Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1050

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
20-003839-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:CA1234, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2013:CA1234
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht bewezen dat verdachte schuldig is aan poging tot moord op zijn echtgenote. Beroep op noodweerexces wordt verworpen. Het hof rekent de verdachte zeer zwaar aan dat het slachtoffer ternauwernood aan de dood is ontkomen en dat zij nog steeds de gevolgen ondervindt van de vele steekverwondingen die de verdachte haar heeft toegebracht. Het hof veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2012-03-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer : 20-003839-11

Uitspraak : 27 maart 2012

TEGENSPRAAK | PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 september 2011 in de strafzaak met parketnummer 01/825165-11 tegen de verdachte,

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in [1980],

thans verblijvende in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC),

in de Penitentiaire Inrichting te Vught,

waarbij hij wegens “poging tot moord” werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren met aftrek van voorarrest, de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] volledig werd toegewezen, aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel werd opgelegd en de in beslag genomen voorwerpen verbeurd werden verklaard dan wel aan de verdachte werden teruggegeven.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. H.E.G. Peters en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. L.S.Th.H. Ruijters naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde straf, en - in zoverre opnieuw rechtdoende - de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot moord zal worden vrijgesproken. Met betrekking tot de subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag heeft hij bepleit dat de verdachte op grond van noodweerexces zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor het overige heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd en ten aanzien van het beslag zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij heeft de raadsman verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair - bij wijze van voorschot - een bedrag van EUR 5.000,00 toe te kennen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het vonnis waarvan beroep verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 maart 2011 te [plaatsnaam] ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde], zijnde zijn, verdachtes, echtgenote, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het hoofd en/of het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 10 maart 2011 te [plaatsnaam] ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde], zijnde zijn, verdachtes, echtgenote, van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [benadeelde] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het hoofd en/of het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijs: de vastgestelde feiten en omstandigheden

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de voetnoten bij dit arrest wordt verwezen, stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast.

I. Melding van een mishandeling met een steekvoorwerp

Op donderdag 10 maart 2011, omstreeks 10:25 uur, kregen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de melding dat er een mishandeling plaatsvond aan de [adres] te [woonplaats], waarbij mogelijk gebruik zou worden gemaakt van een steekvoorwerp. Ter plaatse gekomen, zagen zij dat er bij de achterdeur van de aldaar gelegen woning erg veel bloed lag. In de deuropening van de achterdeur zagen zij een vrouw in een plas bloed liggen. Zij zat geheel onder het bloed. [verbalisant 2] merkte dat de vrouw niet meer aanspreekbaar was en zag dat zij op meerdere plaatsen hevig bloedde.

Van wat diverse omstanders schreeuwden en riepen begreep de verbalisant onder meer dat de vrouw door haar man was neergestoken en dat ook de moeder van de vrouw gewond was. De moeder van de vrouw had diepe snijwonden in de vingers van haar hand. De vrouw werd intussen gereanimeerd en is met de ambulance vervoerd naar een plek waar de traumahelikopter kon landen; vanaf daar is zij per helikopter naar het ziekenhuis vervoerd.

II. Aanhouding van de verdachte en aantreffen mes

[verbalisant 1] werd aangesproken door een onbekend gebleven man. Deze vertelde hem welke route de man die de vrouw had neergestoken, had gelopen. De verbalisant is deze route gelopen totdat hij de melding kreeg dat een Turkse man met bebloed gezicht was gezien op de hoek van de [straatnaam] met de [straatnaam]. Op de [straatnaam] kwam de verbalisant zijn collega-verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] tegen en is in hun dienstvoertuig gestapt om de zoektocht voort te zetten. Op enig moment zijn zij naar de aan de [straatnaam] gelegen coffeeshop [naam] gegaan. De beheerder van die coffeeshop had namelijk aan de officier van dienst doorgegeven dat er een Turkse man in zijn coffeeshop zat die onder het bloed zat en had aangegeven dat hij zojuist door een neger was mishandeld. De Turkse man, die later de verdachte bleek te zijn, werd aangehouden ter zake van poging tot moord c.q. doodslag. Tijdens het overbrengen naar het politiebureau verklaarde de verdachte desgevraagd dat hij het door hem gebruikte mes had weggegooid bij een bankje in het parkje aan de [straatnaam]. [verbalisant 5] is naar het park gegaan en vond een mes bij de bosschages. Het mes stak met het heft in de grond en wees met het lemmet in de lucht. Over de gehele lengte van het lemmet zaten rode vlekken. Het was een keukenmes met een zwart kunststof greep en met een totale lengte van 32 centimeter; het lemmet was 18 centimeter lang en aan beide zijden bebloed.

III. Vastgestelde letsels bij [benadeelde]

De traumachirurg dr. A.H. van der Veen liet - in een reactie op de vraag om de door hem eerder opgemaakte geneeskundige verklaring d.d. 21 maart 2011 nader te omschrijven - weten dat de vrouw, die luistert naar de naam [benadeelde] en is geboren in [1980], in zeer slechte conditie op de Spoedeisende Hulp van het Catharina-Ziekenhuis werd binnengebracht en dat daar haar leven door reanimatie werd gered. Zij werd vervolgens doorgestuurd naar de operatiekamer, waar een scheurwond in het hart werd gehecht, alsmede een middenrifscheur werd behandeld waarbij in de buik verwondingen bleken te bestaan van de rechternier, de lever en de dikke darm. Er was sprake van steekwonden links in de hals, in de borstkas links naast het hart en in de buik; een doorsnijding van de slagader van de rechterpols met ter plaatse peesletsel; oppervlakkige snijwondjes van het aangezicht en een bloeduitstorting van de linkeroogkas. Er volgden meerdere spoedoperaties. [benadeelde] verkeerde een aantal dagen in een zeer kritische levensbedreigende conditie.

IV. Sporenonderzoek

De woning aan [adres] is een hoekpand. De benedenverdieping bestond uit een keuken aan de achterzijde van de woning, die te bereiken is via een buitendeur op de achterplaats. De keuken kwam na een tussendeur uit in een hal met de trap naar de bovenverdieping. Links in de trappenhal bevond zich een voorraadkast onder de trap. Rechts was de tussendeur naar de woonkamer. In de woonkamer bevond zich aan de voorzijde een zitkamer met televisie en aan de achterzijde een eettafel. Rechts in de zitkamer bevond zich de doorgang naar de voordeurhal. Links in de hal bevond zich de voordeur.

Sporenonderzoek van de Forensisch Technische Ondersteuning van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost wees het volgende uit.

• Op de verharde achterplaats bevonden zich ter hoogte van de keuken/buitendeur sporen van bloed en achtergebleven restmateriaal van de ambulancedienst. Op de dorpel van de achterdeur, in de woning, werden bloedvegen aangetroffen. In de gehele keuken werden op de vloer en wanden en tegen aanwezig keuken materiaal bloedsporen in de vorm van vegen en spatten waargenomen.

• Ter hoogte van de keuken/buitendeur werden aan de binnenzijde van de keuken/buitendeur, op de vloer voor de deur, rechts tegen de muur en radiator en ook links tegen de betegelde wand, bloedspatten en -vegen waargenomen. Aan de binnenzijde van de keuken/buitendeur werd bloed aangetroffen tot op een hoogte van 125 centimeter. Links van de radiator werd bloed aangetroffen tot op een hoogte van circa 140 centimeter. Op de radiator werd bloed aangetroffen tot op een hoogte van circa 61 centimeter.

• Ter hoogte van het keukenblok werden boven op het aanrechtblad, in de gootsteen, tegen de achterwand van het keukenblok en op enkele gebruiksvoorwerpen op het aanrecht waterig bloed waargenomen. Op het vloerkleed in de keuken werd ter hoogte van het keukenblad een bloedspat aangetroffen. Gelet op de vorm van de bloedspat kan worden gesteld dat deze bloeddruppel enigszins rechtstandig vallend op het vloerkleed terecht gekomen was.

• Aan de andere zijde tegenover het keukenblok stond een tafel. Op die tafel werd op het tafelkleed een groot aantal kleine bloeddruppels waargenomen. Aan de zijkant van het tafelkleed werden eveneens een groot aantal kleine bloeddruppels waargenomen.

• Ter hoogte van het fornuis werden op de tegelwand enkele bloeddruppels waargenomen. Ook op het bovenblad van het fornuis werden enkele bloeddruppels waargenomen. Voorts werden op de links van het fornuis staande koel-vriescombinatie enkele bloeddruppels aangetroffen. Het onderste gedeelte van de koel-vriescombinatie was het diepvriesgedeelte; het bovenste was het koelgedeelte. Op de deur van het koelgedeelte werd een bloedveeg aangetroffen. Op de deur van het vriesgedeelte werden op een grote oppervlakte en tot een hoogte van 138 centimeter bloedvegen aangetroffen. Voor de koel-vriescombinatie werd bloed op het vloerkleed aangetroffen.

• Op de vloer, ongeveer in het midden en links van de koel-vriescombinatie, werd in een soort vrije ruimte (waar niets was geplaatst) gedeeltelijk geronnen bloed aangetroffen, dat gedeeltelijk ook was weggeveegd. Aan drie zijden van deze vrije ruimte waren bloedspatten aanwezig. Rechts van het geronnen bloed op de vloer en rechts daarvan tegen de buitenzijde van de koel-vriescombinatie werden op een hoogte van circa 6 centimeter vanaf de vloer bloedspatten aangetroffen. Deze bloedspatten hadden een nagenoeg ronde vorm en gesteld kan worden dat deze concentratie aan bloedspatten veroorzaakt zijn doordat met kracht bloed van een plaats kort op de vloer en ongeveer in het midden van de ruimte naar de zijkant werd gespat. Hoger tegen de zijkant van de koel-vriescombinatie werden eveneens bloedspatten aangetroffen, die gedeeltelijk waren weggeveegd. Aan de vorm en patroon van deze bloedspatten was te zien dat deze schuin van boven naar beneden gericht waren en veroorzaakt werden door meerdere bewegingen uit nagenoeg dezelfde richting. Tegen de muur achter de vrije ruimte werden eveneens bloedspatten aangetroffen tot een hoogte van ongeveer 45 centimeter. Deze bloedspatten hadden een nagenoeg ronde vorm en waren aanwezig over de gehele breedte van die muur. Links op de muur in de vrije ruimte werden eveneens bloedspatten aangetroffen. Uit de vorm van de bloedspatten en het richtingspatroon werd gezien dat de bloedspatten op de muur waren terechtgekomen door meerdere schuin van boven naar beneden gerichte bewegingen. Het bloed was daar aanwezig tot op een hoogte van 63 centimeter.

• Op de scharnierzijde van de tussendeur keuken/trappenhal werd bloed tot op een hoogte van circa 110 centimeter aangetroffen. Op het kozijn aan de slotkant van dezelfde tussendeur werden tot op een hoogte van 106 centimeter meerdere bloedvegen waargenomen.

• In de trappenhal werden links tegen de lange muur en tot op een hoogte van circa 70 centimeter enkele bloedspatten aangetroffen. Op enkele planken van de in de trappenhal aanwezige opbergkast werden eveneens bloedspatten aangetroffen. Op de vloer in het midden van de trappenhal werd een bloedvlek aangetroffen. Ook werden bloedsporen aangetroffen op een hoofddoek, die op de eerste trede van de trap lag. Op het kozijn van de tussendeur/woonkamer werden aan de zijde van het slot en tot op een hoogte van maximaal 120 centimeter bloedvegen aangetroffen. Op datzelfde kozijn werd op een hoogte van circa 40 centimeter een pluk haren aangetroffen. Op de deur aan de zijde van de trappenhal werden bloedvegen aangetroffen tot op een hoogte van 172 centimeter.

• In de woonkamer werd op een dressoir, dat gezien vanuit de trappenhal direct links stond, een zwarte portemonnee aangetroffen die was besmeurd met bloed. Op de vloer voor het dressoir werden bloeddruppels en -vegen waargenomen. Op de vloer van het zitgedeelte aan de voorzijde in de woonkamer werden ook bloedsporen aangetroffen.

• Op de vloer voor de tussendeur van de woonkamer/hal werd inmiddels gestold bloed aangetroffen. Op korte afstand daarvan en in de richting van de hal werden meerdere bloeddruppels aangetroffen. Voor de tussendeur naar de hal werden enkele bloeddruppels aangetroffen die reeds waren opgedroogd. Aan de zijde van de hal werden op de klink van de tussendeur woonkamer/hal bloedsporen aangetroffen. Ook op de klink aan de zijde van de woonkamer werd bloed aangetroffen. Onder de klink aan de zijde woonkamer werd op een maximale hoogte van 90 centimeter een bloedspoor aangetroffen.

Op het kozijn aan de slotzijde van de tussendeur woonkamer/hal werd bloed aangetroffen. Op diezelfde tussendeur werden aan de zijde van de hal tot op een hoogte van maximaal 54 centimeter enkele bloeddruppels aangetroffen. Op de vloer van de hal werd direct over de dorpel van de tussendeur een bloeddruppel aangetroffen. Op het vloerkleed in de hal voor de buitendeur werd een bloeddruppel aangetroffen. Aan de binnenzijde van de voordeur werd op de rand van de deur op een hoogte van circa 50 centimeter sporen van bloed aangetroffen. Op het ontsluitingshaakje van het slot werd aan de binnenzijde op de voordeur bloed aangetroffen. Ter hoogte van de kierstandhouder werd aan de binnenzijde van de voordeur eveneens bloed aangetroffen.

V. De getuigenverklaringen van de moeder en zussen van [benadeelde]

• [getuige 1], de moeder van [benadeelde], verklaarde ten overstaan van de politie dat zij op

10 maart 2011, omstreeks 09:30 uur, naar de woning van [benadeelde] en [verdachte], is gegaan om een pan te lenen. De woning betreft een hoekwoning aan [adres] te [woonplaats], die tegen de eigen woning van [getuige 1] aan [adres] is aangebouwd. Aan de zijde van de gevel van het pand [adres] waren de laatste betonnen delen van de schutting verwijderd. Hierdoor was er een vrije doorgang van de achterplaats van [adres] naar de achterplaats van [adres] te [woonplaats].

• Over hetgeen zich voorafgaande aan de gebeurtenissen heeft afgespeeld in de woning van [benadeelde] en verdachte, verklaarde de moeder als volgt.

“Ik vroeg aan [benadeelde] waar de frietpan was. […] Ik kon haar antwoord niet goed horen, omdat ze aan het huilen was. Ik hoorde [benadeelde] ‘daar’ zeggen. […] [benadeelde] stond op dat moment midden op de trap. […] Ik hoorde […] aan haar stem [dat zij huilde]. Ik vroeg aan [benadeelde] wat er aan de hand was. Hier gaf [benadeelde] geen antwoord op en ik zag dat [benadeelde] naar boven liep. Ik was vervolgens terug de keuken ingelopen om de pan te zoeken. Ik hoorde [verdachte] zonder dat ik iets aan hem vroeg zeggen: ‘Die dochter van jou zal zien wat ik tegen haar zal doen’, of woorden van gelijke strekking. […] Ik zag dat [verdachte] aan het trillen was. […] Ik hoorde [verdachte] […] zeggen met luide stem zodat [benadeelde] het ook kon horen: ‘Ik zal je iets aan doen zodat je niet meer de kinderen kunt zien’, of woorden van gelijke strekking. Hierna zag ik dat [verdachte] de keuken verliet en via de woonkamer naar buiten liep. Hij is toen via de voordeur naar buiten gelopen. Ik hoorde dat hij de deur dicht deed.”

• [getuige 2], zus van [benadeelde], die naast haar moeder aan [adres] woonde, verklaarde op 10 maart 2011 tussen 10:00 en 10:15 uur uit bed te zijn gekomen en daarna direct naar de woning van haar moeder te zijn gegaan om het ontbijt klaar te maken. Zij verklaarde toen het volgende.

“Ik […] hoorde mijn zus [benadeelde] schreeuwen. […] Ik kon niet exact horen wat [benadeelde] riep. […] Ik ben wat verder richting het toilet gelopen, omdat ik daar wat dichterbij sta. Vanaf deze plek hoorde ik dat mijn zus in de Turkse taal ‘moeder’ riep. Mijn zus bleef maar schreeuwen.

Ik ben meteen via de achterdeur naar buiten gelopen en via de tuin, de tuin van de woning van mijn zus ingelopen. Vervolgens ben ik via de achterdeur de woning van mijn zus binnen gelopen. In de woning zag ik mijn zus [benadeelde] ter hoogte van de trap in de hal staan. Ik keek naar mijn zus en zag dat ze haar hoofd vast hield. Ik zag dat ze bloed aan haar hoofd had. Ik zag dat er bloed in haar haren zat. Verder zag ik dat mijn zus een blauw [oog] had. […] Op dat moment zag ik ook meteen [verdachte]. Ik zag [verdachte] eigenlijk tegelijk met mijn zus in de hal staan. [verdachte] is de man van mijn zus [benadeelde]. Ik zag dat [verdachte] mijn zus vast hield en dat hij in zijn andere hand een mes vast had. Hij hield mijn zus met zijn linker hand vast en hij had het mes in zijn rechter hand. Ik zag dat het mes een lengte had van ongeveer 30 centimeter, inclusief handvat.[…] Ik zag aan [verdachte] dat hij boos keek. […] Ik liep in de richting van [verdachte] en mijn zus. Op dat moment zag ik dat [verdachte] mijn zus los liet en vervolgens in mijn richting kwam lopen. Ik zag dat hij het mes daarbij voor zich hield met de punt van het mes in mijn richting. Ik zag dat hij snel in mijn richting kwam. Ik was op dat moment [gechoqueerd] en draaide me om en liep naar buiten. Ik wist op dat moment niet wat ik moest doen en rende direct naar de woning van mijn moeder toe. Daar heb ik mijn moeder geroepen. Mijn moeder kwam meteen en rende naar de woning van mijn zus [benadeelde]. Ik riep tegen mijn moeder dat ‘hij’ een mes had en mijn zus wilde steken.”

• De moeder verklaarde dat zij [getuige 2] op een gegeven moment hard hoorde schreeuwen: “Mam, [verdachte] is mijn zus aan het snijden”, of woorden van gelijke strekking. Ook [getuige 3], een jongere zus van [benadeelde] en [getuige 2] die samen met haar moeder woonde, verklaarde dat te hebben gehoord. Zij verklaarde dat haar zus [getuige 2] in de Turkse taal schreeuwde: “Moeder, moeder! Hij is met een mes aan het aanvallen!”

• De moeder heeft zich vervolgens gehaast naar het huis van [benadeelde]; bij vertrek zei ze tegen [getuige 2] dat zij de politie moest bellen. [getuige 3] verklaarde dat zij haar moeder achterna is gerend. De moeder verklaarde bij binnenkomst in de woning van [benadeelde] het volgende te hebben waargenomen.

“Ik zag dat [benadeelde] in de deuropening stond van de keuken naar de woonkamer (gelet op de hiervoor gegeven beschrijving van de woning, begrijpt het hof: naar de trappenhal). Ik zag dat [benadeelde] langs de koelkast in de keuken stond. Ik zag dat haar oog flink was gezwollen. Ik zag ook dat [benadeelde] bloed in haar mond en op haar hand had. Ik zag dat [verdachte] op dat moment aan het steken was. […] Ik zag dat [verdachte] tegenover [benadeelde] stond met de rug naar mij toe.

Ik keek op dat moment in het gezicht van [benadeelde] en op de rug van [verdachte]. […] Ik zag dat [verdachte] stekende bewegingen aan het maken was met een mes in zijn rechterhand. Ik zag dat [verdachte][benadeelde] vast had bij haar haren. […] Ik zag dat [verdachte] een mes vast had. […]

U vraagt mij of [benadeelde] al verwondingen had toen ik binnen kwam. [benadeelde] was op dat moment al gestoken in haar nek. Ik zag bloed in haar nek. Ik zag […] [ook] bloed bij haar pols. […] Ik zag dat [benadeelde] op dat moment hevig bloedde en ik zag dat er bloed drupte vanaf haar pols.”

• Op het moment dat [getuige 3] bij de woning van [benadeelde] aankwam, zag zij het volgende.

“Toen ik [bij] de tuin van mijn zus [benadeelde] kwam, liep ik naar de achterdeur en liep eigenlijk direct de woning in via de achterdeur. Mijn moeder zag ik al in de keuken. Ik zag [dat] mijn zus bij het aanrecht stond bij de wasbak. […] Ik zag […] dat ze een blauw oog had. Ook zag ik dat er bloed zat in haar nek. [benadeelde] had op dat moment geen hoofddoek om en had haar haar opgestoken. Ik kon zien dat het knotje boven haar nek niet goed zat. Het knotje leek een beetje losgetrokken.”

• De moeder verklaarde over de daaropvolgende momenten in de keuken als volgt.

“Ik ben [toen] naar [verdachte] toegelopen en pakte [verdachte] met mijn rechterhand bij zijn rechterpols vast. Vervolgens pakte ik met mijn linkerhand het mes vat. [verdachte] probeerde op dat moment het mes los te rukken en op dat moment sneed [verdachte] mij in mijn linkerhand. Ik had het mes bij de scherpe kant vast gepakt. Ik dacht op dat moment niet na dat ik mezelf hierbij kon snijden. Ik wilde [benadeelde] helpen. […] Ik hoorde [benadeelde] ‘mama’ roepen. Op dat moment trekt [verdachte] het mes los en [word] ik in mijn linkerhand gesneden. Op dat moment dat [verdachte] het mes los had getrokken, zag ik dat [verdachte] een stekende beweging maakte richting [benadeelde]. […] Ik weet niet […] [waar [benadeelde] werd geraakt], omdat ik achter [verdachte] stond. […] Ik hoorde [benadeelde] op dat moment schreeuwen. Ik had gezien dat [verdachte] twee keer had gestoken. Dit was in het onderlichaam bij de buik.

Vervolgens had ik [verdachte] bij zijn benen gepakt. Ik zag dat [verdachte] op dat moment op de grond viel. Ik zag dat [benadeelde] op dat moment ook op de grond viel. […] [benadeelde] was op de grond gevallen naast de koelkast en [verdachte] was naast haar op de grond gevallen. […] Ik ben toen tekeer gegaan tegen [verdachte]. Ik vroeg aan [verdachte] wat hij aan het doen was. Ik had [verdachte] vervolgens met mijn vuist en mijn slipper geslagen. […] Ik had [verdachte] toen bij zijn haren vastgepakt. […] Ik zag dat [verdachte] het mes nog steeds in zijn hand had.

Ik wilde [verdachte] weghalen bij [benadeelde] zodat hij haar niet nog een keer kon steken. Ik hoorde hem roepen tegen [benadeelde] ik steek je dood.”

• [getuige 3] zag op het moment dat haar moeder de verdachte in de keuken sloeg dat haar zus [getuige 4] de keuken inliep, zo blijkt uit de hierna weergegeven verklaring.

“Kort hierna zag ik dat mijn zus [getuige 4] ook aan de achterzijde van de woning de keuken inliep. Ik zag dat [getuige 4] naar mijn moeder en [verdachte] liep. Mijn moeder sloeg op dat moment [verdachte].”

• Over hetgeen [getuige 4] toen heeft gezien en gehoord, verklaarde zij als volgt.

“Ik rende direct in de richting van het geschreeuw, naar mijn zus op [adres]. Ik liep via de achterkant. Toen ik daar aankwam en ik in haar keukendeuropening stond, zag ik mijn zus in de keuken voor de kraan staan. Ze stond met haar rug naar mij toe. […] Ik zag mijn moeder en mijn zwager [verdachte]. Beiden lagen op de grond midden in de keuken naast de tafel. Ik zag dat mijn moeder [verdachte] vast had. […] Mijn moeder zei toen: “Ik heb hem vast, ga maar naar buiten.” Dat heb ik niet gedaan. […] Op een gegeven moment lukte het mijn moeder mij naar buiten te krijgen. […] Mijn moeder sloot de deur en ik stond buiten. […] Ik rende naar mijn moeders huis.”

• Toen [getuige 2] de woning opnieuw wilde binnengaan, zag zij dat haar moeder de deur dichttrok en op slot draaide.

“Op het moment dat ik weer bij de achterdeur van de woning van mijn zus kwam en deze open wilde maken, zag ik dat mijn moeder de deur dichttrok en deze op slot draaide. Op dat moment heb ik de ambulance en de politie gebeld. Ik keek door het raam de woning in, maar ik zag in eerste instantie [verdachte] en mijn zus niet in de woning.”

• [getuige 3], die nog in de woning aanwezig was, verklaarde als volgt over het daaropvolgende gebeuren.

“Op een zeker moment was [benadeelde] in de hal van de woning. Daar ben ik ook naar toe gelopen. […] Ik wilde haar helpen en ben naar haar toegelopen. Ik zag dat ze met haar hand bewoog richting de deur naar de woonkamer. Ik weet niet of ze hiermee iets wilde aanwijzen, maar toen ik haar hand volgde zag ik bloed aan de deurpost. Ik zag dat het niet veel bloed was, meer een veeg. Ik ben toen de woonkamer ingelopen. Ik was op dat moment alleen in de woonkamer. In de woonkamer staat een kast met een spiegel erop. Op de kast zag ik druppels bloed. Ik ben op enig moment, binnen een minuut voor mijn gevoel, de hal weer ingelopen. […] Ik zag, toen ik vanuit de woonkamer de hal inliep, mijn zus [benadeelde] op de grond vallen. Ze viel nabij de deur met de hal op de grond. Ze viel op haar rug. Ik zag dat [verdachte] een mes in zijn rechterhand had en ik zag dat hij probeerde op [benadeelde] in te steken. […] Ik zag dat mijn moeder [verdachte] tegenhield.”

• De moeder legde over die momenten de volgende verklaring af.

“Ik […] zag […] dat [verdachte] opstond en ik zag dat hij [benadeelde] diverse malen stak. [benadeelde] lag […] op de grond. […] Ik [ben] ook op de grond terecht […] gekomen. Ik lag met mijn rug op de grond en ik keek [verdachte] recht in de ogen aan. Ik zag dat [verdachte] over mij heen gebogen stond. Op dat moment heb ik tegen [verdachte] geroepen:‘[verdachte], wat ben je aan het doen. Waar ben je mee bezig.’ Ik zag dat hij het mes nog in zijn hand had. […] Ik […] zag […] dat [verdachte] probeerde om [benadeelde] […] meerdere keren te steken. Ik heb het steken af proberen te weren en ben hierdoor geraakt aan mijn rechter onderarm, waardoor ik een kleine snee heb opgelopen. […] Ik zag dat hij [benadeelde] diverse malen stak.”

• [getuige 2] legde over die momenten de volgende verklaring af.

[…] Ik keek weer door het raam van de keuken en nu zag ik mijn zus (het hof begrijpt: [benadeelde]) op de grond liggen. […] Ik zag dat [verdachte] met het mes welke ik omschreven had mijn zus aan het steken was. Ik zag dat hij haar ter hoogte van haar bovenlichaam stak. […] Ik heb gezien dat [verdachte] mijn zus 2 à 3 keer stak. Ik heb gezien dat mijn moeder geprobeerd heeft het mes van [verdachte] af te pakken.”

• [getuige 3] is op verzoek van haar moeder de deur open gaan doen. Zij verklaarde daarover als volgt.

“Ik pakte direct de rechter bovenarm van [verdachte] vast. […] Ik trok aan zijn arm om hem te doen stoppen met steken. […] Ik hoorde mijn moeder roepen ‘Doe de deur open!’.

Ik ben naar de achterdeur gelopen en merkte dat deze op slot was. […] Ik heb de deur van het slot gedraaid en heb deze geopend. Ik heb omgekeken en zag dat mijn moeder op de vloer lag. Ze lag op haar rug, met haar hoofd richting de achterdeur. Ik zag dat [verdachte] rechtop stond bij de voeten van mijn moeder. Ik zag dat hij een mes in zijn hand had. Ik zag dat hij gebogen stond richting mijn moeder. […] Ik ben op dat moment naar buiten gelopen.”

• [getuige 2] zag dat [getuige 3] de deur openmaakte en ging toen naar binnen om [benadeelde] daar weg te halen, zo volgt uit haar hierna weergegeven verklaring.

“Op een gegeven moment kwam mijn andere zusje, [getuige 3], de achterdeur openmaken.[…] Nadat mijn zusje de deur [open]gemaakt had, ben ik direct naar [benadeelde] gerend. Vanaf het moment dat [getuige 3] de deur voor mij opengemaakt had, heb ik [verdachte] niet meer gezien. […] Toen ik bij [benadeelde] kwam, heb ik haar onder haar armen gepakt en heb [ik] haar naar de achterdeur getrokken. […] Ik wilde [benadeelde] weghalen van het gevaar.”

• [getuige 3] was inmiddels naar haar woning gelopen en vertelde [getuige 4] dat [benadeelde] was gestoken. [getuige 4] ging toen naar de woning van [benadeelde] en [getuige 3] is haar achternagelopen. Dat blijkt uit de volgende verklaring van [getuige 3].

“Ik ben doorgelopen naar de tuin van onze woning, nummer 48. Op dat moment zag ik [getuige 4] in de tuin. Ik vertelde haar dat mijn zus gestoken was. Zij reageerde [gechoqueerd]. […] Ik zag dat [getuige 4] naar de woning van [benadeelde] liep. Ik ben kort hierna achter haar aangelopen.”

• Volgens de hierna weergegeven verklaring van [getuige 4] lag [benadeelde] op dat moment in de deuropening met haar voeten in de richting van de tuin.

“Ik ben weer terug gegaan naar de [adres]. Ik wilde daar per se naar binnen. Toen ik aankwam, was de keukendeur weer open en ik zag mijn zus in de keukendeuropening liggen met haar voeten in de richting van de tuin.”

• [verdachte] was intussen in de richting van de voordeur weggelopen, zo blijkt uit de hierna weergegeven verklaring van de moeder.

“Ik zag dat [verdachte] wegliep richting de voordeur. […] Toen [verdachte] wegvluchtte via de voordeur was ik achter [verdachte] aangelopen. Toen ik terug kwam gelopen de keuken in, zag ik […] mijn dochter [benadeelde] […] bij de achterdeur van de keuken liggen.”

VI. Verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank onder meer het volgende verklaard.

“Ik had op 10 maart 2011 ruzie met mijn vrouw [benadeelde]. […] Ik heb[…] mijn vrouw gestoken.[…] Het klopt dat ik met het mes heb gezwaaid en gestoken.”

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

• Betrouwbaarheid van de gebezigde getuigenverklaringen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat bij de vaststelling van de toedracht zal worden uitgegaan van de lezing van de verdachte. De verklaringen van de moeder en zussen van [benadeelde] zijn niet eenduidig en daarom kan daaraan slechts beperkte bewijskracht worden toegedicht, aldus de raadsman.

Het hof overweegt als volgt.

De moeder en zussen van [benadeelde] hebben naar het oordeel van het hof zowel bij de politie als de rechter-commissaris consistent verklaard. Weliswaar komen hun verklaringen onderling op onderdelen niet overeen, maar het hof is van oordeel dat die verschillen van ondergeschikte aard zijn en kunnen worden verklaard door de hectische, schrikaanjagende situatie. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verklaringen elkaar in de kern over en weer ondersteunen. Voorts worden de verklaringen ondersteund door de inhoud van de medische verklaring met betrekking tot de bij [benadeelde] vastgestelde letsels en door het sporenonderzoek. Immers, uit het sporenonderzoek kan worden opgemaakt dat de verdachte ook buiten de keuken met het mes heeft gestoken. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn het hof geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aan de verklaringen van de moeder en de zussen zou moeten worden getwijfeld. Bij de vaststelling van de toedracht is het hof daarom van die verklaringen uitgegaan.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

• Voorbedachte raad versus opwelling

De raadsman heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte van de primair ten laste gelegde poging tot moord zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit. Het toebrengen van de messteken is het gevolg geweest van een onmiddellijke gemoedsbeweging, nadat de verdachte door verschillende leden van zijn schoonfamilie naar de grond is gewerkt en door de vele opgelopen klappen het bewustzijn heeft verloren. Nadat de verdachte weer bij kennis is gekomen en hij de woning wilde verlaten, heeft hij, toen hem dit werd belemmerd, in blinde paniek toegestoken.

Het hof overweegt als volgt.

Voor bewezenverklaring van moord is onder meer vereist dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte tijd had (en dat kan een betrekkelijk korte tijd zijn) zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de beoordeling van de vraag of in het onderhavige geval aan dit criterium is voldaan, stelt het hof voorop dat het hof als gezegd - anders dan de raadsman bij de onderbouwing van zijn verweer - niet is uitgegaan van de lezing van de verdachte.

In dit verband acht het hof van belang dat uit de vastgestelde feiten en omstandigheden naar voren komt dat [getuige 2] haar zus [benadeelde] hoorde schreeuwen toen zij bij haar moeder op bezoek was. Zij is vervolgens naar de naastgelegen woning van haar zus gegaan en zag daar dat de verdachte haar zus ter hoogte van de trap in de hal met een hand vasthield en in zijn andere hand een mes vast had. Zij zag dat haar zus haar hoofd vasthield en dat ze bloed aan haar hoofd en in haar haren had. Ook zag zij dat haar zus een blauw oog had. Nadat de verdachte haar zus los liet en in haar richting kwam, is [getuige 2] naar de woning van haar moeder teruggegaan en heeft zij daar tegen haar moeder gezegd dat de verdachte haar zus met een mes had aangevallen.

De moeder heeft zich daarop naar de woning van haar dochter [benadeelde] gehaast, gevolgd door haar dochter [getuige 3] en – kort daarna – haar dochter [getuige 4]. Toen de moeder binnenkwam, stond [benadeelde] naast de koelkast in de keuken. De verdachte stond op dat moment tegenover [benadeelde] en met de rug naar de moeder toe. Hij had [benadeelde] bij de haren vast en maakte met een mes stekende bewegingen. De moeder zag dat [benadeelde] op dat moment een gezwollen oog had en ook dat zij bloed in haar mond, in haar nek en op haar pols had en hevig bloedde.

Op het moment dat [getuige 3] binnenkwam, stond [benadeelde] bij het aanrecht. [getuige 3] zag dat haar zus een blauw oog had en dat er bloed zat in haar nek. Zij had haar hoofddoek toen niet om. Later werd een hoofddoek, met daarop bloedsporen, aangetroffen op de eerste trede van de trap in de trappenhal. In de keuken is de moeder naar de verdachte toegelopen en heeft zij het mes van hem proberen af te pakken. Dat probeerde zij door het mes bij het lemmet vast te pakken. De verdachte trok het mes los en daardoor werd de moeder in haar hand gesneden. De verdachte heeft [benadeelde] vervolgens twee keer gestoken in het onderlichaam bij de buik. De moeder heeft de verdachte toen bij zijn benen gepakt, waardoor de verdachte op de grond viel. Ook [benadeelde] viel op de grond. De moeder heeft de verdachte vervolgens bij zijn haren vastgepakt en hem met haar vuist en slipper geslagen. Op het moment dat [getuige 4] de keuken kwam binnenlopen, lagen haar moeder en de verdachte nog op de grond. [benadeelde] zag zij in de keuken staan. [benadeelde] was – zo begrijpt het hof - kennelijk inmiddels opgestaan. De moeder heeft toen [getuige 4] naar buiten gewerkt en de deur, voor de neus van de net ter plaatse gekomen [getuige 2], dichtgedaan en op slot gedraaid. [getuige 2] keek door het raam en zag op dat moment de verdachte noch haar zus [benadeelde] staan. [getuige 3], die wel nog in de woning aanwezig was, zag [benadeelde] op enig moment in de hal van de woning. Zij zag haar daar op de grond vallen. De verdachte probeerde haar vervolgens opnieuw met het mes te steken. [getuige 3] zag dat haar moeder hem tegenhield. Bij het afweren werd de moeder door het mes geraakt op haar onderarm en is op de grond terecht gekomen. De verdachte is, na eerst gebogen richting de moeder te hebben gestaan, via de voordeur gevlucht. Nadat [getuige 3] de deur open had gedaan, heeft [getuige 2][benadeelde] onder haar armen vastgepakt en haar naar de achterdeur getrokken. De verdachte heeft de woning via de voordeur verlaten.

Naar het oordeel van het hof blijkt uit deze feiten en omstandigheden dat de verdachte zijn echtgenote op verschillende tijdstippen op verschillende plekken in de woning met een mes heeft gestoken. Zelfs nadat hij was betrapt door [getuige 2], die vervolgens de woning verliet om alarm te slaan - waar enige tijd mee gemoeid moet zijn geweest -, en zelfs na de pogingen van [getuige 1], de moeder van zijn echtgenote, om de verdachte te doen stoppen met steken, waarbij zij met de verdachte heeft geworsteld, is de verdachte niet tot inkeer gekomen, maar heeft hij steeds weer opnieuw messteken toegebracht. Met de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte voldoende gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Dat zijn echtgenote uiteindelijk niet aan de gevolgen van het door haar opgelopen letsel is overleden, is niet aan de verdachte maar aan snel medisch ingrijpen te danken, zodat het bij een poging moord is gebleven.

Het verweer wordt mitsdien verworpen.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 maart 2011 te [plaatsnaam] ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde], zijnde zijn, verdachtes, echtgenote, van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, voornoemde [benadeelde] meermalen met een mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 289 juncto artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het levert de volgende kwalificatie op:

Poging tot moord.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er sprake was van een situatie van noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Door de raadsman wordt het navolgende betoogd: nadat de verdachte weer bij kennis is gekomen, is hij niet vrij om te gaan, maar is de achterdeur afgesloten en wordt de weg naar de voordeur geblokkeerd. Vervolgens steekt de verdachte in blinde paniek met het mes om te kunnen ontsnappen aan het op hem uitgeoefende geweld. Een hevige gemoedsbeweging derhalve veroorzaakt door de vrees om het leven te laten. Vanuit deze noodweersituatie kan het uiteindelijke steken met het mes worden gekwalificeerd als noodweerexces.

Het hof overweegt als volgt.

Een geslaagd beroep op noodweerexces is alleen mogelijk in een situatie waarin sprake is of is geweest van een wederrechtelijke aanranding. Het verweer van de raadsman is gestoeld op de verklaring van de verdachte dat hij door zijn echtgenote tijdens een ruzie met een bezemsteel is geslagen en daarna - nog voordat hij haar met het mes had gestoken - door zijn schoonfamilie naar de grond is gewerkt en door de vele opgelopen klappen het bewustzijn had verloren. Die verklaring van de verdachte heeft het hof - zoals reeds is overwogen - terzijde gesteld. De aanranding van zijn schoonmoeder, zoals die blijkt uit de vastgestelde feiten en omstandigheden, is bezwaarlijk als wederrechtelijk te beschouwen, nu zij haar dochter probeerde te beschermen. Daar komt bij dat de verdachte zijn aanval vervolgens niet op zijn schoonmoeder, maar op zijn echtgenote richtte. Naar het oordeel van het hof is daarom geen sprake van een noodweersituatie. Het beroep op noodweerexces wordt bijgevolg verworpen.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is hij strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot moord.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft de verdachte voor het bewezen verklaarde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar.

De raadsman heeft bij wijze van subsidiair standpunt bepleit dat de door de rechtbank opgelegde straf - en derhalve ook de door de advocaat-generaal gevorderde straf - geen recht doet aan het advies van de deskundige en hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd.

Het hof neemt de volgende omstandigheden in aanmerking.

• De verdachte heeft zijn echtgenote [benadeelde] in hun eigen woning getracht te vermoorden. Hij heeft haar meerdere keren met een mes gestoken. Er was onder meer sprake van steekwonden in de hals, in de borstkast links naast het hart en in de buik, alsmede een doorsnijding van de rechterpols met ter plaatse peesletsel. De medische verklaring van de traumachirurg maakt duidelijk dat ze ternauwernood aan de dood is ontkomen.

Door reanimatie en na enkele spoedoperaties waarbij een scheurwond in het hart werd gehecht en onder meer verwondingen werden geconstateerd aan de rechternier, de lever en de dikke darm is het leven van [benadeelde] gered. In het ambtelijk verslag, maar ook in de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 13 september 2011, wordt in dit verband gerelateerd dat de behandelend artsen de overlevingskans op 5% schatten. Het feit dat [benadeelde] nog in leven is, is naar het oordeel van het hof dan ook in het geheel niet aan het handelen van de verdachte te danken, maar aan het professionele optreden van de artsen in het ziekenhuis.

• Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van [benadeelde] blijkt dat zij drie maanden in het ziekenhuis heeft gelegen en nadien maanden in een revalidatiecentrum heeft verbleven. Zij is nog steeds niet volledig hersteld en dit zal waarschijnlijk ook niet meer gebeuren. Zo moet zij nog steeds operaties en - gelet op de ontsierende littekens - laserbehandelingen ondergaan. Bovendien heeft zij last gekregen van gevoelens van angst en onveiligheid. Slachtoffers van dergelijke feiten, zo leert de algemene ervaring, kampen lange tijd met dit soort psychische gevolgen.

• De verdachte heeft met zijn handelen niet alleen [benadeelde], maar ook zijn kinderen en schoonfamilie veel leed toegebracht. Niet alleen heeft de daad grote gevolgen gehad voor de ter plaatse aanwezige schoonfamilie, maar ook op zijn kinderen nu zij, zo begrijpt het hof uit de schriftelijke slachtofferverklaring d.d. 12 maart 2012, al vele maanden worden verzorgd door de broer van [benadeelde].

• Daarnaast heeft te gelden dat, meer in het algemeen, de bewezen verklaarde feiten de rechtsorde schokken en bijdragen aan het ontstaan en in stand houden van in de samenleving levende gevoelens van onveiligheid.

• Blijkens de rapportage van de klinisch psycholoog F. van Nunen, die over de verdachte heeft gerapporteerd, is de verdachte als licht verminderd tot verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen, terwijl uit het uittreksel van de justitiële documentatie d.d. 8 februari 2012 blijkt dat verdachte niet eerder ter zake van het plegen van misdrijven met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit - poging tot moord - en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, waarbij het hof de verdachte zeer zwaar aanrekent dat het slachtoffer [benadeelde] ternauwernood aan de dood is ontkomen en zij nog steeds de gevolgen ondervindt van de vele steekverwondingen die de verdachte haar heeft toegebracht, is het hof van oordeel dat niet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 jaar, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, maar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaar passend en geboden is.

Beslag

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven mes, met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan, is naar het oordeel van het hof vatbaar voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp waarvan het feit is begaan.

Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen die blijkens de beslaglijst aan hem toebehoren, te weten 2 zwarte sokken en 1 zwart/grijze boxershort.

Het hof zal tenslotte ten aanzien van de overige in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [benadeelde] als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 9.051,09, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2011 tot en met de dag der voldoening.

De verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen dat bedrag ten behoeve van het slachtoffer aan de Staat te betalen.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 9.051,09. De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van EUR 9.051,09 (bestaande uit een bedrag van EUR 1.051,09 aan materiële schade en een bedrag van EUR 8.000,00 aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2011 tot en met de dag der voldoening.

De verdachte is tot vergoeding van deze schade gehouden, zodat de vordering toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch zijn tot op heden begroot op nihil.

Overweging betreffende de schadevergoedingsmaatregel en de vordering benadeelde partij

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen en zulks vice versa (dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 33, 33a, 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dat als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- 1 mes.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 2 zwarte sokken;

- 1 zwart/grijze boxershort.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 grijze broek met zwarte riem;

- 1 witte tanktop;

- 1 zwart gestreepte blouse;

- 1 zwarte spencer;

- 1 lange thermo onderbroek;

- 1 zwarte stoffen jas;

- 1 bezemsteel;

- 1 mop.

Legt aan de verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 9.051,09 (negenduizend eenenvijftig euro en negen cent), bestaande uit een bedrag van EUR 1.051,09 (duizend eenenvijftig euro en negen cent) aan materiële schade en een bedrag van EUR 8.000,00 (achtduizend euro) aan immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2011 tot en met de dag der voldoening.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van EUR 9.051,09 (negenduizend eenenvijftig euro en negen cent), bestaande uit een bedrag van EUR 1.051,09 (duizend eenenvijftig euro en negen cent) aan materiële schade en een bedrag van EUR 8.000,00 (achtduizend euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente van 10 maart 2011 tot en met de dag der voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag aan de benadeelde partij tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij is voldaan.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. M. Rutgers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R. Dieleman-Dieleman, griffier,

en op 27 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.