Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1356

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
20-002948-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij. Verweer onvoldoende redelijk vermoeden a.b.i. art. 9 Opiumwet verworpen. Verweer dat machtiging binnentreden niet omvat het openbreken van binnentussendeuren verworpen. Verweer dat verdachte niet zelf teelde, maar dat anderen in verdachtes woning de kwekerij hadden opgezet, verworpen. Verweer dat er geen eerdere oogst is geweest, verworpen. Verdachte huurde de woning waarin de hennepkwekerij was en wordt tevens veroordeeld wegens beschadigingen (ten gevolge van het aanleggen van de kwekerij) en het wegmaken van inboedelgoederen. In verband hiermee wordt tevens de vordering van benadeelde partij (verhuurder) toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-002948-10

Uitspraak : 6 april 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 29 juli 2010 in de strafzaak met parketnummer 02-628262-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1952],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis waarbij hij volgens de in het vonnis gegeven kwalificaties ter zake van (1) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod; (2) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; (3) medeplegen van gekwalificeerde diefstal, meermalen gepleegd en (4) medeplegen van beschadiging en onbruikbaar maken, meermalen gepleegd, werd veroordeeld tot:

– een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

– een werkstraf van 240 uren (subsidiair 120 dagen hechtenis),

en waarbij:

? de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] werd toegewezen tot een bedrag van EUR 6.707,67, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk werd verklaard;

? de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] werd toegewezen tot een bedrag van EUR 1.525,07, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en voor het overige niet-ontvankelijk werd verklaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen behoudens de beslissing op de vordering van de benadeelde partijen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 5.839,67, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen tot een bedrag van EUR 6.845,07, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Door de verdediging is op na te melden gronden vrijspraak bepleit van het onder 1, 2, 3 primair en subsidiair en 4 primair en subsidiair ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht om, in het geval het hof tot een veroordeling komt, aan verdachte een werkstraf op te leggen. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de verdediging primair bepleit dat het hof deze moet afwijzen en subsidiair dat het hof deze niet-ontvankelijk moet verklaren. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] dient het hof volgens de verdediging af te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Onder 3 zijn in één doorlopende volzin twee afzonderlijke feiten ten laste gelegd: diefstal van elektriciteit toebehorende aan [benadeelde 1] en diefstal van inboedelgoederen toebehorende aan [benadeelde 2 en/of benadeelde 3], telkens primair in de vorm van medeplegen en subsidiair in de vorm van medeplichtigheid. Het onder 3 primair en subsidiair ten laste gelegde zal het hof om redenen van doelmatigheid en ter wille van de leesbaarheid splitsen in de feiten 3A (diefstal elektriciteit) en 3B (diefstal inboedelgoederen).

Met inachtneming van het vorenstaande is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 26 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of verwerkt en/of bewerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een aan de [straat] gelegen woning en/of pand [nummer [huisnummer]]), (totaal) ongeveer 2508 hennepplanten, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op of omstreeks 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of verwerkt en/of bewerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een aan de [straat] gelegen woning en/of pand [nummer [huisnummer]]), ongeveer 627 hennepplanten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3A.

hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een aan de [straat] gelegen woning en/of pand [nummer [huisnummer]]) heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] in elk geval (telkens) enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans met elkaar, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een aan de [straat] gelegen woning en/of pand [nummer [huisnummer]]) hebben/heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval (telkens) enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan die (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon en/of hun/zijn/haar mededader(s) en/of aan hem, verdachte, waarbij die (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon en/of hun/zijn/haar mededader(s) (telkens) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun/zijn/haar bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], opzettelijk

- die woning en/of dat pand (althans in elk geval een of meerdere delen daarvan) aan die (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon en/of hun/diens/haar mededader(s) (onder) te verhuren en/of ter beschikking te stellen en/of

- die (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon en/of hun/diens/haar mededader(s) de/een meterkast en/of elektriciteitsinstallatie en/of elektriciteitsaansluiting in die woning en/of dat pand ter beschikking te stellen en/of toegang te verlenen tot die meterkast en/of elektriciteitsinstallatie en/of elektriciteitsaansluiting;

3B.

hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een aan de [straat] gelegen woning en/of pand [nummer [huisnummer]]) heeft weggenomen een of meerdere (kast-)planken en/of gordijnen en/of een verwarmingsketel, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval (telkens) enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2008

tot en met 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans met elkaar, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een aan de [straat] gelegen woning en/of pand [nummer [huisnummer]]) hebben/heeft weggenomen een of meerdere (kast-) planken en/of gordijnen en/of een verwarmingsketel, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval (telkens) enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan die (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon en/of hun/zijn/haar mededader(s) en/of aan hem, verdachte, waarbij die (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon en/of hun/zijn/haar mededader(s) (telkens) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun/zijn/haar bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], opzettelijk die woning en/of dat pand (althans in elk geval een of meerdere delen daarvan) aan die (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon en/of hun/diens/haar mededader(s) (onder) te verhuren en/of ter beschikking te stellen;

4.

hij op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (in/aan een aan de [straat] gelegen woning en/of pand [nummer [huisnummer]])

- een of meerdere plafonds en/of muren en/of twee, althans een, luik(en) en/of deur(en) en/of een of meerdere dakpannen en/of een hoeveelheid vloerbedekking,

in elk geval (telkens) enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of

- een of meerdere (kast-)planken en/of gordijnen en/of een verwarmingsketel, in elk geval (telkens) enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), heeft weggemaakt;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meer (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans met elkaar, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (in/aan een aan de [straat] gelegen woning en/of pand [nummer [huisnummer]])

- een of meerdere plafonds en/of muren en/of twee, althans een, luik(en) en/of deur(en) en/of een of meerdere dakpannen en/of een hoeveelheid vloerbedekking, in elk geval (telkens) enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan die (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon en/of hun/zijn/haar mededader(s) en/of aan hem, verdachte, hebben/heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of

- een of meerdere (kast-)planken en/of gordijnen en/of een verwarmingsketel, in elk geval (telkens) enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan die (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon en/of hun/zijn/haar mededader(s) en/of aan hem, verdachte, hebben/heeft weggemaakt,

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, (telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door op een of meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 februari 2008 tot en met 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], opzettelijk

- die woning en/of dat pand (althans in elk geval een of meerdere delen daarvan) aan die (tot op heden) (onbekend gebleven) personen/persoon en/of hun/diens/haar mededader(s) (onder) te verhuren en/of ter beschikking te stellen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 3B primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Verdachte had immers de goederen als vermeld in het onder 3B ten laste gelegde op grond van de met de eigenaren van de goederen gesloten huurovereenkomst rechtmatig onder zich. Er was derhalve geen sprake van ‘wegneming”, maar van verduistering van deze goederen. Dat laatste is hier echter niet ten laste gelegd.

Van het onder 3B subsidiair ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken reeds omdat – zoals hieronder nader wordt overwogen – niet is gebleken van het bestaan van een of meer onbekend gebleven personen aan wie de verdachte medeplichtig zou zijn geweest.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3A primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

hij in de periode van 1 november 2008 tot en met 26 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], opzettelijk heeft geteeld (in een aan de [straat] gelegen woning [nummer [huisnummer]]), totaal ongeveer 2508 hennepplanten (namelijk viermaal een kweekproces van ongeveer 627 hennepplanten), zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

hij op 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], opzettelijk heeft geteeld (in een aan de [straat] gelegen woning [nummer [huisnummer]]), 627 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3A.

hij in de periode van 1 november 2008 tot en met 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in een aan de [straat] gelegen woning [nummer [huisnummer]]) heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan [benadeelde 1], waarbij hij, verdachte, het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

4.

hij in de periode van 1 februari 2008 tot en met 27 juli 2009, in de gemeente [pleeggemeente], te [pleegplaats], opzettelijk en wederrechtelijk (in een aan de [straat] gelegen woning [nummer [huisnummer]])

- plafonds en muren en luiken en deuren en dakpannen en vloerbedekking,

toebehorende aan [benadeelde 2] en [benadeelde 3], heeft beschadigd en

- (kast-)planken en gordijnen en een verwarmingsketel, toebehorende aan [benadeelde 2] en [benadeelde 3], heeft weggemaakt.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A. Onrechtmatige binnentreding

De raadsman heeft betoogd dat ten tijde van het binnentreden van de woning te weinig concrete informatie voorhanden was om te kunnen spreken van een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 9 van de Opiumwet en dat het binnentreden door de politie dientengevolge onrechtmatig is geweest. Hierdoor dient al het hierdoor verkregen bewijs te worden uitgesloten. Omdat in dat geval slechts de verklaring van verdachte als bewijs resteert, dient hij te worden vrijgesproken te worden van het onder 1 en 2 ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De aanleiding voor het onderhavige opsporingsonderzoek was een anonieme melding (pagina 35 van het dossier). Deze melding is gedetailleerd en berust op eigen waarneming van de melder die schrijft schuin tegenover het pand te wonen. In de melding wordt onder meer genoemd “een zoete geur wat ik de laatst 2 jaar al vaker heb geroken” en “de gordijnen op de bovenverdieping zijn altijd dicht en nog nooit open geweest”.

In het proces-verbaal van bevindingen van 27 juli 2009 (pagina’s 27 en 28 van het dossier) wordt door de verbalisant [verbalisant] gerelateerd – kort weergegeven – dat hij op 15 juli 2009 omstreeks 02.00 uur een warmtemeting heeft verricht naar aanleiding van een ingekomen melding over het mogelijk bestaan van een hennepkwekerij op het adres [straat][huisnummer] te [pleegplaats], gemeente [pleeggemeente]. Met de infrarood camera werd door hem een positieve meting geregistreerd op het dakvlak aan de achterzijde van de genoemde woning. Bij meting werd geconstateerd dat het verschil in warmtemeting ten opzichte van de aangrenzende panden zo groot was, dat er sprake was van een in werking zijnde hittebron. Tevens rook de verbalisant in de directe omgeving van deze woning een penetrante hennepgeur.

Het hof is van oordeel dat op grond van (a) de gedetailleerde anonieme melding (pagina 35 van het dossier); (b) het resultaat van de warmtemeting en (c) de waarneming door de verbalisant van een hennepgeur, de verbalisant redelijkerwijs heeft kunnen vermoeden dat er in het pand een in werking zijnde hennepplantage was ingericht, zodat de opsporingsambtenaar aan artikel 9 van de Opiumwet de bevoegdheid had om in het pand binnen te treden.

Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot een ander oordeel.

Het hof verwerpt het verweer.

B. Onrechtmatige doorzoeking

Voorts heeft de raadsman betoogd dat er sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking, omdat de verbalisanten - in plaats van zoekend rondkijken - de woning hebben doorzocht. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de raadsman aangevoerd dat de verbalisanten immers drie tussendeuren op de eerste verdieping in de woning hebben opengebroken en waarschijnlijk de meterkast hebben geopend. Door deze vormfout dient al het hierdoor verkregen bewijs te worden uitgesloten en dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3A (diefstal elektriciteit) ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De stelling van de raadsman dat de verbalisanten de tussendeuren niet hadden mogen openbreken, vindt geen steun in het recht. Immers, uit bestendige jurisprudentie (Hoge Raad 23 juli 2004, LJN: AO6419) volgt dat, gelet op artikel 9 van de Algemene wet op het binnentreden, een machtiging tot binnentreden zich ook uitstrekt tot het forceren van binnendeuren, nu de bevoegdheid tot het binnentreden in een perceel waar redelijkerwijze vermoed kan worden dat de Opiumwet wordt overtreden, de bevoegdheid omvat om zich de doorgang in dat perceel te verschaffen. De verbalisanten, die de woning van verdachte zijn binnengetreden krachtens een schriftelijke machtiging, waren derhalve bevoegd tot het openbreken van de deuren op de eerste verdieping.

De raadsman gaat blijkbaar ervan uit dat de verbalisanten een kastdeur (van de meterkast) hebben moeten openen om zicht te krijgen op de meter. Van feiten en omstandigheden die deze aanname ondersteunen is echter niet gebleken, zodat het verweer met betrekking tot de meterkast reeds op die grond moet worden verworpen.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen is het hof is van oordeel dat er geen gronden zijn om het door de binnentreding verkregen bewijs uit te sluiten.

Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot een ander oordeel.

Het hof verwerpt het verweer.

C. Anderen dan verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat hij vanwege schulden bij bepaalde, hem onbekende, verkeerde personen die hij niet heeft kunnen inlossen, onder druk van deze personen (Roemenen of Bulgaren) heeft moeten toestaan dat zij een hennepkwekerij in de door hem gehuurde woning hebben aangelegd. Naast het enkel water geven aan de hennepplanten heeft hij naar eigen zeggen niets te maken gehad met de hennepkwekerij. Ook was hij niet op de hoogte van de diefstal van elektriciteit, de beschadigingen die in de woning zijn aangebracht of het beschadigen dan wel wegmaken van goederen behorende bij de woning. Gelet op dit verhaal van de verdachte heeft de raadsman vrijspraak van het onder 3A en 4 ten laste gelegde bepleit.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof acht de verklaring van verdachte dat hij slechts de door hem gehuurde woning aan de kwekers van de hennep ter beschikking heeft gesteld, ongeloofwaardig. Verdachte heeft ten overstaan van de politie alsmede ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij onder druk van Roemenen of Bulgaren bij wie hij een schuld van 20.000 euro had, heeft toegestaan heeft er hennep in zijn woning werd geteeld. Ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde de verdachte dat hij in 2007 bij het Van der Valk-hotel in Gilze-Rijen 20.000 euro contant heeft kunnen lenen, welk bedrag hij binnen een jaar tegen 5.000 euro rente moest aflossen. De verdachte heeft naar zijn zeggen die lening kunnen sluiten zonder dat daarvan enige schriftelijke vastlegging heeft plaatsgevonden, zonder dat hij de naam of verblijfplaats van de uitlener kende en het hem volstrekt onduidelijk was bij wie hij hoe moest aflossen. Volgens de verdachte heeft hij na die lening van die 20.000 euro in 2007 niets meer van de uitlener vernomen, totdat in 2009 ineens Roemenen voor zijn neus stonden die hij niet eerder had ontmoet en die hem onder druk zetten om in zijn huis een hennepkwekerij te laten aanleggen. De verdachte kan van deze Roemenen (de “hennepkwekers”) noch naam, noch signalement, noch verblijfplaats of enig ander aanknopingspunt verschaffen. Bovendien heeft de verdachte vanaf 1 februari 2008 het pand aan de [straat] [huisnummer] te [pleegplaats] gehuurd, waarvoor de vaste lasten circa 1500 à 1600 euro per maand bedroegen, terwijl hij slechts een netto-inkomen had van 1800 euro per maand.

Verdachte heeft geen enkel aanknopingspunt verschaft die zijn ongebruikelijke en op het eerste gezicht hoogst onwaarschijnlijke lezing onderbouwt en/of op grond waarvan nader onderzoek kan worden gedaan naar de waarachtigheid van deze lezing (bijvoorbeeld naar het al dan niet bestaan van de door verdachte genoemde persoon en/of diens handlangers). Het hof stelt de lezing van de verdachte derhalve als hoogst onwaarschijnlijk terzijde. Het hof is van oordeel dat de verdachte als zijnde de enige bewoner van de woning in de ten laste gelegde periode en gegeven het feit dat de verdachte geen aannemelijke andere verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van de kwekerij in die woning, het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is die de hennepplanten heeft geteeld, de elektriciteit heeft gestolen door middel van verbreking en de goederen respectievelijk heeft beschadigd dan wel weggemaakt. Nu niet gebleken is van een nauwe en bewuste samenwerking met enig ander of anderen bij voornoemde feiten, zal het hof, anders dan de eerste rechter, verdachte vrijspreken van het medeplegen van deze feiten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Het hof verwerpt het verweer.

D. Pleegperiode

De raadsman heeft betoogd dat slechts bewezen kan worden dat er één teelt van 627 hennepplanten heeft plaatsgevonden, te weten de aangetroffen teelt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is voor het hof komen vast te staan dat de aanwezige apparatuur van de aangetroffen hennepkwekerij diverse kenmerken had die wijzen op een gebruik gedurende langere periode. In alle drie de ruimtes waar gekweekte hennepplanten werden aangetroffen, lag een behoorlijke hoeveelheid stof op de armaturen van de assimilatielampen en waren de koolstoffilters behoorlijk vervuild. Tevens was een duidelijk kalkvorming waarneembaar op de plantenpotten en het zwarte afdekzeil waarop de potten stonden en werd niet alleen hennepafval op de grond aangetroffen, maar ook hennepafval in zakken en een grote hoeveelheid lege jerrycans voedingssupplementen aangetroffen (pagina’s 78 tot en met 81 en pagina’s 39 en 66 van het dossier).

Voorts is gebleken dat de eigenaar, tevens verhuurder van de door verdachte gehuurde woning gelegen aan de [straat][huisnummer] te [pleegplaats] reeds in september of oktober (het hof begrijpt:) 2008 gevoeld heeft dat de dakpannen van de woning warm waren (verklaring van [benadeelde 3] d.d. 27 juli 2009, pagina 19 van het dossier). Verdachte heeft geen enkele andere omstandigheid genoemd die ervoor zou hebben kunnen zorgen dat de dakpannen in het najaar opvallend warm waren.

Gelet op het vorenstaande, mede bezien in samenhang met de huurperiode van de woning die, zoals uiteengezet onder C., een voor verdachte opvallend hoge huursom had (vaste lasten voor de woning 1500 à 1600 euro per maand, terwijl verdachte een netto inkomen had van 1800 euro per maand en een schuld van 20.000 euro: pagina’s 29 en 30 van het dossier, verklaring verdachte d.d. 28 juli 2009), en de woning (een vrijstaande villa als is te zien op de foto’s op pagina 59 van het dossier en is te lezen in het huurcontract op pagina 21 van het dossier) opvallend groot was voor verdachte als enige huurder, is voor het hof genoegzaam vast komen te staan dat verdachte (in het voordeel van verdachte afgerond) vanaf 1 november 2008 hennep teelde in de woning. Tot slot is het een feit van algemene bekendheid dat een kweekcyclus van hennepplanten 10 weken beslaat (aldus het BOOM-rapport 2005 over de binnenteelt van hennep, pagina’s 15 en 16).

Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang en tijdsverband, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte in de periode van 1 november 2008 tot en met 26 juli 2009, in het totaal ongeveer 2508 hennepplanten (namelijk viermaal een kweekproces van ongeveer 627 hennepplanten), heeft geteeld. Dit leidt tot de bewezenverklaring onder 1. Het onder 2 bewezen verklaarde (de teelt van 627 planten op 27 juli 2009) is dan een voortgezette handeling met het vierde onder feit 1 bedoelde kweekproces.

E. Ten aanzien van het onder 4 bewezen verklaarde

Met betrekking tot het bewezen verklaarde onder 4 merkt het hof op dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft toegegeven dat hij de verwarmingsketel uit het hof heeft verwijderd zonder overleg met de verhuurder. Dit levert op het wegmaken in de zin van artikel 350 Sr.

Verder overweegt het hof dat voorwaarde voor strafbaarheid wegens overtreding van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht is dat er wederrechtelijk is gehandeld, dit wil zeggen dat de dader heeft gehandeld zonder daartoe gerechtigd te zijn. Dit is hier het geval omdat de verdachte hierbij heeft gehandeld zonder toestemming van de verhuurder en hij bovendien in strijd met de huurovereenkomst, het uitsluitend voor bewoning bestemde pand deels is gaan gebruiken voor hennepteelt, in het kader waarvan hij de bewezen verklaarde beschadigingshandelingen heeft verricht. Blijkens de huurovereenkomst is het pand verhuurd “om te worden gebruikt uitsluitend als woonruimte” (pagina 21 van het dossier) en mag de huurder zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder het gehuurde niet van aard of bestemming veranderen en mag in het verhuurde niet verbroken of veranderd worden (pagina 22 van het dossier). Gesteld noch gebleken is dat de verhuurder heeft ingestemd als bedoeld in de huurovereenkomst.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

de voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 3A primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, zou voor een hennepplantage waarbij tussen de 500 en 1.000 hennepplanten zijn aangetroffen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 weken als passend kunnen worden beschouwd, waarbij is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard in verhouding met andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum.

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte in het totaal ongeveer 2508 hennepplanten heeft geteeld. Rekening houdend met voornoemde oriëntatiepunten acht het hof een gevangenisstraf van 36 weken in beginsel passend.

Ten aanzien van de diefstal van elektriciteit is het hof van oordeel dat, gelet op soortgelijke zaken verband houdende met hennepteelt, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken in beginsel als passend kan worden beschouwd.

Het bovenstaande levert op dat veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 40 weken in beginsel passend is.

Het hof zal echter niet tot het opleggen van deze straf overgaan, aangezien het hof in belangrijke mate ten voordele van verdachte rekening houdt met de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 maart 2012 niet eerder ter zake van overtredingen van de Opiumwet is veroordeeld. Gelet hierop zal het hof in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf beslissen tot de oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf.

Het hof zal aan verdachte opleggen een maximale werkstraf, te weten 240 uren.

Nu bovendien gebleken is dat verdachte schulden heeft, acht het hof de kans dat verdachte in de verleiding zal komen om opnieuw een hennepkwekerij op te bouwen geenszins verwaarloosbaar. Daarom acht het hof de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Het hof wil met de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf enerzijds de ernst van het feit tot uitdrukking brengen en anderzijds de strafoplegging dienstbaar maken aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 6.845,07. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 1.525,07.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Het hof merkt daarbij nog het volgende op.

Door de raadsman is aangevoerd dat het hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] dient af te wijzen nu deze onvoldoende is onderbouwd. Bovendien had de benadeelde partij op grond van de huurovereenkomst verdachte in de gelegenheid dienen te stellen de gemaakte schade te herstellen.

Het hof is van oordeel dat, mede gelet op de nadere onderbouwing ter terechtzitting in hoger beroep, voldoende is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 2] als gevolg van verdachtes onder 4 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Voorts is het hof van oordeel dat gelet op de omstandigheid dat in casu niet slechts sprake is van een enkele wanprestatie, maar ook van een onrechtmatige daad tevens zijnde een strafbaar feit. Gezien deze omstandigheden kan van de verhuurder in redelijkheid niet worden gevergd de huurder in de gelegenheid te stellen zelf de veroorzaakte schade te herstellen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade is gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 14.517,51, vermeerderd met de wettelijke rente en de kosten voor rechtsbijstand à EUR 768,--. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 6.707,67. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen betreffende drie volledige kweekperioden van steeds circa 627 hennepplanten en de op 27 juli 2009 aangetroffen 627 hennepplanten rechtstreeks schade is toegebracht tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 56, 57, 60a, 311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 3B primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3A primair en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3A primair en 4 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 4 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 6.845,07 (zesduizend achthonderdvijfenveertig euro en zeven cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van EUR 6.845,07 (zesduizend achthonderdvijfenveertig euro en zeven cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 69 (negenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 3 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 11.798,57 (elfduizend zevenhonderdachtennegentig euro en zevenenvijftig cent) aan materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2009 tot en met de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op EUR 1.394,00 (duizend driehonderdvierennegentig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], een bedrag te betalen van EUR 11.798,57 (elfduizend zevenhonderdachtennegentig euro en zevenenvijftig cent) aan materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 93 (drieënnegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2009 tot en met de dag der voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door:

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. J.G. Sillevis Smitt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 6 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.G. Sillevis Smitt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.