Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1120

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
11-00316
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is een stichting die zich ten doel stelt sport-, spel- en bewegingsactiviteiten te stimuleren; zij tracht dit doel onder meer te bereiken door het huren, beheren en onderhouden van gemeentelijke sport accomodaties, waaronder gymzalen , sporthallen en sportparken. Tevens is belanghebbende eigenaar en exploitant van een zwembad.

Belanghebbende heeft een verzoek ingediend tot (gedeeltelijke) teruggaaf van energiebelasting, betrekking hebbend op het zwembad. Het verzoek is afgewezen.

In de procedure is allereerst de ontvankelijkheid aan de orde: het verzoek moet worden gedaan binnen een termijn van 13 wekenna afloop van de verbruiksperiode. Belanghebbende heeft dit niet gedaan, omdat de eindafrekening over de betreffende periode door het energiebedrijf, die moet worden meegestuurd met de aanvraag, pas na die 13 weken is opgemaakt. Het Hof oordeelt dat de betreffende termijn niet van openbare orde is, terwijl de belastingdienst zich er niet op heeft beroepen. Belanghebbende is ontvankelijk. Het Hof wijst belanghebbendes verzoek af en verwijst daarbij naar Hoge Raad , 20 mei 2005, nr. 40637, LJN: AT5916.

Het Hof oordeelt vervolgens dat belanghebbende niet slechts in beperkte mate werkzaam is op het gebied van sport, gezondheidszorg en onderwijs en dus niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 361, elfde lid, letter c Wet belastingen milieugrondslag.

Vervolgens oordeelt het Hof dat het zwembad niet zelf de instelling is doch belanghebbende en dat belanghebbende niet valt onder de algemeen nut beogende instellingen van artikel 361, twaalfde lid, Wbm.

Tenslotte verwerpt het Hof Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat er geen sprake is van feitelijk of rechtens gelijke gevallen.

Hoger beroep van belanghebbende wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1243 met annotatie van Spaermon
FutD 2012-1107
V-N Vandaag 2012/961

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00316

Uitspraak op het hoger beroep van

X, gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 23 maart 2011, nummer AWB 10/1490, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Team Energiepremies Emmen,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft verzocht om teruggaaf van energiebelasting over de verbruiksperiode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006. De Inspecteur heeft het verzoek bij beschikking afgewezen. Tegen deze beschikking heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 2 maart 2010 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is geen griffierecht geheven.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep is eveneens geen griffierecht geheven.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. De zitting heeft plaatsgehad op 19 januari 2012 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigden van belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.6. Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7. Het Hof heeft aan het slot van de zitting het onderzoek gesloten.

2. Feiten

2.1. Het Hof stelt de volgende feiten vast, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander niet, dan wel onvoldoende, weersproken.

2.2. Belanghebbende draagt de naam "X".

2.3. Artikel 2 van de statuten van belanghebbende luidt:

1. De stichting heeft ten doel:

a. het bieden van optimale ontplooiingsmogelijkheden aan de ontwikkeling van sport-,spel- en bewegingsactiviteiten;

b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:

- het adviseren ten aanzien van het ontwikkelen, realiseren en exploiteren van gemeentelijke accommodaties voor sport en spel;

- het beheren en onderhouden van accommodaties voor sport en spel;

- het geven van informatie, voorlichting en ondersteuning met betrekking tot activiteiten van sport-, spel- en bewegingsactiviteiten;

- het organiseren van samenwerkingsverbanden ten behoeve van de georganiseerde en ongeorganiseerde sport, de topsport en de breedtesport;

- het adviseren ten aanzien van het gemeentelijk topsport- en breedtesportbeleid en sportstimuleringsactiviteiten en het coördineren van de uitvoering en het organiseren van een topsport- en breedtesportprogramma en sportstimuleringsactiviteiten;

- het in beeld brengen van ontwikkelingen op het gebied van sport-, spel- en bewegingsactiviteiten en het doen van onderzoek.

2.4. Belanghebbende is eigenaar en exploitant van het zwembad "A".

2.5. Belanghebbende is krachtens overeenkomst met de gemeente Y1 huurder en beheerder van diverse aan deze gemeente toebehorende sportaccommodaties. Het gaat om gymzalen, sporthallen en sportparken.

2.6. Belanghebbende heeft in totaal 41,35 fte aan arbeids-krachten beschikbaar. Van dit aantal is 36,1 fte gericht op, en wordt ingezet voor, het beheer, de exploitatie en het onderhoud van gebouwen en terreinen.

2.7. De inkomsten van belanghebbende bestaan uit de omzet behaald met de verhuur van de sportaccommodaties, alsmede, voor meer dan 70% van de totale inkomsten, uit de bijdrage die de gemeente levert om het exploitatietekort te dekken.

2.8. Belanghebbende heeft op 23 november 2009 een verzoek tot gedeeltelijke teruggaaf van energiebelasting ingediend op grond van artikel 69, tweede lid, Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: Wbm). Het verzoek is uitsluitend gericht op de energiebelasting die betrekking heeft op het zwembad. Dit verzoek is afgewezen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van energiebelasting. Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Belanghebbende stelt, onder meer, dat zij een algemeen nut beogende instelling is die niet werkzaam is op het gebied van sport; de Inspecteur stelt, onder meer, dat belanghebbende niet het algemeen nut beoogt en voorts dat zij wel werkzaam is op het gebied van sport.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij deze standpunten nader toegelicht, doch geen nieuwe argumenten naar voren gebracht.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur en tot het verlenen van de gevraagde teruggaaf. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

De ontvankelijkheid van het verzoek

4.1. Voordat het Hof toekomt aan de behandeling van het materiële geschil, zal het eerst ambtshalve onderzoeken of het verzoek om teruggaaf ontvankelijk was. De Rechtbank heeft, terecht, overwogen, dat ingevolge artikel 36l, elfde lid, van de Wbm in verbinding met het zevende lid van genoemd artikel en artikel 8c, negende lid, van het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag (Ubm) het verzoek dient te worden gedaan binnen 13 weken na afloop van de verbruiksperiode van 12 maanden. Belanghebbendes verzoek is niet gedaan binnen deze termijn.

4.2. De Rechtbank heeft het verzoek niettemin als tijdig aangemerkt. De Rechtbank is tot dat oordeel gekomen op grond van de omstandigheden dat (i) de teruggaaf slechts wordt verleend indien bij het verzoek om teruggaaf een kopie van de eindafrekening van het energiebedrijf wordt meegestuurd, (ii) het energiebedrijf de eindfactuur pas heeft opgemaakt na afloop van voornoemde termijn van 13 weken, (iii) belanghebbende het verzoek binnen 13 weken na factuurdatum heeft gedaan, en (iv) de Inspecteur ter zitting heeft verklaard dat, hoewel de termijn van 13 weken aanvangt na afloop van de leveringsperiode, de belastingdienst, indien de eindafrekening van een latere datum is, uit praktische overwegingen de factuurdatum hanteert als datum waarop de termijn een aanvang neemt.

4.3. De motivering van de Rechtbank maakt niet duidelijk of de Rechtbank van oordeel was dat de termijnoverschrijding op basis van de opgesomde omstandigheden gepasseerd kon worden op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), of op grond van een andere reden.

4.4. Naar het oordeel van het Hof behelst de termijn in artikel 8c, negende lid, van het Ubm, een in het belang van de belastingadministratie gegeven voorschrift dat zich slechts voor toepassing leent indien en voor zover de belastingadministratie zich daarop beroept (vgl. HR 10 december 1990, nr. 26.536, LJN ZC4489, onder meer gepubliceerd in BNB 1991/52). Deze termijn is dus niet van openbare orde. Nu de Inspecteur zich voor de Rechtbank niet (langer) op (overschrijding van) deze termijn beroepen heeft, heeft de Rechtbank het verzoek terecht ontvankelijk verklaard.

Ten aanzien van het geschil

4.5. Belanghebbende doet haar verzoek tot teruggaaf primair steunen op het elfde lid van artikel 36l, Wbm en subsidiair op het twaalfde lid van dat artikel.

Ten aanzien van artikel 36l, elfde lid, Wbm

4.6. Belanghebbendes feitelijke werkzaamheden bestaan voor het overgrote deel uit beheer, exploitatie en onderhoud van gebouwen en terreinen. Dit blijkt uit de cijfers die belanghebbende in hoger beroep presenteert. Partijen zijn het daarover eens.

4.7. De Hoge Raad overwoog in zijn arrest van 20 mei 2005, nummer 40637, LJN AT5916, als volgt:

Voorzover het middel zich keert tegen 's Hofs oordeel dat tot de instellingen als bedoeld in artikel 36l, lid 11, van de Wbm niet slechts kunnen worden gerekend instellingen die zich blijkens hun statuten ten doel stellen de uitoefening van activiteiten van maatschappelijke, sociale of culturele aard, doch tevens instellingen die een gebouw exploiteren ten dienste van zodanige activiteiten, is het evenwel terecht voorgesteld. Noch uit de tekst van artikel 36l, lid 11, van de Wbm, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling volgt dat de wetgever heeft beoogd de teruggaafregeling van toepassing te doen zijn op andere instellingen dan die welke zich ten doel stellen de uitoefening van activiteiten die zelf activiteiten van maatschappelijke, sociale of culturele aard zijn. Dat door die andere instellingen diensten worden verricht ten behoeve van instellingen die wel zelf dergelijke activiteiten ontplooien, doet daaraan niet af.

4.8. Het Hof acht onvoldoende feitelijk of juridisch relevante verschillen aanwezig tussen voorliggend geval en dat welk onderwerp vormde van geciteerd arrest om thans in afwijking van de in het arrest gegeven regel te beslissen. Belanghebbendes stelling, dat zij recht heeft op teruggaaf op grond van artikel 36l, lid 11, van de Wbm, wordt daarom verworpen.

4.9. Het Hof overweegt voorts, dat zo de beheers- en verhuursactiviteiten van belanghebbende niet geïsoleerd zouden moeten worden beschouwd, maar tevens rekening zou moeten worden gehouden met de context waarin deze activiteiten worden verricht (te weten: als gesubsidieerd 'verlengstuk' van de gemeente, met als uiteindelijk doel de stimulering van sportbeoefening binnen de gemeente), het oordeel niet anders uitvalt. Zou men deze context meewegen - hetgeen belanghebbende nadrukkelijk bepleit - dan ontkomt men niet aan de conclusie, dat belanghebbendes activiteiten plaatsvinden op het gebied van de sport. Belanghebbendes verzoek strandt dan op de voorwaarde genoemd in artikel 36l, elfde lid, letter c, Wbm, in verbinding met artikel 8ja, eerste lid, letter d, Ubm. Deze voorwaarde houdt, kort gezegd, in dat de instelling niet, of slechts in beperkte mate, werkzaam mag zijn op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs.

4.10. Belanghebbende betoogt, dat zij uitsluitend teruggaaf heeft verzocht van energiebelasting met betrekking tot het door haar geëxploiteerde zwembad "A". Dit zwembad behoort haar in eigendom toe; in zoverre is derhalve geen sprake van een onroerende zaak die zij aan anderen ter beschikking stelt. Een zwembad is, zo stelt zij, een algemeen nut beogende instelling. Zij verdedigt dat het zwembad als zelfstandige entiteit, dat wil zeggen als "instelling" in de zin van artikel 36l, elfde lid, Wbm moet worden beschouwd, die als zodanig in aanmerking komt voor de teruggaaf van energiebelasting. Dit betoog faalt. Als "instelling" kan slechts worden aangemerkt de rechtspersoon zelf, en niet een bezitting of activiteit van de rechtspersoon.

Ten aanzien van artikel 36l, twaalfde lid, Wbm

4.11. Belanghebbende heeft voorts ter zitting gesteld, dat zij een algemeen nut beogende instelling is, omdat zij door middel van het ter beschikking stellen (verhuren) van de gebouwen en terreinen beoogt: (i) scholen in staat te stellen leerlingen sport of gymnastiek te laten beoefenen en (ii) sportverenigingen in staat te stellen tegen gunstige tarieven hun leden te laten sporten. Ter ondersteuning van haar stelling heeft belanghebbende overgelegd een overzicht van de met de verhuur behaalde omzetten, voorzien van de namen van de huurders. De Inspecteur heeft de behaalde omzetten erkend, althans niet weersproken; de Inspecteur heeft voorts erkend, althans niet weersproken, dat de gebouwen en terreinen worden gehuurd door scholen ten behoeve van gymnastiek/sportbeoefening door leerlingen, en door sportverenigingen ten behoeve van sportbeoefening door de leden.

4.12. Blijkens de wetsgeschiedenis van 36l, twaalfde lid, Wbm strekt deze bepaling ertoe de in het elfde lid opgenomen teruggaafregeling uit te breiden naar onroerende zaken die hoofdzakelijk in gebruik zijn bij meer dan één instelling. Een instelling die zich bezighoudt met de exploitatie van een onroerende zaak en die zaak ter beschikking stelt van, kort gezegd, algemeen nut beogende of een sociaal belang behartigende instellingen, komt in beginsel in aanmerking voor teruggaaf van energiebelasting. Belanghebbende is een zodanige instelling, nu zij de onroerende zaken ter beschikking stelt van scholen en sportverenigingen, waarvan het Hof veronderstellenderwijs zal aannemen dat zij hetzij het algemeen nut beogen, hetzij een sociaal belang behartigen.

4.13. Artikel 36l, twaalfde lid, Wbm, stelt echter, in verbinding met artikel 8ja, tweede lid, Ubm, nadere voorwaarden. De Inspecteur verdedigt, dat belanghebbende aan meerdere voorwaarden niet voldoet.

4.14. Naar het oordeel van het Hof voldoet belanghebbende in ieder geval niet aan de voorwaarde gesteld in artikel 36l, twaalfde lid, letter d, Wbm in verbinding met artikel 8ja, tweede lid, Ubm, welke voorwaarden hierop neerkomen, dat de gebruikers van de onroerende zaken (de scholen en de sportverenigingen) niet of slechts in beperkte mate werkzaam mogen zijn op het gebied van sport, gezondheidszorg of onderwijs. Een school die een ruimte of terrein huurt ten behoeve van de gymnastiekles of sportbeoefening van de leerlingen, is evident werkzaam op het gebied van sport of onderwijs. Een sportvereniging die een ruimte of een terrein huurt ten behoeve van de sportbeoefening van de leden, is evident werkzaam op het gebied van sport. Belanghebbendes beroep op artikel 36l, twaalfde lid, Wbm faalt daarom eveneens.

Het gelijkheidsbeginsel

4.15. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat zij, naast het ter beschikking stellen van gebouwen en terreinen, een zwembad exploiteert en dat zij, indien zij het zwembad in een zelfstandige stichting zou hebben ondergebracht, ongetwijfeld de gevraagde teruggave zou hebben gekregen. Zij stelt uit ervaring te weten, dat bij "zwembad-stichtingen" de teruggaaf steeds zonder mankeren door de belastingdienst wordt verleend.

4.16. Het Hof vat deze stelling op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Dit beroep faalt. Een stichting als belanghebbende, waarin meerdere activiteiten zijn ondergebracht, en waarin de activiteit bestaande uit de exploitatie van een zwembad ondergeschikt is aan de overige activiteiten, is feitelijk noch rechtens gelijk aan een stichting die als (nagenoeg) enige activiteit de exploitatie van een zwembad heeft. Belanghebbende en dergelijke "zwembad-stichtingen" zijn daarom geen gelijke gevallen.

Slotsom

4.17. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond. De overige door partijen aangevoerde argumenten behoeven geen behandeling. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.18. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.19. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond, en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 9 maart 2012 door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en P.C. van der Vegt, leden, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.