Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1100

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
20-001902-11
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROE:2011:BQ1998, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:528, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Moord. Dodelijke steekpartij in Weert. 8 jaar gevangenisstraf. Voorwaardelijk opzet en voorbedachte raad. Verwerping noodweer(exces).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2012-04-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-001902-11

Uitspraak : 6 april 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 22 april 2011 in de strafzaak met parketnummer 04-800160-10 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1991],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij:

- verdachte werd vrijgesproken van de hem primair ten laste gelegde moord;

- verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de subsidiair bewezen verklaarde doodslag;

- de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk werden verklaard in hun vorderingen.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de akte rechtsmiddel heeft de officier van justitie op 26 april 2011 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis alsmede tegen de beschikking van de rechtbank d.d. 11 april 2011 inhoudende opheffing van de voorlopige hechtenis en het bevel tot onmiddellijke invrijheidstelling. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat op grond van artikel 406, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering voor de officier van justitie geen afzonderlijk hoger beroep mogelijk was tegen het bevel onmiddellijke invrijheidstelling. Voorts heeft de advocaat-generaal gegrondverklaring van het hoger beroep tegen het bevel onmiddellijke invrijheidstelling gevorderd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op grond van artikel 406, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is tegen vonnissen die geen einduitspraken zijn het hoger beroep slechts gelijktijdig met dat tegen de einduitspraak toegelaten. Gelet op het bepaalde in artikel 138 van het Wetboek van Strafvordering kan de beschikking van de rechtbank evenwel niet worden aangemerkt als een vonnis dat geen einduitspraak is. Immers, de beschikking is niet een op de terechtzitting gegeven beslissing. Het hof is dan ook van oordeel dat het onderhavige hoger beroep van de officier van justitie tegen het vonnis zich niet ook uitstrekt over de beschikking van de rechtbank, zodat deze beschikking niet aan het oordeel van het hof onderworpen is.

Tegen de beschikking van de rechtbank stond op grond van artikel 71, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering hoger beroep open voor de officier van justitie. Het hof zal het hoger beroep van de officier van justitie dan ook begrijpen als een hoger beroep op grond van artikel 71, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarop het hof bij apart geminuteerde beslissing zal beslissen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte zal vrijspreken van het hem primair ten laste gelegde feit;

- de verdachte voor het hem subsidiair ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 4.794,84 subsidiair 57 dagen hechtenis;

- aan de verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 1.945,63 subsidiair 29 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 4.794,84, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 1.945,63.

De verdediging heeft bepleit:

- primair dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde;

- subsidiair dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging;

- dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard zullen worden.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 04 oktober 2010 in de gemeente Weert opzettelijk en met voorbedachten rade [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp in het lichaam van genoemde [A] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [A] is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 04 oktober 2010 in de gemeente Weert opzettelijk [A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes, in elk geval met een scherp voorwerp in het lichaam van genoemde [A] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [A] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het bewijs

1. De verklaring van [getuige 1], afgelegd bij de politie op 6 oktober 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb [A] voor het laatst gezien of gesproken op 4 oktober 2010 rond 17.00 of 18.00 uur. Ik ken [verdachte]. Ik (het hof begrijpt: verbalisant) zag dat getuige op de plattegrond de woning van [verdachte] aanwees. Ik zag [verdachte] en [A] bij de apotheek. Ze kwamen naar mij en mijn broertje gelopen. [A] werd boos. [A] en [verdachte] begonnen over en weer te schelden. [verdachte] is toen boos weggelopen.

Toen [verdachte] weg was heb ik nog even met [A] staan praten. Ik schat dat dit een

5 minuten heeft geduurd. Toen kwam [verdachte] terug. [verdachte] kwam weer naar ons toegelopen. [verdachte] had een mes bij zich. [verdachte] ging voor [A] staan en zwaaide met zijn handen. Hij had het mes in z’n rechterhand. Vervolgens hoorde ik [verdachte] zeggen: “Als je echt fitti wilt hebben dan moet je om negen uur maar bij de apotheek achter bij het speeltuintje zijn”. Vervolgens zag ik dat [verdachte] naar huis liep. Fitti betekent ruzie.

2. De verklaring van [getuige 2], afgelegd bij de politie op 11 oktober 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik weet mogelijk iets te vertellen omtrent de steekpartij die op 4 oktober 2010 in de wijk Boshoven in Weert heeft plaatsgevonden. De persoon die is neergestoken is [A]. De persoon die verdacht wordt van het neersteken van [A] ken ik ook. Dit is [verdachte]. Ik weet dat hij woont op het adres [adres] te Weert, ook in de wijk Boshoven.

Op 5 oktober 2010 heb ik samen met [betrokkene 5] een andere bekende van ons getroffen in het centrum van Weert. Wij hebben daar gesproken met [betrokkene 2]. Bij [betrokkene 2] was zijn vriend genaamd [betrokkene 1].

Ik hoorde dat [betrokkene 2] het navolgende begon te vertellen:

- we waren gisteren avond samen met [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte);

- met we bedoelde hij zichzelf en [betrokkene 1];

- [verdachte] had de hele tijd gezegd “ik ga hem straks neersteken”;

- met “hem” had [verdachte] bedoeld [A];

- dit was omstreeks 20:00 – 20:15 uur die avond geweest;

- vervolgens waren zij alle drie naar huis gegaan;

- omstreeks 22:00 uur had [verdachte] een ping verstuurd naar [betrokkene 2] met als inhoud dat hij hem nu neer had gestoken en dat hij moest gaan zitten en dat hij [betrokkene 2] nog wel zou spreken”.

3. De verklaring van [B], wonende te [woonplaats], afgelegd bij de politie op

4 november 2010 (aanvang 10.10 uur), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Verbalisanten: Wij onderzoeken wat op 4 oktober 2010 gebeurd is in de Narcisstraat in Weert. We hebben vragen over wat er toen gebeurd is.

Antwoord: Het was een ruzie tussen [A] (het hof begrijpt: [A]) en [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) die aangehouden is.

[A] en ik zijn samen naar Boshoven gereden. Toen we aankwamen daar, zag ik al drie jongens staan.

Ik zag daar die drie jongens, [C] (het hof begrijpt [C]), [D] (het hof begrijpt: [D]) en [verdachte]. Ik reed iets verder door en zette de auto aan de kant stil. Ik zei tegen [A] “jij blijft zitten”. Ik liep naar [verdachte]. [verdachte] was meteen opgefokt. Hij zei: “waar is hij”.

Ik zag dat [verdachte] mij voorbij rende in de richting van de auto. [A] zag dit en stapte uit. Ze pakten elkaar vast.

Ze probeerden elkaar te steken. Het begon al bij mijn auto. Ik zag die messen heen en weer gaan. [verdachte] en [A] bleven maar trekken en duwen en ze kwamen ten val op de weg. Opeens stak [verdachte] [A].

Er werd heen en weer gestoken. Dat was op het bovenlichaam.

4. De verklaring van [B], afgelegd bij de politie op 4 november 2010 (aanvang 19.35 uur), voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V: We gaan verder met het verhoor. Op het moment dat jij samen met [A] op 4 oktober 2010 ’s avonds de woning van [A] verlaat, wat hebben jullie toen gedaan?

A: We zijn naar mijn auto gegaan en we zijn ingestapt. [A] en ik reden Boshoven in. We zagen [verdachte], [C] en [D]. Ik reed een stukje door.

Ik ben uitgestapt. [verdachte] begon al meteen hysterisch te doen. Ik hoorde dat hij zei: “Waar is hij, waar is hij”.

[verdachte] had mij al gepingd dat ik die jongen van mij rustig moest houden. Ik heb gezegd via de ping dat we het uit zouden praten en dat er geen gekke dingen zouden gaan gebeuren. Ik heb gestuurd: we komen nu die kant op. Dat was toen we al onderweg waren.

Ik heb tegen [verdachte] gesproken, maar hij luisterde niet. Hij keek mij niet eens aan. Ik had al extra de auto wat verder doorgereden zodat hij [A] niet zou zien. Hij schreeuwde echter alleen maar: “waar is hij”.

[verdachte] rende via de straat richting mijn auto en riep steeds waar is die.

[verdachte] liep helemaal door tot aan het rechter portier van de auto. [A] stapte uit maar bleef staan bij de auto. [verdachte] liep door tot aan de deuropening van de auto. Ze pakten elkaar vast aan de kleding van het bovenlichaam.

De messen hadden ze beiden al in de hand toen ze elkaar vastpakten en met elkaar stonden te trekken en duwen.

Ik zag dat [verdachte], terwijl hij naar de auto rende, naar zijn sok of enkel reikte. Ik zag toen [A] uitstapte dat hij met zijn hand ergens iets bij zijn buik of broeksband vandaan haalde.

Op een bepaald moment kwam [A] ten val. Hij viel op zijn rug. Ik zag dat [verdachte] op hem kwam te zitten. Ik zag dat ze met hun handen stekende bewegingen maakten. Ik zag dat [verdachte], toen hij bovenop [A] zat, stekende bewegingen maakte in de richting van het bovenlichaam van [A].

5. De verklaring van [B], afgelegd bij de politie op 9 november 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Toen [verdachte] naar de auto rende, haalde [verdachte] een mes tevoorschijn. Daarna zag ik dat [A] iets bij zijn broeksband pakte. Vervolgens zag ik dat zij elkaar vast pakten en toen zag ik dat [A] ook een mes vast had.

6. De verklaring van [D], afgelegd bij de politie op 5 oktober 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 4 oktober 2010 omstreeks 21.55 liep ik samen met mijn vriend, [C] (het hof begrijpt [C]), richting cafetaria [naam cafetaria] aan de Boshoverweg te Weert. We zijn richting kruising gelopen. Met kruising bedoel ik de Boshoverweg, Burcht en Narcisstraat. Het was de kruising waar ook de apotheek van Boshoven ligt.

7. De verklaring van [D], afgelegd bij de politie op 10 november 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Verbalisanten: Gisteren is [C] gehoord. Naar aanleiding daarvan hebben we nog aanvullende vragen.

Antwoord: Ik ben samen met [C] naar het kruispunt gegaan. Toen kreeg [C] een ping die afkomstig bleek te zijn van [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). [C] zei mij nadat hij die ping had gelezen dat [verdachte] had gevraagd om te komen. [C] vroeg aan mij of wij even naar [verdachte] konden gaan. Wij zijn teruggelopen naar de woning van [verdachte].

[verdachte] kwam naar buiten en wij vroegen wat er aan de hand was. [verdachte] antwoordde: “Ik heb problemen met [A] (het hof begrijpt: [A]). Hij heeft mij zitten te bedreigen en hij wil mij, in mijn eigen buurt pakken.” We liepen intussen naar de kruising van de Boshoverweg met de Narcisstraat en De Burcht. Wij volgden [verdachte] die in de richting van de kruising liep. Toen wij bij het bankje stonden vertelde [verdachte] dat [A] zou komen.

[verdachte] zei: “Hij wil mij pakken in mijn eigen buurt. Wat denkt hij wel niet”. [verdachte] was stil en gewoon wachtend, een beetje ongeduldig. Het was net alsof je op een trein wacht die te laat was.

Wij waren ongeveer 6 minuten bij het bankje toen er een Golf 4 langsreed. Die stopte ongeveer 27 tot 30 meter van ons af, voorbij ons.

De auto stopte. [C] en ik zagen [B] (het hof begrijpt: [B]) uitstappen aan de bestuurderszijde. [B] liep naar [verdachte]. [verdachte] zei toen: “Waar is [A], wat doe jij hier”. [B] zei: “[verdachte], ik wil met jou praten”. [verdachte] zei: “Waar is [A], waar is [A]”. [B] zei toen: “[A] zit in de auto, ik heb hem in de auto gelaten”.

[verdachte] stond ongeveer 5 meter vanaf het bankje af. Dus 5 meter vanaf ons en tussen [B] en ons in.

[verdachte] zei niets en rende vervolgens naar de auto waar [A] toen uit kwam.

8. De verklaring van [D], afgelegd bij de politie op 9 november 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb [A] alleen zien staan. [A] stond stil toen [verdachte] in de richting van [A] liep.

[verdachte] begon te rennen in de richting van [A]. [verdachte] was toen nog 20 à 25 meter van [A] verwijderd. Toen [verdachte] op een afstand van ongeveer 5 à 6 meter van [A] verwijderd was zag ik dat [A] het mes trok. Ik zag dat [verdachte] doorrende in de richting van [A]. Ik zag dat [verdachte] [A] vast greep bij zijn borst. Er ontstond een worsteling.

Tijdens de worsteling verplaatsten [verdachte] en [A] zich naar de andere zijde van de straat. Beiden kwamen op de grond terecht. [verdachte] lag boven op [A]. Ik zag dat [A] op zijn rug lag en [verdachte] zat boven op [A]. Ik hoorde op een gegeven moment dat [A] riep: “[verdachte] stop ermee”. [verdachte] was op dat moment wild en bleef doorvechten. Ik hoorde op een gegeven moment het geluid van ijzer dat op straat viel. Achteraf zag ik dat er een mes naast [A] op de grond lag. Ik hoorde dat [A] riep of zei: “Hou op”. Ik zag dat [verdachte] toch door bleef gaan met vechten. Op een gegeven moment zie ik dat [verdachte] een stekende beweging maakte in de richting van [A]. [verdachte] zat toen nog boven op [A]. Ik zag [verdachte] met zijn rechterhand een stekende beweging maken. Dat heb ik [verdachte] twee keer zien doen. [verdachte] raakte [A]. [verdachte] stond toen op en rende weg.

9. De verklaring van [C], wonende te [woonplaats], afgelegd bij de politie op 9 november 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 4 oktober 2010 liep ik met [D] op de Boshoverweg in de richting van de kruising met de Narcisstraat. Ik zag daar [A] (het hof begrijpt: [A]) samen met [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte).

Ik zag dat [A] en [verdachte] in een vechthouding tegenover elkaar stonden. Ik stond samen met [D] te kijken.

De manier van vechten leek meer op een worsteling. Al heel snel vielen zij beiden op de grond. Ik zag dat [A] eerst viel. Ik zag dat [A] op wilde staan. [verdachte] was sneller en ging bovenop [A] zitten. De worsteling ging verder. Vervolgens zag ik dat [verdachte] bovenop [A] zat en met zijn rechterhand twee keer in [A] sloeg. [verdachte] maakte een soort steekbeweging. Ik zag dat [verdachte] zich omdraaide en onze kant op rende.

Ik zal u het stukje ervoor vertellen. [D] en ik liepen naar de Boshoverweg. Ik kreeg toen een ping van [verdachte]. Hij vroeg: He, waar ben je [C]. Ik antwoordde hem dat ik op Boshoven was bij hem in de buurt. Hij zei toen: Loop richting mij toe. Hij was thuis. Ik liep met [D] naar [verdachte] toe. [verdachte] kwam naar buiten gelopen. Vervolgens liepen we met hem erbij richting de bankjes tegenover de apotheek. Onderweg vertelde hij dat hij ruzie had met [A]. [A] had volgens hem gezegd dat hij naar [verdachte] kwam en de deur zou openmaken en zijn moeder zou vermoorden. [verdachte] zei: En dat zegt hij tegen mij in mijn wijk.

Ik en [D] zijn op het bankje gaan zitten. [verdachte] bleef voor ons staan. Hij zei dat hij ruzie had met [A] en dat [A] zei dat [A] zijn moeder en hem ging vermoorden en dat hij dat niet pikte.

Er kwam heel langzaam een auto aan. Een stukje verder stopte de auto. Dit was de Golf. Ik zag dat [B] aan de bestuurderskant uitstapte. Ik zag dat [B] onze kant op liep en vervolgens richting [verdachte] liep die op dat moment ongeveer op de kruising stond. Ik hoorde dat [verdachte] toen riep: “Waar is hij?” Ik zag dat [verdachte] richting de auto liep. Ik hoorde dat [B] zei: “Hij is in de auto.” Ik zag dat [verdachte] in de richting van de auto liep. Ik zag dat hij met zijn rechterhand een soort ophaalbeweging langs zijn been maakte. Ik zag dat [A] uit de auto stapte. Vervolgens ontstond er een vechtpartij. Verder ging dit zoals ik eerder heb verteld. [verdachte] rende er heen.

10. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op maandag 4 oktober 2010 omstreeks 22.10 uur reden wij door De Burcht te Weert in de richting van de Narcisstraat. Ik zag meerdere mensen op de stoep aan de linkerzijde van de Narcisstraat staan. Ik zag een persoon op de grond liggen bij deze mensen. Collega [verbalisant 2] parkeerde het dienstvoertuig. Ik liep naar de persoon toe die op de grond lag. Deze persoon bleek later volledig te zijn genaamd: [A], geboren op [1990] te [geboorteplaats].

Ik zag dat er een mes op ongeveer een meter afstand van [A] op de grond lag. Ik zag dat het mes in drie delen op de grond lag. Ik zag dat het een lemmet was met een gekartelde rand.

Ik hoorde dat de ambulancemedewerker zei dat het geen zin meer had om door te gaan met hartmassage omdat [A] was leeggebloed.

11. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Bij de sectie op het lichaam van [A], geboren op [1990] te [geboorteplaats], is het navolgende gebleken:

Er waren op de rug drie scherprandige perforaties met het aspect van een steekverwonding, aangegeven met A tot en met C.

In relatie met het letsel A rechts op de rug was er een steekkanaal te herleiden van links naar rechts onder de huid tot in het spierweefsel van de rug. De lengte van het steekkanaal bedroeg circa 8 cm.

In relatie met letsel B rechts op de rug was er een steekkanaal te herleiden van achter naar voor en iets naar rechts met perforatie van de borstkas en de rechterlong bovenkwab. Er was oppervlakkige perforatie van de borstvliezen aan de voorzijde. De lengte van het steekkanaal bedroeg circa 19 cm. Er was bloeduitstorting in de rugspieren, de borstvliezen en de rechterlong. Er was circa 100 ml bloed in de rechterborstholte.

In relatie met letsel C links op de rug was er een steekkanaal te herleiden van achter naar voor en van links iets naar rechts zijwaarts. Er was perforatie van de borstkas, de linkerlong onderkwab, de linkerlongwortel en het hartzakje. De lengte van het steekkanaal bedroeg circa 19 cm. Er was 500 ml bloed in de linkerborstholte en 50 ml bloed in het hartzakje.

Er was veel bloed verloren door alle steekletsels tezamen. De steekletsels zijn opgeleverd door steken met een scherp snijdend voorwerp en kunnen passen bij steken met een of meer messen. Het overlijden wordt verklaard door het massale bloedverlies in combinatie met luchtwegbelemmering door inademing van voedsel.

[A], 19 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van meermalen opgelopen perforerend geweld op het lichaam.

12. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Verdachte [verdachte], geboren op [1991]

Slachtoffer [A], geboren op [1990], overleden op 4 oktober 2010

In het FIT-verslag staat vermeld dat het slachtoffer was overleden bij een steekpartij op 4 oktober 2010 omstreeks 22:00 uur te Weert. Naast het slachtoffer werd een kartelmes in een aantal delen aangetroffen. Enkele dagen later zou een mes zijn aangetroffen in een rioolput.

De mesdelen kunnen, als één intact geheel beschouwd, gereconstrueerd worden tot een mes van ongeveer 23 cm lang, met een heft van ongeveer 11 cm lang en een lemmet van ongeveer 12 cm lang.

Het mes dat in een rioolput zou zijn aangetroffen is een mes van in totaal ongeveer 32 cm lang en 2,3 cm breed, met een heft van ongeveer 12 cm lang en een lemmet van ongeveer 20 cm lang.

13. Het overzicht communicatiegedrag (verstuurde en ontvangen teksten) [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) op 4-10-2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

tijd verzender ontvanger inhoud bron

17:32:00 [verdachte] [betrokkene 3] kheb ruziie pingen

17:33:00 [verdachte] [betrokkene 3] Met [naam slachtoffer] zo een indo pingen

18:55:08 [e-mailadres verdachte] [e-mailadres A] Nu gaan we sien hotmail

18:57:02 [e-mailadres verdachte] [e-mailadres A] Niet prate op msn we gaan sien what gebeurd hotmail

18:58:42 [e-mailadres verdachte] [e-mailadres A] Niet meer tege me prate we gaan sien 9 uur bij mij voor hotmail

19:09:30 [e-mailadres verdachte] [e-mailadres getuige 3] Kheb ruzii hotmail

19:09:31 [e-mailadres getuige 3] [e-mailadres verdachte] Met wie hb j ruzie..? hotmail

19:09:32 [e-mailadres verdachte] [e-mailadres getuige 3] Met so un kanker indoo hotmail

19:09:40 [e-mailadres verdachte] [e-mailadres getuige 3] Ksteek hem neer 9 uur hotmail

19:09:43 [e-mailadres getuige 3] [e-mailadres verdachte] nee doe rustig hotmail

19:09:44 [e-mailadres getuige 3] [e-mailadres verdachte] jullie kk veel probleme als mense der achter kome dat jullie da ware.. hotmail

19:09:45 [e-mailadres verdachte] [e-mailadres getuige 3] No kga soieso da doen niet probere uit t prate enso hotmail

19:09:46 [e-mailadres getuige 3] [e-mailadres verdachte] J moet niet meteen steke … hotmail

19:12:47 [e-mailadres verdachte] [e-mailadres getuige 3] Dus kga doen hotmail

19:17:00 [verdachte] [betrokkene 4] Kga so vechte pingen

19:31:48 [e-mailadres verdachte] [e-mailadres A] Kom nu na keetj hotmail

19:31:51 [e-mailadres verdachte] [e-mailadres A] Kom nu we staan klaar hotmail

19:32:16 [e-mailadres verdachte] [e-mailadres A] Kom na keetj hotmail

22:06:00 [verdachte] [betrokkene 2] Kheb hem gestoke kmoet gaan sitte n de bal pingen

22:07:00 [verdachte] [betrokkene 2] Ksei tog boshove s van mij kom niet prate pingen

14. De verklaring van [getuige 3], afgelegd bij de politie op 11 november 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik gebruik het e-mailadres [e-mailadres getuige 3]. Ik heb dit adres gebruikt met [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte).

15. De verklaring van verdachte, wonende te [woonplaats], afgelegd bij de politie op 5 oktober 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V: Bij de vorige verklaring waren wij gebleven bij 4 oktober 2010 omstreeks 22.00 uur. Hoe ging het verder?

A: Ik werd door [B] (het hof begrijpt: [B]) op mijn BlackBerry gepingd. Ik heb via mijn BlackBerry aangegeven dat ik zou komen. Dat was omstreeks 22.00 uur.

Ik liep naar de kruising waar de apotheek ligt. Ik zie op de plattegrond dat dit de Narcissenstraat is. Ik bleef bij de kruising wachten. Ik had een mes in mijn sok. Ik heb ongeveer 5 minuten gewacht op de kruising. Ik zag [B] met zijn auto aan komen rijden. Ik zag dat hij over de weg De Burcht kwam aanrijden in de richting van de kruising. Net over de kruising op de Narcissenstraat stopte de auto. Ik zag dat [B] vanaf de bestuurderszijde uit zijn auto kwam. Ik zag [A] (het hof begrijpt: [A]) uit de auto stappen.

[A] en ik raakten aan het worstelen. Het lukte mij om zijn mes van hem af te pakken. Ik stak hem met zijn eigen mes. Ik weet dat het een heel groot mes was. Ik hoorde dat hij schreeuwde van pijn en hij stopte met vechten. Ik had het mes in de hand toen ik opstond en ik heb dat mes weggegooid. Mijn eigen mes is op de grond gekomen waar ik gevochten heb.

16. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie op 7 oktober 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V: [verdachte], jouw BlackBerry is onderzocht door de digitale recherche. Daarin zijn onder andere de berichten van maandag (het hof begrijpt: 4 oktober 2010) aangetroffen. We gaan een aantal van die berichten met jou doornemen.

Ik schrijf onder de naam [e-mailadres verdachte]. Ik zie dat [e-mailadres A] [A] is.

V: We gaan je nu nog andere berichten laten zien uit de BlackBerry.

Het gaat over het contact dat ik via Hyves heb met een meisje. In de avond heb ik contact met haar. [e-mailadres getuige 3] is dit meisje.

V: Je schrijft wel aan dit meisje:

‘K steek hem neer’

‘No kga soieso da doen’

‘dus k ga doen ok’.

A: Ik heb dat wel geschreven.

17. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie op 18 oktober 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V: In jouw BlackBerry staat het volgende: [betrokkene 2] 4/10/2010.

Het verzonden bericht: ‘K heb hem gestoke kmoet gaan sitte n de bal Ksei tog boshove s van mij kom niet prate’ (22.06)

A: Ik heb die berichten geschreven. [betrokkene 2] is een vriend van mij.

18. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie op 16 november 2010, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

V: [C] en [D] zeggen dat jij hebt verteld over de ruzie met [A] en dat [A] naar jou toe zou komen. Klopt dit?

A: Ja, ja, als het goed is wel.

V: Waar ben jij met hun heen gelopen?

A: Voor bij het kruispunt.

V: Waar precies op het kruispunt?

A: Bij het bankje.

V: [B] heeft verklaard dat hij met [A] naar de Narcisstraat in Weert is gereden en dat hij op de kruising met de Boshoverweg jou heeft zien staan met [C] en [D]. Dat klopt?

A: Ja, dat zou best kunnen.

V: Op welk moment raakte jij jouw eigen mes kwijt?

A: Ergens in het begin van het gevecht.

V: Met welk mes heb jij [A] gestoken?

A: Met zijn eigen mes.

V: Hoe zat het dan met jouw eigen mes?

A: Volgens mij heb ik hem een keer geraakt, met de mijne.

19. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de politie op 2 maart 2011, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Het mes in het rioolputje was van [A]. Ik heb het mes van [A] afgepakt en heb hem daarmee gestoken.

20. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 14 maart 2012, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Ik heb op 4 oktober 2010 in Weert [A] de drie steekwonden toegebracht. Dat heb ik gedaan met een mes.

[A] en ik kwamen in een worsteling terecht. Mijn mes viel toen kapot op de grond. Het lukte mij om het mes van [A] af te pakken.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de verklaringen van [B], [D] en [C] onbetrouwbaar zijn. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat [B], [D] en [C] in strijd met de waarheid hebben verklaard, omdat zij [B] wilden beschermen en de schuld wilden afschuiven op verdachte.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof zijn geen omstandigheden gesteld of (anderszins) aannemelijk geworden die de stelling zouden kunnen dragen dat [B], [D] en [C] een onjuiste verklaring hebben afgelegd teneinde [B] te beschermen en de schuld af te schuiven op verdachte.

Het hof is uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken dat [B], [D] en [C] op onderdelen wisselende verklaringen hebben afgelegd. Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van [B], [D] en [C], voor zover het deze heeft gebezigd tot het bewijs, in de kern evenwel consistent, ondersteunen en versterken zij elkaar en vinden zij in voldoende mate steun in de overige bewijsmiddelen.

Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [B], [D] en [C], voor zover deze tot het bewijs worden gebezigd, zou moeten worden getwijfeld. Het hof bezigt deze verklaringen dan ook tot het bewijs.

C.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij van het hem primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat niet kan worden bewezen dat verdachte [A] opzettelijk heeft doodgestoken, omdat verdedigbaar is dat de steken in de worsteling door het rollen en zonder opzet om [A] dodelijk te raken (kunnen) zijn gemaakt.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.2

Uit de ter zake tot het bewijs gebezigde verklaringen van [B], [D] en [C] komt naar voren dat verdachte diverse keren stekende bewegingen naar [A] heeft gemaakt. Door verdachte zelf is verklaard dat hij met zijn eigen mes [A] heeft geraakt en [A] met diens mes heeft gestoken en [A] drie steekwonden heeft toegebracht.

Gelet hierop acht het hof de door de verdediging (veronderstellenderwijs) opgeworpen stelling te onwaarschijnlijk.

C.3

Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat verdachte opzettelijk drie keer met een mes in de rug van [A] heeft gestoken, waarbij de lengte van de steekkanalen circa 8, respectievelijk circa 19 en circa 19 centimeter bedroeg. Verdachte heeft dus met kracht gestoken.

C.4

Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in het bovenlichaam van een mens allerlei vitale organen bevinden, zoals hart en longen, en voorts allerlei vitale (slag)aderen, en dat verwonding aan dergelijke vitale delen zeer levensbedreigend kan zijn en gemakkelijk tot de dood van een persoon kan leiden. De verdachte moet zich daarvan, evenals ieder ander weldenkend mens, bewust zijn geweest.

De gedragingen van verdachte als hiervoor omschreven kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het in de bewezenverklaring omschreven gevolg, te weten het doden van [A], dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [A] van het leven zou beroven, zodat zijn opzet minstgenomen in voorwaardelijke zin daarop gericht is geweest.

D.1

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit, te weten – zakelijk weergegeven – moord. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte zich een moment van kalm beraad en rustig overleg heeft gegund, hoewel er tijd genoeg is geweest toen verdachte en zijn kompanen op of nabij het bankje wachtten op [A].

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij van het hem primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat – zakelijk weergegeven – niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

D.2

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren:

- Verdachte heeft op 4 oktober 2010 aan het begin van de avond zijn voornemen om [A] neer te gaan steken in een bericht aan [getuige 3] geuit, heeft gezegd dat hij het niet zou proberen uit te praten en heeft volhard in dat voornemen door na een bericht van [getuige 3], te weten “J moet niet meteen steke …”, te antwoorden “Dus kga doen”, om vervolgens nog een derde te berichten “Kga so vechte”.

- Later die avond heeft hij ook tegen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] meermalen gezegd dat hij [A] “straks” zou gaan neersteken.

- Verdachte wilde [A] treffen. Dat blijkt onder meer al als verdachte aan het eind van de middag tegen [A] zegt “Als je echt fitti (ruzie) wilt hebben, dan moet je om negen uur maar bij de apotheek achter bij het speeltuintje zijn” en uit een hotmail bericht aan [A] later op de dag: “Niet meer tege me prate we gaan sien 9 uur bij mij voor”. Ten slotte is verdachte terwijl hij wist dat [A] zou komen nabij de kruising waar het hier om gaat op [A] gaan wachten. Verdachte pikte het niet dat [A] hem in zijn eigen wijk wilde pakken.

- [A] is vervolgens bij de kruising uit de auto gekomen en daar blijven staan.

- Verdachte is in de aanval gegaan door op [A] toe te rennen, daarbij als eerste een mes pakkend.

- Verdachte heeft [A] vastgepakt. Er ontstaat een worsteling waarbij verdachte stekende bewegingen richting [A] maakt.

- Als verdachte zijn mes tijdens het gevecht is kwijtgeraakt, pakt hij het mes van [A] af en steekt [A] daarmee en zet zo de aanval door.

- [A] begint te schreeuwen van pijn en houdt op met vechten.

- Verdachte staat op en rent weg met het mes van [A].

- Zeer kort na het gevecht bevestigt verdachte de uitvoering van zijn voornemen door middel van pingberichten aan [betrokkene 2]: “Kheb hem gestoke kmoet gaan sitte n de bal” en “Ksei tog boshove s van mij kom niet prate”.

D.3

Gelet op het vorenstaande heeft verdachte voldoende tijd gehad om zich te beraden op het door hem genomen besluit om [A] neer te steken alvorens hij uitvoering heeft gegeven aan dat besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [A] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

E.

Het hof verwerpt mitsdien alle onder B., C. en D. besproken verweren in alle onderdelen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen, die moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 04 oktober 2010 in de gemeente Weert opzettelijk en met voorbedachten rade

[A] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een mes in het lichaam van genoemde [A] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [A] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

F.1

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Moord.

F.2

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld in een situatie van noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

- voorafgaand aan het gevecht door [A] bedreigingen zijn geuit richting verdachte;

- verdachte onverwachts werd geconfronteerd met [A];

- [A] op of tegen verdachte is gesprongen, waardoor verdachte naar zijn zeggen zijn mes verloor;

- verdachte en [A] op de grond vielen en er een worsteling ontstond;

- [A] verdachte als eerste stak met zijn mes en hem daarmee levensgevaarlijk raakte;

- verdachte [A] tijdens de worsteling uit vrees en ter voorkoming dat hij nogmaals gestoken werd het mes afhandig maakte;

- [A] tijdens de worsteling vervolgens dodelijk werd geraakt.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

F.3

Zoals het hof hiervoor onder D. overwoog, komt uit de gebezigde bewijsmiddelen naar voren dat verdachte, ter uitvoering van zijn voornemen om [A] van het leven te beroven, in de aanval is gegaan toen hij [A], waarvan hij wist dat deze zou komen, trof en deze aanval heeft doorgezet tot [A] was neergestoken. De aan het verweer ten grondslag gelegde stelling, namelijk dat verdachte zich moest verdedigen bij gelegenheid van een onverwachte confrontatie met [A], is aldus niet aannemelijk geworden. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan het bestaan van (een onmiddellijk dreigend gevaar voor) een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, een anders lijf of een goed door [A] aannemelijk is geworden.

Het hof heeft acht geslagen op de uitdagingen en bedreigingen op 4 oktober 2010 door [A] jegens verdachte.

Zo heeft [A] toen verdachte aan het eind van de middag voor hem stond met een mes zijn hemd omhoog getrokken en woorden geroepen als: “Als je wilt steken, dan moet je dat nu doen”. Voorts zijn er hotmailberichten van eerdergenoemde strekking van [A] aan verdachte zoals: “Wat wil je doen met je mesje tegen pipa (pistool)”, “ha ha pipa”, “op jou hoofd”, “ik kom wel aan jou deur”, “ha ha jou dood” en “ik steek je hele huis in de fik”. Ook heeft [A] naar zeggen van verdachte tegen hem gezegd dat [A] verdachtes ouders en zusjes (als ze thuis zouden zijn) wat zou aandoen (doden).

Toch doen deze verregaande provocaties aan het voorgaande niet af. Zij leiden immers niet tot de conclusie dat er op het moment dat verdachte de aanval inzette sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, een anders lijf of een goed door [A] dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Voor zover tijdens de aanval door verdachte sprake is geweest van een (dreigende) aanranding van het lichaam van verdachte door [A] is het hof van oordeel dat dit handelen van [A] niet wederrechtelijk was. [A] werd immers door verdachte aangevallen en heeft geprobeerd zijn lijf te verdedigen tegen die ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door verdachte.

Tot slot zal het hof geen acht slaan op mogelijke bedreigende teksten die mogelijk door [A] kort voor of tijdens het gevecht zouden zijn geuit, nu deze geen rol spelen in de lezing en beleving van verdachte zelf omtrent het gebeuren op de kruising.

F.4

Gelet op het vorenstaande was geen sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte, een anders lijf of een goed en evenmin van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor .

Bijgevolg wordt het beroep op noodweer verworpen.

F.5

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

G.1

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er sprake was van een situatie van noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof verwerpt ook dit verweer nu, zoals hiervoor overwogen, geen sprake is geweest van een noodweersituatie.

G.2

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van het de verdachte betreffend rapport, d.d. 3 maart 2011, opgemaakt door drs. B.Y. van Toorn, GZ-psycholoog, inhoudende – zakelijk weergegeven – dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit lijdende was aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een posttraumatische stress stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestaande uit een dreigende scheefgroei in de persoonlijkheid, met name borderline persoonlijkheidstrekken. Het hof volgt deze conclusie en maakt deze tot de zijne.

De in het rapport overwogen mogelijkheid dat verdachte onverwachts werd geconfronteerd met [A] en de mogelijke effecten daarvan bij verdachte, volgt het hof niet omdat deze zijn gebaseerd op een verklaring van verdachte waaraan het hof op grond van hetgeen hiervoor in dit arrest is overwogen, geen geloof hecht.

Het hof verstaat het rapport aldus dat verdachte lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens dat het feit hem reeds daarom in verminderde mate kan worden toegerekend. Het hof volgt deze conclusie en maakt deze tot de zijne.

G.3

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op [A], door deze opzettelijk en met voorbedachten rade meermalen met een mes in zijn rug te steken.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de verdachte, ter zake van “doodslag”, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft aangekondigd [A] neer te steken en hem toen in de avonduren op de openbare weg daadwerkelijk doodgestoken met een mes. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan moord, een delict dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste delicten die het Nederlandse strafrecht kent.

De verdachte heeft welbewust een mensenleven beëindigd en daarmee een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht en groot leed toegebracht aan onder meer de nabestaanden van het slachtoffer, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van een dierbare.

Door een delict als het onderhavige wordt de rechtsorde zeer ernstig is geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg.

Voorts is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op het voorgaande niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij het bij dit hof gangbare uitgangspunt dat voor moord in de regel niet minder dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren wordt opgelegd.

Gelet op de verminderde toerekenbaarheid van verdachte, zoals hiervoor overwogen onder G.2, en de verregaande provocaties van verdachte door het latere slachtoffer, zoals hiervoor onder F.3 overwogen, acht het hof in casu een aanmerkelijk lagere gevangenisstraf, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, passend.

De omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 februari 2012 niet eerder door de strafrechter is veroordeeld, de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, en de omstandigheid dat verdachte spijt heeft betuigd doen aan het voorgaande niet af.

Maatregelen ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

1. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde 2] schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.945,63.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 1.945,63 te betalen ten behoeve van het slachtoffer, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts gebleken dat [benadeelde 1] (gemachtigde: mr. S.C. van Heerd), als gevolg van het verklaarde feit, schade heeft geleden, tot een bedrag van EUR 1.697,40.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 1.697,40 te betalen ten behoeve van het slachtoffer, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vorderingen van de benadeelde partijen

1. De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van 1.945,63, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is door de eerste rechter in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij zijn in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is inhoudelijk niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van EUR 1.945,63. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bewezen verklaarde feit werd begaan tot en met de dag der voldoening.

2. De benadeelde partij [benadeelde 1] (gemachtigde: mr. S.C. van Heerd) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van 6.697,40, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij is door de eerste rechter in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij haar in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is inhoudelijk niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van EUR 1.697,40. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip waarop het bewezen verklaarde feit werd begaan tot en met de dag der voldoening.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat voor het overige (de vordering met betrekking tot de immateriële schade) de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, aangezien de rechtsvraag of verdachte aansprakelijk is voor de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade niet eenvoudig te beoordelen valt. Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is en dat die vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

En ten aanzien van elk van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen:

Het hof zal de verdachte tevens verwijzen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Voorlopige hechtenis

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 14 maart 2012 gevorderd dat het hof de gevangenneming van verdachte zal bevelen. Verdachte en zijn raadsvrouwe zijn in de gelegenheid geweest zich over deze vordering uit te laten, doch hebben hiervan geen gebruik gemaakt.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de onderhavige uitspraak wordt verdachte ter zake van moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van lange duur. Verdachte wordt aldus veroordeeld voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Bovendien is sprake van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren of meer is gesteld en is naar het oordeel van het hof, gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit en op het aan de nabestaanden van het slachtoffer aangedane leed, de rechtsorde door dat bewezen verklaarde feit ernstig geschokt. Het tijdsverloop maakt dat niet anders. Dit brengt mee dat sprake is van een gewichtige reden van maatschappelijke veiligheid, welke de onverwijlde vrijheidsbeneming van verdachte vordert. De omstandigheid dat een eerder gegeven bevel tot voorlopige hechtenis is opgeheven, maakt dit niet anders. Nieuwe bezwaren zijn daarvoor niet noodzakelijk. Het hof zal dan ook de gevangenneming van de verdachte bevelen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], een bedrag te betalen van EUR 1.945,63 (duizend negenhonderdvijfenveertig euro en drieënzestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 (negenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2010 tot en met de dag der voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] (gemachtigde: mr. S.C. van Heerd), een bedrag te betalen van EUR 1.697,40 (duizend zeshonderdzevenennegentig euro en veertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 (zesentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2010 tot en met de dag der voldoening.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.945,63 (duizend negenhonderdvijfenveertig euro en drieënzestig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2010 tot en met de dag der voldoening.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] (gemachtigde: mr. S.C. van Heerd) ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 1.697,40 (duizend zeshonderdzevenennegentig euro en veertig cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2010 tot en met de dag der voldoening.

En ten aanzien van elk van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en vorderingen:

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover deze aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, heeft voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover deze aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, heeft voldaan.

Beveelt de gevangenneming van de verdachte, welk bevel apart zal worden geminuteerd.

Aldus gewezen door

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. H. Eijsenga en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 6 april 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. F.C.J.E. Meeuwis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.