Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1099

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
11-00323
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 16 januari 2010 is een aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2003 opgelegd. Na bezwaar is deze verminderd naar nihil. Belanghebbende meent dat over het jaar 2003 een verlies moet worden vastgesteld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de aanslag voor 1 januari 2007 had moeten zijn opgelegd en dat de aanslag derhalve ruim na de aanslag- en navorderingstermijn is opgelegd. De rechtbank heeft de aanslag vernietigd, overwegende dat de aanslag opgelegd was buiten de aanslagtermijn en verliesbeschikking op die grond niet kon worden vastgesteld. In hoger beroep oordeelt het hof anders. Weliswaar is de aanslag buiten de termijn opgelegd, maar dit betekent niet deze daarmee van rechtswege nietig is. De driejaarstermijn is niet van openbare orde. Een belanghebbende moet expliciet een beroep doen op het vervallen van de bevoegdheid een aanslag op te leggen. Nu belanghebbende een dergelijk beroep niet heeft gedaan, is de aanslag volgens het hof tijdig opgelegd. Belanghebbende heeft echter niet aan kunnen tonen dat zij een verlies heeft geleden, zodat de inspecteur de aanslag terecht heeft vastgesteld op nihil zonder vaststelling van een verlies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012/1160 met annotatie van Efstratiades
FutD 2012-1033
V-N Vandaag 2012/934

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Vierde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 11/00323

Uitspraak op het hoger beroep van

X B.V., gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 april 2011, nummer AWB 10/2992, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de vennootschapsbelasting (hierna: de aanslag), met aanslagnummer 0000.00.000.V.36.0112, opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 242.015, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van nihil.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar en de aanslag vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 437 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van

€ 298 aan haar vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 454. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 5 oktober 2011 te

's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, belanghebbende, de heer A (hierna: de heer A ), alsmede de Inspecteur.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is opgericht op 00-00-1994. Alle aandelen in belanghebbende zijn in bezit van B B.V., gevestigd te C. Van 00-00-1994 tot 00-00-1999 was mevrouw E - de voormalige partner van de heer A - de enige bestuurder van belanghebbende, en vanaf 00-00-1999 is mevrouw D - de huidige partner van de heer A - de enige bestuurder van belanghebbende (hierna: D).

2.2. Belanghebbende maakt deel uit van een groep samenwerkende bedrijven waartoe - onder meer - behoort F B.V. (hierna: F B.V.).

2.3. Op 00-00-2002 heeft de Rechtbank te 's-Hertogenbosch het faillissement van belanghebbende uitgesproken.

2.4. De boekhouding van belanghebbende werd ten tijde van het faillissement en in de jaren daarvoor verzorgd door G te Y (hierna: G). In december 2003 heeft bij belanghebbende een onderzoek door de FIOD plaatsgevonden. Het grootste deel van de boekhouding is in beslag genomen. Het andere deel van de boekhouding is aan de curator overhandigd door D. Tussen de aangetroffen boekhouding bevond zich een conceptjaarrekening 1998 en de saldibalans en relevante subadministratie over 1999. De boekhouder heeft voor de curator de saldibalans 2000 en 2001 uitgedraaid. De administratie van belanghebbende over de jaren 2000 tot en met 2003 vertoont een groot aantal tekortkomingen.

2.4.1. In de saldibalans over het jaar 2000 wordt een verlies vermeld van € 25.288. Over het jaar 2000 is een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd van € 20.387.

Uit het FIOD onderzoek is gebleken dat een deel van de uitgeschreven facturen niet is geboekt, waardoor de belastbare winst over 2000 tot een te laag bedrag is vastgesteld. In verband hiermee is aan belanghebbende een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 2000 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 230.233. Nadat belanghebbende hiertegen beroep heeft ingesteld, heeft de Rechtbank Breda bij uitspraak van

10 september 2008, nr. AWB 07/216, het belastbaar bedrag vastgesteld op € 212.378.

2.4.2. In saldibalans over het jaar 2001 wordt een verlies vermeld van € 289.925. Omdat belanghebbende over het jaar 2001 geen aangifte vennootschapsbelasting heeft gedaan, heeft de Inspecteur over dat jaar ambtshalve een aanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 57.593. Dit bedrag is ontleend aan de oorspronkelijke, direct na het faillissement van belanghebbende uitgedraaide balans en verlies- en winstrekening, en de grootboekkaart debiteuren. Op 20 december 2004 heeft G verbeterde jaarstukken over 2001 ingediend, waarin een verlies wordt vermeld van € 68.147. In deze jaarstukken wordt een omzet vermeld van € 121.472 zonder rekening te houden met onderhanden werk. Nadat belanghebbende in beroep is gekomen tegen de uitspraak op bezwaar, heeft de Rechtbank Breda bij uitspraak van 10 september 2008, nr. AWB 07/766, de aanslag 2001 verminderd tot nihil.

In een verbeterde, eerst in 2004 opgemaakte balans en verlies- en winstrekening over 2001 wordt, zonder nadere toelichting, melding gemaakt van een post onderhanden werk ten bedrage van € 200.000.

2.4.3. Over het jaar 2002 heeft belanghebbende geen administratie gevoerd. Belanghebbende heeft over dat jaar evenmin een balans en verlies- en winstrekening opgemaakt. Omdat belanghebbende over het jaar 2002 geen aangifte vennootschapsbelasting heeft gedaan, heeft de Inspecteur over dat jaar ambtshalve een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 5.672. Na daartoe gemaakt bezwaar is deze aanslag gehandhaafd.

2.4.4. In een door de curator van belanghebbende aan de Inspecteur verzonden brief van 6 januari 2003 is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

"Bijgaand zend ik u een kopie van de dagvaarding waaruit blijkt dat ik als curator wegens de gebrekkige boekhouding een procedure bestuursaansprakelijkheid heb opgestart jegens de heer A en D. Kortheidshalve verwijs ik u naar de inhoud van deze dagvaarding. In de dagvaarding staat onder meer beschreven dat de gevoerde boekhouding ondeugdelijk is en dat er alle aanleiding is om te veronderstellen dat een groot deel van de omzet noch in 2000 noch in 2001 in de administratie van X is verwerkt.

(...)

Ik kan u geen gedeponeerde jaarrekening over 2000 en 2001 overhandigen omdat deze jaarrekeningen niet op de voorgeschreven wijze zijn opgemaakt en gedeponeerd. Zie daarvoor de inhoud van de dagvaarding."

2.4.5. Over het jaar 2003 is geen enkele administratie gevoerd.

2.5. Belanghebbende heeft per brief van 4 november 2008 aan de Inspecteur verzocht om voor het jaar 2003 een aangiftebiljet vennootschapsbelasting uit te reiken.

2.6. Op 6 februari 2009 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een aangiftebiljet vennootschapsbelasting 2003 (hierna: de aangifte) uitgereikt.

2.7. De op 5 maart 2009 door belanghebbende ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2003 vermeldt een beginvermogen van € 65.736 en een eindvermogen van € 57.697 negatief. De aangegeven belastbare winst over 2003 bedraagt

€ 123.433 negatief. Op 13 november 2009 dient de gemachtigde van belanghebbende een nieuwe balans in, waarin een beginvermogen van € 152.830 negatief en een eindvermogen van

€ 518.278 negatief wordt vermeld. De belastbare winst over 2003 bedraagt als gevolg hiervan € 365.448 negatief. Deze belastbare winst bestaat uit de optelsom van de post "Oninbare debiteuren" ten bedrage van € 165.448 negatief en de post "Mutatie onderhanden werk" ten bedrage van € 200.000 negatief.

Zowel in de oorspronkelijke aangifte als in de verbeterde wordt melding gemaakt van een debiteurensaldo van € 175.740, inclusief de omzetbelasting van € 10.292. Dit betreft allemaal facturen aan F B.V.

2.8. In door belanghebbende aan de Inspecteur verzonden brieven van 8 januari 2009 en 13 juli 2009 wordt vermeld dat de post "Oninbare debiteuren" betrekking heeft op niet-betaalde facturen voor werkzaamheden die belanghebbende in het jaar 2000 voor F B.V. heeft verricht, en dat de post "Mutatie onderhanden werk" betrekking heeft op diverse werkzaamheden die belanghebbende in het jaar 2001 voor F B.V. heeft verricht die nog niet gefactureerd waren.

2.9. Blijkens het verslag van de faillissementscurator van

2 maart 2002 heeft D in aanwezigheid van de administrateur van de onderneming aan de curator medegedeeld dat alle door belanghebbende verleende diensten waren gefactureerd, met uitzondering van de diensten over de laatste drie à vier weken voorafgaand van het faillissement. Voorts is aan de faillissementscurator medegedeeld dat geen sprake was van debiteuren.

2.10. Uit de crediteurenlijst van F B.V. per 31 december 2000 blijkt niet van enige schuld van deze vennootschap aan belanghebbende.

2.11. Met dagtekening 16 januari 2010 heeft de Inspecteur, in afwijking van de aangifte, de aanslag vennootschapsbelasting 2003 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 242.015, gespecificeerd als volgt:

Aangegeven belastbare winst -/-€ 123.433

Bij correcties:

- afboeking vorderingen € 165.488

- afwaardering onderhanden werk € 200.000

Vast te stellen belastbare winst € 242.015

2.12. Op 24 februari 2010 heeft belanghebbende bezwaar ingediend tegen deze aanslag en daarbij zijn onder 2.7 vermelde berekening van een belastbare winst van € 365.448 negatief herhaald.

2.13. Op 18 juni 2010 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en de aanslag verminderd tot een bedrag van nihil.

2.14. Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de uitspraak van de Inspecteur. De Rechtbank heeft bij uitspraak geoordeeld dat de aanslag voor 1 januari 2007 had moeten zijn opgelegd, en dat de aanslag derhalve ruim na de aanslag- en navorderingstermijn is opgelegd. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar en de aanslag vernietigd, overwegende dat de aanslag opgelegd was buiten de aanslagtermijn en de verliesbeschikking op die grond niet kon worden vastgesteld. Daarbij heeft de Rechtbank ten overvloede opgemerkt, dat belanghebbende op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat het verlies is geleden.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft, naar het Hof verstaat, het antwoord op de volgende vragen:

I. Is de aanslag tijdig opgelegd?

II. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: dient over het jaar 2003 een verlies te worden vastgesteld en, zo ja, tot welk bedrag?

Belanghebbende is van mening dat beide vragen bevestigend dienen te worden beantwoord, en dat het verlies vastgesteld moet worden op het bedrag van € 365.448.

De Inspecteur is de opvatting toegedaan dat beide vragen ontkennend dienen te worden beantwoord.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

- Het fiscaal belang is aanwezig voor het jaar 2000 en deels voor het jaar 2001. Door de achterwaartse verrekening van het verlies over 2003 wordt de aanslag voor het jaar 2000 lager. Het gevolg hiervan is dan dat de schulden kunnen worden betaald en het faillissement opgeheven kan worden.

De Inspecteur

- Er is geen sprake van opgewekt vertrouwen. De aangifte is onterecht in behandeling genomen. Er is geen verliesbeschikking afgegeven omdat er geen verlies is geleden: het door belanghebbende bepleite verlies is niet aangetoond.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, tot vaststelling van het belastbare bedrag op nihil en tot vaststelling van het verrekenbare verlies op een bedrag van € 365.448.

De Inspecteur concludeert, naar het Hof verstaat, primair tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank, en subsidiair tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar.

4. Gronden

Ten aanzien van de tijdigheid van de aanslag

4.1. Op grond van artikel 11, lid 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een aanslag door verloop van drie jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld ontstaat. In het onderhavige geval had de aanslag opgelegd dienen te worden vóór 1 januari 2007. De aanslag is gedagtekend 16 januari 2010, zodat deze na de aanslagtermijn is opgelegd.

4.2. Naar het oordeel van het Hof kan de omstandigheid dat de aanslag na de aanslagtermijn is opgelegd, evenwel niet aan belanghebbende worden tegengeworpen. De termijn van artikel 11 van de AWR strekt er immers toe belastingplichtigen te garanderen dat zij binnen een redelijke termijn hun belastingafrekening ontvangen. Tevens sluit zij geschillen uit over de vraag tot welk tijdstip een primitieve aanslag kan worden opgelegd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de driejaarstermijn niet van openbare orde is. Wordt een aanslag opgelegd na verloop van de termijn, dan is deze aanslag daarmee niet van rechtswege nietig. De belastingplichtige moet expliciet een beroep doen op het vervallen van de bevoegdheid een aanslag op te leggen. Nu belanghebbende een dergelijk beroep niet heeft gedaan, is de aanslag tijdig opgelegd.

4.3. De eerste in geschil zijnde vraag moet derhalve bevestigend worden beantwoord.

Ten aanzien van de verliesbeschikking

4.4. Ingevolge artikel 20b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb), stelt de Inspecteur het bedrag van een verlies van een jaar vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij niet verplicht was een verliesbeschikking af te geven, nu de aanslagtermijn overschreden is. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, kan deze stelling niet worden gevolgd. Tevens overweegt het Hof, wellicht ten overvloede, dat volgens de Hoge Raad uit de tekst van de hier aangehaalde bepaling van de Wet Vpb niet volgt, dat een verliesbeschikking uitsluitend mag worden vastgesteld indien tevens een aanslag wordt vastgesteld (vgl. Hoge Raad 22 november 2002, nr. 37 061, BNB 2003/62).

4.5. Hetgeen onder 4.4 is overwogen, kan belanghebbende evenwel niet baten. Het Hof overweegt als volgt.

4.6. De Inspecteur betoogt dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de administratieplicht van artikel 52 van de AWR.

Gelet op hetgeen onder feiten is vermeld, en gelet op het betoog van de Inspecteur in zijn verweerschrift voor de Rechtbank en het Hof, heeft de Inspecteur in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in het in geschil zijnde jaar niet heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 52 van de AWR. Door deze schending van artikel 52 van de AWR treedt het bepaalde in artikel 27e jo artikel 27j van de AWR (omkering van de bewijslast) in werking. Dit betekent dat het hoger beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Het is aan belanghebbende om overtuigend de onjuistheid van de correcties aan te tonen.

4.7. Belanghebbende stelt dat het verlies van € 365.448 het gevolg is van het faillissement van F B.V. en de door belanghebbende bij F B.V. nog te vorderen bedragen, en het tegoed van onderhanden werk. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de vorderingen afgeboekt respectievelijk het onderhanden werk afgewaardeerd dienen te worden.

4.8. Hierbij overweegt het Hof dat belanghebbende noch haar stelling dat door haar in 2000 aan F B.V. facturen zijn uitgeschreven ten bedrage van in totaal € 165.448 die niet door F B.V zijn betaald, noch dat sprake was van in 2001 voor F B.V. verrichte onderhanden werkzaamheden ten bedrage van € 200.000, dat dient te worden afgewaardeerd, heeft onderbouwd.

4.9. Gelet op het hiervoor overwogene heeft belanghebbende voor het onderhavige jaar niet aannemelijk gemaakt dat zij een verlies van € 365.448 heeft geleden. De Inspecteur heeft derhalve de aanslag terecht vastgesteld op nihil zonder vaststelling van een verlies.

4.10. De tweede in geschil zijnde vraag moet derhalve ontkennend worden beantwoord.

4.11. Belanghebbende heeft in haar door het Hof op 17 mei 2011 ontvangen hoger beroepschrift gesteld, dat zij voor de zitting bij het Hof getuigen zal oproepen, doch heeft dit niet gedaan. Op de uitnodiging voor de zitting heeft het Hof belanghebbende er op gewezen, dat zij getuigen kon meenemen naar de zitting, dan wel getuigen kon oproepen om op de zitting te verschijnen. Nu belanghebbende echter geen getuigen heeft meegenomen naar de zitting, noch getuigen heeft opgeroepen om op de zitting te verschijnen, stelt het Hof vast dat belanghebbende, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, van deze mogelijkheden geen gebruik heeft gemaakt.

Slotsom

4.12. Nu de eerste in geschil zijnde vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend worden beantwoord, luidt de slotsom dat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, en dat de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten, moet worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.13. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 454 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.14. Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.15. Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 437 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is in totaal op € 874.

4.16. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Inspecteur;

- handhaaft de aanslag;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 454 vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 874; en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 2 maart 2012 door M. van Dun, voorzitter, J. Swinkels en A.C. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van M.M.R. Richardson, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.