalve per direct. Een nadere termijn is dan ook niet gegeven in de regeling.

De registratie moet, voor zover van toepassing, de volgende gegevens bevatten (artikel 3, eerste lid, van de regeling):

a. wetenschappelijke soortnaam en aantal;

b. datum en plaats van verkrijging;

c. naam, adres en land van de leverancier;

d. land van herkomst van de specimens, indien dit afwijkt van onderdeel c;

e. nummer bijbehorend Cites-document;

f. datum en plaats van vervreemding;

g. naam, adres en land van de afnemer;

h. nummer bijbehorend Cites-document;

i. datum geboorte van en het aantal nakomelingen;

j. gegevens soort en code merktekens;

k. datum aanbrenging merktekens;

l. per specimen datum en plaats van sterfte.

Bij de registratie moeten voorts alle aantekeningen en bescheiden die betrekking hebben op het onder zich hebben van de beschermde uitheemse diersoort worden bewaard (artikel 3, tweede lid, van de regeling).

De regeling strekt tot het vereenvoudigen van de controle op de naleving van de Flora- en faunawet.

Verdachte heeft een registratie bijgehouden van de in haar bezit zijnde beschermde vogels, maar daar was de in de tenlastelegging bedoelde andescondor niet op vermeld. Ten aanzien van dit dier is derhalve niet aan de registratieplicht voldaan. De factuur en het Cites-document waarop de andescondor is vermeld, zijn bescheiden als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de regeling, die bij de registratie moeten worden bewaard, maar hebben als zodanig niet de status van een registratie als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de regeling. Hoewel de bescheiden mogelijk een groot deel van de te registreren gegevens bevatten, bieden zij geen totaaloverzicht zoals een registratie dat doet.

Gelet op het voorgaande verwerpt het hof de verweren.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Het begaan van een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 81, eerste lid, Flora- en faunawet door een rechtspersoon.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof stelt voorop dat het bijhouden van een goede registratie voor beschermde diersoorten van belang is met het oog op het mogelijk maken/vereenvoudigen van controles en - in lijn daarmee - het bestrijden van illegale handel in beschermde diersoorten.

In het onderhavige geval houdt het hof echter in doorslaggevende mate rekening met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de omstandigheden die zich na het bewezen verklaarde feit hebben voorgedaan. De verdachte had haar zaken en de zorg voor de vogels ten tijde van het ten laste gelegde grotendeels op orde. Na de controle door de A.I.D. Inspectie Zuid-Nederland is de mannelijke andescondor in beslag genomen. Nadien is de andescondor aan de verdachte teruggegeven en is vervolgens gebleken dat de andescondor wel degelijk was voorzien van een microchiptransponder. De andescondor maakte deel uit van een koppel waarmee verdachte had willen fokken. Verdachte steekt tot op de dag van vandaag veel moeite in het herstellen van de nadelige gevolgen van de inbeslagneming. Verder is aannemelijk geworden dat de verdachte haar registratie thans volgens de regels voert.

Gelet op het voorgaande acht het hof het raadzaam te bepalen dat er geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 81 van de Flora- en faunawet, artikel 18 Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, artikel 6 van de Regeling administratie bezit van en handel in beschermde dier- en plantsoorten, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en de artikelen 9a en 51 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart het bewezen verklaarde niet strafbaar.

Ontslaat verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde van alle rechtsvervolging.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt, dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. J. Buhrs-Platschorre en mr. F.P.E. Wiemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. van den Munckhof, griffier,

en op 6 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.