Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1281

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
20-001986-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Richtinggevend arrest over betekenis en toepassingsbereik Terugkeerrichtlijn en voorwaarden voor oplegging gevangenisstraf bij vervolging op grond van art. 197 Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/188

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001986-11

Uitspraak : 10 april 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Maastricht van 13 april 2011 in de strafzaak met parketnummer 03-700115-11 tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [1966],

Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

De verdediging heeft primair bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken. Subsidiair is bepleit dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Meer subsidiair is bepleit dat verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Aan de beoordeling voorafgaande beschouwingen

Gelding en toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn

In de onderhavige strafzaak is overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht ten laste gelegd. Het hof ziet zich gesteld voor de vraag welke betekenis Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (‘de Terugkeerrichtlijn’) voor de onderhavige strafzaak heeft.

De advocaat-generaal heeft het standpunt ingenomen dat de Terugkeerrichtlijn voor de onderhavige strafzaak geen gevolgen heeft, primair omdat de richtlijn geen betekenis heeft voor vervolging en bestraffing op grond van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, subsidiair omdat verdachte, gezien artikel 2, tweede lid, onder b, van de Terugkeerrichtlijn, niet onder de werkingssfeer van de richtlijn valt en meer subsidiair omdat ten aanzien van verdachte de terugkeerprocedure is doorlopen en daarmee is voldaan aan de eisen van de Terugkeerrichtlijn.

Het hof overweegt als volgt.

De Terugkeerrichtlijn, vastgesteld op 16 december 2008, is op 24 december 2008 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en is ingevolge artikel 22 van de richtlijn op 13 januari 2009 in werking getreden. Op grond van artikel 20 lid 1 van de richtlijn dienden de lidstaten van de Europese Unie de Terugkeerrichtlijn, met uitzondering van artikel 13 lid 4, uiterlijk 24 december 2010 te implementeren.

Nederland heeft de Terugkeerrichtlijn geïmplementeerd met de Wet van 15 december 2011 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en het Besluit van 22 december 2011, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000. Genoemde Wet en Besluit zijn op 31 december 2011 in werking getreden.

Het hof stelt vast dat Nederland de Terugkeerrichtlijn niet tijdig heeft geïmplementeerd. Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie komt de burger vanaf de uiterste implementatiedatum, 24 december 2010, een rechtstreeks beroep toe op die bepalingen van de richtlijn die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, met gevolg dat sinds 24 december 2010 de richtlijn geldend recht is.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de Terugkeerrichtlijn van toepassing kan zijn op strafzaken waarin de overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht is ten laste gelegd en de datum van ongewenstverklaring, dan wel de datum van de vermoedelijke overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht gelegen is voor genoemde uiterste implementatiedatum. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt immers dat de strafrechter de op het tijdstip van zijn uitspraak minst strenge regeling moet toepassen. Gelet op het El Dridi- en het Achughbabian-arrest kan, zoals het hof hierna nog nader zal uiteenzetten, de Terugkeerrichtlijn onder omstandigheden in de weg staan aan de oplegging van gevangenisstraf. In dat geval zijn de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn voor verdachte gunstiger dan de toepasselijke bepalingen van nationaal recht. Het hof is derhalve van oordeel dat - ongeacht de datum van ongewenstverklaring, dan wel de datum van de vermoedelijke overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht - aan de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn dient te worden getoetst.

Naar het oordeel van het hof zijn de voor de onderhavige strafzaak van belang zijnde bepalingen van de Terugkeerrichtlijn onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig. In de onderhavige strafzaak betekent dit dat het hof dient te oordelen of de Terugkeerrichtlijn van toepassing is en zo ja, of voldaan is aan de thans geldende uniewetgeving (de Terugkeerrichtlijn).

Uit de considerans van de Terugkeerrichtlijn blijkt dat de doelstelling van de richtlijn is om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, waarbij het beëindigen van illegaal verblijf volgens een billijke en transparante procedure geschiedt.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn is de richtlijn van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Het hof stelt vast dat verdachte onderdaan is van een derde land als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. Het hof stelt voorts vast dat verdachte op de in de tenlastelegging genoemde datum illegaal in Nederland heeft verbleven nu hij bij beschikking van 4 juni 2008 ongewenst is verklaard, welke beschikking op 25 juni 2008 aan verdachte is uitgereikt. In die beschikking staat vermeld dat de ongewenstverklaring tot gevolg heeft dat betrokkene geen rechtmatig verblijf in Nederland kan hebben en Nederland onmiddellijk – binnen 24 uur – dient te verlaten en daartoe kan worden uitgezet.

In artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn wordt als hoofdregel geformuleerd dat de lidstaten een terugkeerbesluit uitvaardigen tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft. Volgens artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn dient voor de toepassing van de richtlijn onder een ‘terugkeerbesluit’ te worden verstaan: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld.

Met het uitvaardigen van het terugkeerbesluit vangt de in de Terugkeerrichtlijn geregelde terugkeerprocedure aan die de betreffende lidstaat verplicht de nodige maatregelen te nemen om het terugkeerbesluit uit te voeren. In het uiterste geval kan ‘bewaring met het oog op verwijdering’ worden toegepast.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de ongewenstverklaring, zoals bedoeld in artikel 197 Wetboek van Strafrecht, heeft te gelden als een terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn met gevolg dat de Terugkeerrichtlijn op de onderhavige strafzaak van toepassing is.

Blijkens de wetsgeschiedenis van de implementatiewetgeving en de inhoud en toelichting op het Tijdelijk besluit uitzonderingen terugkeerrichtlijn maakt Nederland geen onderscheid tussen vreemdelingen met een criminele achtergrond en vreemdelingen zonder een dergelijke achtergrond. Nederland heeft in de implementatiewetgeving dan ook geen gebruik gemaakt van de aan de lidstaten geboden mogelijkheid om op grond van artikel 2, tweede lid, onder b, van de Terugkeerrichtlijn de richtlijn niet toe te passen op onderdanen van derde landen ‘die verplicht zijn tot terugkeer als strafrechtelijke sanctie of als gevolg van een strafrechtelijke sanctie overeenkomstig de nationale wetgeving’. Nu in de onderhavige strafzaak de verdachte ongewenst is verklaard wegens het plegen van strafbare feiten en Nederland op dit punt geen beroep heeft gedaan op de mogelijkheid een ongewenstverklaring (die heeft te gelden als een terugkeerbesluit) op grond van gepleegde strafbare feiten van de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn uit te sluiten, is het hof van oordeel dat voor de toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn in de onderhavige strafzaak geen beletsel aanwezig is.

Het standpunt van de advocaat-generaal dat – gelet op overweging 41 van het Hof van Justitie in het Achughbabian-arrest - de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op verdachten die, naast het overtreden van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht ook andere strafbare feiten (die de basis vormden voor de ongewenstverklaring) hebben gepleegd, deelt het hof niet.

De betreffende overweging van het Hof van Justitie luidt als volgt:

‘In dit verband dient er om te beginnen op worden te gewezen dat onderdanen van derde landen die naast het strafbare feit van illegaal verblijf een of meer andere strafbare feiten hebben gepleegd, in voorkomend geval krachtens artikel 2, lid 2, sub b, van richtlijn 2008/115 buiten de werkingssfeer daarvan vallen. Niets in het aan het Hof overgelegde dossier suggereert echter dat Achughbabian een ander strafbaar feit heeft gepleegd dan dat wat erin bestaat dat hij illegaal op het Franse grondgebied verblijft. De situatie van verzoeker in het hoofdgeding kan dus niet buiten de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 vallen, daar artikel 2, lid 2, sub b, daarvan niet zonder aan deze richtlijn haar doel en dwingende werking te ontnemen in die zin kan worden uitgelegd dat het de lidstaten vrij zou staan om de in die richtlijn opgenomen gemeenschappelijke normen en procedures niet toe te passen op onderdanen van derde landen die alleen het strafbare feit van illegaal verblijf hebben gepleegd.’

Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze overweging slechts dat het Hof van Justitie van oordeel is dat lidstaten de toepassing van de Terugkeerrichtlijn niet kunnen uitsluiten in gevallen waarin er geen sprake is van andere strafbare feiten dan enkel het illegale verblijf.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft de ongewenstverklaring te gelden als een terugkeerbesluit. Het negeren van een ongewenstverklaring is strafbaar gesteld in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van het ten tijde van de ongewenstverklaring geldende artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet is verdachte ongewenst verklaard omdat hij - kort gezegd - bij herhaling is veroordeeld en door het herhaald plegen van strafbare feiten overlast veroorzaakt. Gelet hierop wordt – aldus de motivering van de ongewenstverklaring – ‘aangenomen dat betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde’.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er verschil is in strekking en reikwijdte tussen artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht en de Terugkeerrichtlijn. Artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht ziet op het beschermen van de Nederlandse openbare orde tegen illegalen die een gevaar vormen voor de openbare orde, bijvoorbeeld omdat zij strafbare feiten plegen. De Terugkeerrichtlijn heeft tot doel het verblijf van alle illegale onderdanen van derde landen te beëindigen door middel van het toepassen van een – conform de inhoud van de Terugkeerrichtlijn – ingerichte terugkeerprocedure. Die terugkeerprocedure is naar het oordeel van het hof ook van toepassing op illegale onderdanen van derde landen die een gevaar vormen voor de openbare orde. De Terugkeerrichtlijn bevat immers bijzondere voorzieningen voor de gevallen waarin de betrokkene een gevaar, dan wel een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Zo kunnen lidstaten, indien de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek. Voorts biedt de Terugkeerrichtlijn in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn de mogelijkheid om de richtlijn niet toe te passen op onderdanen van derde landen ‘die verplicht zijn tot terugkeer als gevolg van een strafrechtelijke sanctie of als gevolg van een strafrechtelijke sanctie overeenkomstig de nationale wetgeving.’ Ook dit artikel bevat geen aanwijzing dat de Terugkeerrichtlijn niet mede ziet op onderdanen van derde landen die niet langer in de betreffende lidstaat mogen verblijven, omdat zij tevens een gevaar vormen voor de openbare orde.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat het verschil in strekking en reikwijdte tussen artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht en de Terugkeerrichtlijn niet tot gevolg heeft dat, zoals de advocaat-generaal heeft betoogd, ‘de Terugkeerrichtlijn zich niet uitstrekt tot of betrekking heeft op overtreding van artikel 197 Sr.’ Het standpunt van de advocaat-generaal op dit punt deelt het hof niet.

Implicaties van de Terugkeerrichtlijn

Nu het hof heeft vastgesteld dat voor de toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn in de onderhavige strafzaak geen beletsel aanwezig is, dient het hof te onderzoeken of in de onderhavige strafzaak - waarbij verdachte is vervolgd wegens overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht – voldaan is aan de thans geldende regels van unierecht (de Terugkeerrichtlijn).

Duur van de ongewenstverklaring

Verdachte is op 4 juni 2008 ongewenst verklaard. Deze beschikking is op 25 juni 2008 aan verdachte uitgereikt. Verdachte wordt thans vervolgd voor het negeren van die ongewenstverklaring op 2 maart 2011 in de gemeente Maastricht.

Zoals hiervoor is overwogen, heeft de ongewenstverklaring, zoals bedoeld in artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, te gelden als een terugkeerbesluit in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Uit artikel 11, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat het terugkeerbesluit gepaard dient te gaan met een inreisverbod in die gevallen waarin geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend of indien niet aan de terugkeerverplichting is voldaan. Onder een inreisverbod wordt volgens artikel 3, aanhef en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn verstaan ‘een administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij de betrokkene de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde termijn wordt verboden, samen met een terugkeerbesluit.’ Volgens artikel 11, tweede lid, Terugkeerrichtlijn bedraagt de duur van een inreisverbod in principe niet meer dan vijf jaar. De duur kan meer dan vijf jaar bedragen indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. In de implementatiewetgeving heeft Nederland in artikel 6.5a, vijfde en zesde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 in bepaalde gevallen inreisverboden met een duur van maximaal tien, respectievelijk twintig jaar mogelijk gemaakt.

Naar het oordeel van het hof heeft de ongewenstverklaring in de onderhavige strafzaak niet alleen te gelden als een terugkeerbesluit, maar ook als een terugkeerbesluit met een inreisverbod nu uit de ongewenstverklaring van verdachte blijkt dat aan hem geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend. In de beschikking wordt immers overwogen dat verdachte Nederland onmiddellijk – binnen 24 uur – dient te verlaten.

Omdat het tijdstip van inwerkingtreding van het genoemde artikel 6.5a, vijfde en zesde, lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 gelegen is na de ten laste gelegde datum in de onderhavige strafzaak zal het hof bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de ongewenstverklaring de in de Terugkeerrichtlijn genoemde termijn van vijf jaar als uitgangspunt nemen, nu het besluit tot ongewenstverklaring daaromtrent niets zegt.

De Terugkeerrichtlijn geeft geen uitsluitsel over de vraag wanneer de termijn van het inreisverbod een aanvang neemt. Een redelijke uitleg van de term ‘inreisverbod’ brengt naar het oordeel van het hof met zich mee dat de termijn van vijf jaar gaat lopen nadat de verdachte Nederland heeft verlaten. Blijkens artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet is de wetgever thans dezelfde opvatting toegedaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij in België verbleef en dat hij ten tijde van het ten laste gelegde (2 maart 2011) ziek was en daarom naar een ziekenhuis in Nederland was gekomen. Na zijn ongewenstverklaring op 4 juni 2008, welke beschikking aan verdachte op 25 juni 2008 is uitgereikt, heeft verdachte volgens de door de advocaat-generaal verstrekte informatie in vreemdelingenbewaring verbleven van 6 december 2008 tot en met 2 juli 2009. Nadien is verdachte kennelijk op enig moment naar België vertrokken. Hoewel niet bekend is op welke datum verdachte Nederland heeft verlaten, kan op de ten laste gelegde datum de termijn van vijf jaar voor de als inreisverbod geldende ongewenstverklaring nog niet zijn verstreken nu de ongewenstverklaring dateert van 4 juni 2008.

De ongewenstverklaring in de onderhavige strafzaak is naar het oordeel van het hof dan ook niet in strijd is met de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn.

De beoordeling

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 maart 2011 in de gemeente Maastricht, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 02 maart 2011 in de gemeente Maastricht als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Verdachte is op 4 juni 2008 ongewenst verklaard. Deze beschikking is hem op 25 juni 2008 uitgereikt. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij bekend was met deze ongewenstverklaring. Verdachte is op 2 maart 2011 in Maastricht op Nederlands grondgebied aangetroffen. Daarmee kan het feit als hiervoor omschreven worden bewezen verklaard.

De verdediging heeft aangevoerd dat aan verdachte eerst op 10 maart 2011 een terugkeerbesluit is uitgereikt. Het hof vat dit op als een pleidooi voor vrijspraak nu de verdediging zich kennelijk op het standpunt stelt dat verdachte op 2 maart 2011 niet ongewenst was verklaard. Het standpunt van de verdediging mist feitelijke grondslag. Zoals hiervoor is overwogen is verdachte reeds voordien ongewenst verklaard. Dat aan hem op een later moment opnieuw een terugkeerbesluit is uitgereikt, doet daar niet aan af. Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

In het bijzonder leidt, zoals hiervoor overwogen, de toepasselijkheid van de Terugkeerrichtlijn niet tot onverbindendheid van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdediging heeft een beroep gedaan op overmacht. Het hof verstaat dit als een beroep op overmacht in de zin dat de verdachte feitelijk niet anders kon dan het strafbaar feit plegen, nu het voor hem onmogelijk was het Nederlandse grondgebied te verlaten.

Dit verweer stuit af op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg dat hij ten tijde van die terechtzitting, en naar het hof begrijpt: ook ten tijde van het bewezen verklaarde, in België woonachtig was en ten tijde van het bewezen verklaarde vanuit België op weg was naar het Academisch Ziekenhuis in Maastricht.

Voor zover de verdediging ter verdere onderbouwing van het beroep op overmacht heeft aangevoerd dat van een ongewenst verklaarde vreemdeling niet kan worden gevergd dat hij het Nederlandse grondgebied verlaat en naar het grondgebied van een andere Europese lidstaat vertrekt, vindt die stelling geen steun in het recht.

Voor zover de verdediging ter verdere onderbouwing van het beroep op overmacht heeft aangevoerd dat de verdachte niet anders kon dan zich op Nederlands grondgebied begeven omdat hij voor behandeling het Academisch Ziekenhuis in Maastricht diende te bezoeken, overweegt het hof als volgt. Niet is gebleken dat verdachte voor de behandeling van zijn gestelde medische problematiek niet terecht kon in een ziekenhuis buiten Nederland. Reeds op grond hiervan kan het hof het standpunt van de verdediging niet delen.

Het hof verwerpt het verweer.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Het hof wijst in dit verband op de overwegingen en het dictum van het Hof van Justitie in het Achughbabian-arrest:

‘Het is evident dat de oplegging en de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf tijdens de terugkeerprocedure van richtlijn 2008/115 niet bijdragen tot de uitvoering van de verwijdering, die met deze procedure wordt nagestreefd, te weten de fysieke verwijdering van de betrokkene uit de betrokken lidstaat. Een dergelijke straf vormt dus niet een “maatregel” of een “dwangmaatregel” in de zin van artikel 8 van richtlijn 2008/115.’

‘Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

Richtlijn 2008/115/EG (…) moet aldus worden uitgelegd dat zij

- zich verzet tegen een regeling van een lidstaat waarbij illegaal verblijf wordt tegengegaan met strafrechtelijke sancties, voor zover die regeling toestaat dat een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een onderdaan van een derde land die weliswaar illegaal op het grondgebied verblijft en niet bereid is dat grondgebied vrijwillig te verlaten, doch op wie niet de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde dwangmaatregelen zijn toegepast en voor wie, in geval van vreemdelingenbewaring met het oog op de voorbereiding en de uitvoering van zijn verwijdering, de maximale duur van die bewaring nog niet is verstreken; en

- zich niet verzet tegen een dergelijke regeling voor zover deze toestaat dat een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een onderdaan van een derde land op wie de bij die richtlijn ingestelde terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal op dat grondgebied verblijft.’

Gezien de inhoud van genoemd arrest kan naar het oordeel van het hof oplegging van een gevangenisstraf aan onderdanen van derde landen (1) op wie de terugkeerprocedure is toegepast en die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven zonder dat er (2) een geldige reden is om niet terug te keren, plaatsvinden. Het hof is dan ook van oordeel dat de Terugkeerrichtlijn – met inachtneming van de rechtspraak van het Hof van Justitie - zich niet verzet tegen toepassing van artikel 197 Wetboek van Strafrecht wegens het negeren van een ongewenstverklaring, met dien verstande dat het hof alleen tot oplegging van gevangenisstraf kan overgaan indien aan beide genoemde voorwaarden is voldaan.

Het hof is van oordeel dat uit genoemd arrest van het Hof van Justitie niet volgt dat slechts tot oplegging van gevangenisstraf kan worden overgegaan indien de dwangmaatregel van bewaring is toegepast en, indien bewaring is toegepast, de in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn genoemde maximale duur van 18 maanden moet zijn verstreken.

Zo volgt uit de tekst van genoemd artikel 15 dat lidstaten ‘bewaring met het oog op verwijdering’ alleen kunnen toepassen in die gevallen waarin andere afdoende maar minder dwingende maatregelen niet doeltreffend kunnen worden toegepast en dat bij toepassing van de bewaring deze maatregel onmiddellijk dient te worden opgeheven op het moment dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering meer is. Volgens de inhoud van genoemd artikel kan de maatregel bewaring dus niet altijd worden toegepast en in die gevallen waarin de bewaring wel kan worden toegepast, kan niet altijd de maximale duur worden benut.

Gelet op het bovenstaande staat de Terugkeerrichtlijn naar het oordeel van het hof dan ook niet aan de oplegging van een gevangenisstraf in de weg, indien de bij deze richtlijn ingestelde terugkeerprocedure is toegepast (al dan niet gecombineerd met de maatregel bewaring) en de betrokkene nog steeds zonder geldige reden op het grondgebied van de betreffende lidstaat verblijft.

Uit de Terugkeerrichtlijn volgt dat de Nederlandse overheid een inspanningsverplichting heeft om verdachte, op wie de Terugkeerrichtlijn van toepassing is, via het toepassen van een terugkeerprocedure terug te laten keren naar zijn land van herkomst of – kort gezegd – naar een ander derde land. Is aan die inspanningsverplichting niet voldaan, dan komt de oplegging van gevangenisstraf in strijd met de Terugkeerrichtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, omdat met een dergelijke straf een spoedige terugkeer wordt gefrustreerd.

Volgens de door de advocaat-generaal verstrekte informatie is verdachte na het bewezen verklaarde feit op 11 juni 2011 uitgezet naar [geboorteland]. Door deze uitzetting naar zijn geboorteland is een einde gekomen aan de inspanningsverplichting van de overheid verdachte te verwijderen - hetgeen als het beëindigen van een terugkeerprocedure heeft te gelden – met gevolg dat niet langer kan worden gesteld dat de oplegging van gevangenisstraf een spoedige terugkeer frustreert. Naar het oordeel van het hof is daarmee voldaan aan de eerste,voorwaarde, zoals genoemd in het Achughbabian-arrest, om gevangenisstraf te kunnen opleggen.

Overigens is de oplegging van gevangenisstraf ook in de onderhavige strafzaak alleen mogelijk onder de beperking dat – gelet op de tweede voorwaarde uit genoemd arrest - er voor verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde geen geldige reden was om niet naar zijn land van herkomst terug te keren.

Dat er voor de verdachte zodanige geldige reden was, is het hof niet aannemelijk geworden.

De enkele verwijzing door de raadsman naar een overzicht met inspanningen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en de niet nader onderbouwde stelling dat verdachte bij gebreke van documenten niet kon worden uitgezet, zijn ontoereikend om tot het oordeel te komen dat voor verdachte een geldige reden bestond niet terug te keren. Derhalve is naar het oordeel van het hof ook voldaan aan de tweede voorwaarde.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de oplegging van gevangenisstraf aan verdachte niet in strijd is met de Terugkeerrichtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie.

Voor een overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht geven de oriëntatiepunten die binnen de rechtspraak worden gehanteerd, een uitgangspunt van twee maanden gevangenisstraf.

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte gezien zijn persoonlijke omstandigheden en de achtergronden van zijn ongewenstverklaring, geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Anders dan de verdediging acht het hof de schending van de rechtsnorm te ernstig om te kunnen volstaan met een schuldigverklaring zonder toepassing van straf of maatregel. Ook overigens ziet het hof in de aangevoerde persoonlijke omstandigheden geen reden af te wijken het hiervoor genoemde oriëntatiepunt. Het hof zal verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf van na te melden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. M. Rutgers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. drs. T. Kraniotis, griffier,

en op 10 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.