Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW1047

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
20-004804-10
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2010:BO7468, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen bezit van 163,9 kg hennep en hasjiesj bij coffeeshop (art. 3 onder C van de OW ). Beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie respectievelijk bewijsuitsluiting wegens handelen in strijd met beginselen van behoorlijk procesrecht afgewezen. Politie is bij een tegelijkertijd door de gemeente en de belastingdienst op grond van de Woningwet respectievelijk de Algemene wet inzake rijksbelastingen uitgevoerde controle van een coffeeshop uitsluitend ter beveiliging van de controle-ambtenaren meegegaan. Beroep op het ontbreken van het opzet bij verdachte op het aanwezig hebben van een deel van de aangetroffen hoeveelheid softdrugs alsmede het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer : 20-004804-10

Uitspraak : 27 maart 2012

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 december 2010 in de strafzaak met parketnummer 01-825662-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1958],

wonende te [woonplaats][X], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en

opnieuw rechtdoende verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar, alsmede tot een geldboete ten bedrage van € 30.000,=, subsidiair 185 dagen hechtenis.

De verdediging heeft bepleit:

- primair: dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn strafvervolging;

- subsidiair: dat verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken;

- meer subsidiair: dat ontslag van rechtsvervolging dient te volgen vanwege het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.1.

Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging. Daartoe is aangevoerd - zo begrijpt het hof - dat in de onderhavige zaak gehandeld is in strijd met de beginselen van behoorlijk procesrecht doordat in het kader van de strafrechtelijke handhaving (op projectmatige wijze) gebruik is gemaakt van toezichthoudende bevoegdheden. Deze handelwijze dient te worden aangemerkt als een bewuste en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte op diens recht op transparante opsporing in overeenstemming met de wet en eerlijke behandeling van zijn zaak.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

A.2.

Het hof leidt uit de inhoud van de verklaringen door [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] als getuigen afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris op 5 maart 2012, af dat de politie bij de door de gemeente en de belastingdienst op 7 november 2008 uitgevoerde controle bij [de Coffeeshop Y] in [X] uitsluitend is meegegaan om de veiligheid van de bij deze controle betrokken ambtenaren te waarborgen.

Indien bij de controle het vermoeden zou rijzen dat strafbare feiten werden gepleegd, diende de situatie te worden bevroren, waarna een strafrechtelijk onderzoek zou worden opgestart. Deze verklaringen vinden steun in de inhoud van de processen-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant]. Immers, blijkens deze processen-verbaal is door laatstgenoemde verbalisant de zaak ter plaatse bevroren teneinde contact op te nemen met een hulpofficier van justitie op het moment dat door hem een tweetal ‘snoepautomaten’ werden waargenomen waaruit een sterke henneplucht kwam.

De door de ambtenaren bij deze controle verrichte onderzoekshandelingen dienen te worden aangemerkt als hen op grond van de Woningwet respectievelijk de Algemene wet inzake rijksbelastingen toekomende toezichts- c.q. controlehandelingen en niet als opsporingshandelingen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is derhalve niet aannemelijk geworden dat deze controle-onderzoeken een andere bedoeling hadden dan het op grond van de Woningwet respectievelijk op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen houden van toezicht en verrichten van controle ten aanzien van [de Coffeeshop Y] te [X].

Het verweer wordt verworpen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 7 november 2008 te [X], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, in (een) pand(en) aan de [straat Z] (voorzien van huisnummers 35A en/of 35B) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 86,4 kilogram hennep, in elk geval (een) grote hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep en/of een hoeveelheid/hoeveelheden van (in totaal) ongeveer 77,5 kilogram hasjiesj, in elk geval (een) grote hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep en/of hasjiesj (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

B.1.

Ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer dat het als gevolg van de controles verkregen bewijs dient te worden uitgesloten van de bewijsvoering, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor, bij de verwerping van het verweer betrekking hebbend op de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, is overwogen.

Het hof verwerpt het verweer op diezelfde gronden.

B.2.

Het verweer van de verdediging eveneens strekkende tot bewijsuitsluiting, inhoudende dat zou zijn opgespoord zonder dat sprake was van het wettelijke vereiste redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, wordt eveneens verworpen. Zoals hiervoor is overwogen stelt het hof vast dat aanvankelijk geen sprake is geweest van opsporing, maar van het verrichten van controles door de betrokken controleambtenaren op grond van hen toekomende controlebevoegdheden. Eerst naar aanleiding van tijdens deze controles gedane bevindingen is ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet gerezen.

B.3.1.

De verdediging heeft voorts betoogd dat verdachtes strafbare betrokkenheid bij het ten laste gelegde uitsluitend bewezen kan worden geacht ten aanzien van de hoeveelheden hennep en hasjiesj die zijn aangetroffen in het kantoor van verdachte, te weten het pand nr. 35A. Ten aanzien van de overige aangetroffen hoeveelheden softdrugs kan verdachte niet als medepleger worden aangemerkt en heeft zij voorts niet het opzet gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het aanwezig hebben van deze hoeveelheden aangezien zij niet wist dat dergelijke grote hoeveelheden elders in het pand aanwezig waren.

B.3.1.

Blijkens de verklaring van verdachte, op 13 maart 2012 afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, was verdachte op de hoogte van de aanwezigheid van hajsiesj en hennep aangetroffen op de 1e etage in het pand met nr. 35A, zijnde het pand waar verdachtes werkruimte was gelegen, en van de aanwezigheid van hasjiesj en hennep aangetroffen in het daarboven op de 2e etage gelegen pand met nr. 35B. Ten aanzien van de op 1e etage aangetroffen hoeveelheden verklaart verdachte uitdrukkelijk dat zij wist dat deze hoeveelheden de toegestane hoeveelheid van 500 gram overstegen.

Ten aanzien van de op de 2e etage aangetroffen hoeveelheden heeft verdachte verklaard dat zij wist dat de op de 1e etage gelegen kasten, bestemd voor de bevoorrading van de coffeeshop door middel van een buizensysteem, door [betrokkene 1] één keer per week werden aangevuld met drugs afkomstig van de 2e etage.

Gelet op de grote hoeveelheid softdrugs die volgens de verklaring van verdachte in de coffeeshop werd verkocht, te weten ongeveer 500 gram tot 750 gram per dag, moet zij ook hebben geweten dat in de panden met nr. 35A en 35B aanzienlijke hoeveelheden hennep en hasjiesj aanwezig waren en heeft zij in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat in de panden met nr. 35A, te weten op de eerste verdieping, en 35B, te weten de tweede verdieping, de grote hoeveelheden hasjiesj en hennep aanwezig waren, zoals gerelateerd in het proces-verbaal bevindingen d.d. 30 november 2008. Het had op de weg van verdachte - mede-eigenaar van de coffeeshop - gelegen om in de gegeven omstandigheden de op de tweede verdieping aanwezige voorraden te controleren.

B.3.2.

Blijkens de hiervoor onder B.3.1. bedoelde verklaring van verdachte, alsmede de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen, was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen in ieder geval verdachte en [betrokkene 2], beiden eigenaar van [de Coffeeshop Y] gelegen aan de [straat Z] te [X], en [betrokkene 1] binnen het bedrijf van de coffeeshop, waarbij ieder zijn eigen rol voor zijn rekening nam. Verdachte hield zich bezig met onder meer de jaarrekening van het bedrijf en de communicatie met de overheidsinstellingen, [betrokkene 2] hield zich bezig met de inkoop van de voor de coffeeshop benodigde voorraad softdrugs en [betrokkene 1] was de bedrijfsleider die onder meer was belast de boekhouding en de bevoorrading van de coffeeshop vanuit de in de panden met nr. 35A en 35B aanwezige softdrugs. Het hof wijst er voorts op dat blijkens de hiervoor onder B.3.1. bedoelde verklaring van verdachte zowel verdachte, [betrokkene 2] als [betrokkene 1] de beschikking hadden over een sleutel die toegang bood tot de panden waarin de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheden drugs zijn aangetroffen, te weten de panden nr. 35A en nr. 35B.

Gelet op het vorenoverwogene acht het hof bewezen dat verdachte tezamen en vereniging met een ander of anderen opzettelijk de in tenlastelegging genoemde hoeveelheden hennep en hasjiesj aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zij op 7 november 2008 te [X], tezamen en in vereniging met anderen, in een pand aan de [straat Z] (voorzien van huisnummers 35A en/of 35B) opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van in totaal ongeveer 86,4 kilogram hennep en een hoeveelheid van in totaal ongeveer 76,5 kilogram hasjiesj, zijnde hennep en hasjiesj telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en de verdachte

C.1.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

C.2.

Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat bij het aanhouden van voorraden cannabis uitsluitend ten behoeve van de gedoogde verkoop vanuit de coffeeshop de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. Volgens de verdediging staan alle formeel verboden handelingen aan de achterdeur van de coffeeshop in het teken van de gedoogde exploitatie van de coffeeshop, waarmee onmiskenbaar het belang van de volksgezondheid en de openbare orde is gediend.

Voorts heeft de verdediging in dit verband aangevoerd dat de coffeeshop alleen op de haar rustende rechtsplicht geen overlast te veroorzaken kan voldoen, door in het belang van de volksgezondheid en de openbare orde alle klanten die zich aandienen te bedienen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

C.3.

Op verdachte komt geen beroep op het gedoogbeleid toe indien zij de aan dit gedoogbeleid verbonden strikte voorwaarden zoals de maximum toegestane hoeveelheid bedrijfsvoorraad van 500 gram in ernstige mate overtreedt.

Voorts is geen sprake van de door de verdediging bepleite op een coffeeshop rustende rechtsplicht die ertoe dwingt om in het belang van de volksgezondheid en de openbare orde alle klanten die zich aandienen te bedienen. Geen enkele wettelijke regel staat aan de coffeeshop in de weg om in het geval dat sprake is van onvoldoende voorraad de klant dit mede te delen en geen softdrugs aan die klant te verkopen.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

Er zijn geen overige feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de omstandigheid dat verdachte, blijkens het haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 februari 2012, niet eerder door een strafrechter is veroordeeld;

- de overige persoonlijke omstandigheden zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep door en namens verdachte naar voren zijn gebracht.

Het hof heeft voorts in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden softdrugs, te weten in totaal 162,9 kilogram. Verdachte heeft hiermede het in Nederland geldende gedoogbeleid voor coffeeshops op basis waarvan de verkoop en het gebruik van softdrugs door en in coffeeshops onder strikte voorwaarden door de overheid wordt gedoogd voor wat betreft het toegestane gewicht aan voorraad softdrugs van de coffeeshop in ernstige mate ondermijnd, waarbij verdachte haar eigen financiële gewin kennelijk op de voorgrond heeft gesteld.

Gelet op het voorgaande acht het hof de door de advocaat-generaal gevorderde straffen, te weten een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaar, alsmede het opleggen van een geldboete ten bedrage van € 30.000,=, subsidiair 185 hechtenis, passend en geboden.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

De op de beslaglijst vermelde middelen, te weten 23 kilogram hennep, 48,50 kilogram hashish en 63 kilogram hennep, zijn middelen als genoemd in lijst II van de Opiumwet.

Gelet op het bepaalde in artikel 13a van de Opiumwet worden deze middelen aan het verkeer onttrokken.

Van de overige op de beslaglijst vermelde en nog niet teruggegeven voorwerpen, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 3, 11 en 13a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 30.000,00 (dertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 185 (honderdvijfentachtig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 23 kilogram hennep

- 48,50 kilogram hashish

- 63 kilogram hennep.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK Telefoontoestel, Nokia, bps: 08-208207, T-Mobile provider

- geldbedrag van € 31.635,15;

- 1 STK telefoontoestel, kleur zwart, Nokia gsm, bps: 08:208207.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 27 maart 2012 ter openbare terechtzitting uitgesproken.