Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW0990

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
HD 200.079.515
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afrekening tussen ex-samenwoners. Vordering gegrond op ongerechtvaardigde verrijking gedeeltelijk toewijsbaar.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/29 met annotatie van B.E. Reinhartz

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD200.079.515

arrest van de zevende kamer van 3 april 2012

in de zaak van

[A.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. O.T.J.A. Kicken,

tegen:

1. [B.],

wonende te [woonplaats] (België),

hierna te noemen: [geintimeerde sub 1.],

2. HURDA ADVICE & MANAGEMENT B.V.B.A.,

gevestigd te [vestigingsplaats] (België),

hierna te noemen: Hurda,

geïntimeerden,

advocaat: mr. G.J.A.F. Beulen.

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 15 maart 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknr. 146453/HA ZA 09-1507 gewezen vonnis van 14 juli 2010.

5. Het tussenarrest van 15 maart 2011

In het tussenarrest is een comparitie van partijen gelast. iedere verdere beslissing is aangehouden.

6. Het verdere verloop van de procedure

6.1. De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 18 april 2011. Een schikking is niet tot stand gekomen.

6.2. Bij memorie van grieven tevens wijziging van eis met producties heeft [appellante] drie grieven aangevoerd, haar eis gewijzigd en geconcludeerd zoals in het petitum van haar memorie van grieven is vermeld.

6.3. Bij memorie van antwoord met producties hebben [geintimeerde sub 1.] en Hurda de grieven bestreden.

6.4. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten door de hiervoor genoemde advocaten. Zij hebben gepleit aan de hand van pleitnota’s die zijn overgelegd.

6.5. Partijen hebben uitspraak gevraagd op basis van het kopie van het procesdossier dat voorafgaande aan het pleidooi aan het hof is gezonden.

7. De verdere beoordeling

7.1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad van 2002 tot januari 2007. Zij hebben samengewoond in de woning van [appellante] op het adres [woonadres 1.] te [woonplaats A.] en (vanaf 2006) op het adres [woonadres 2.] te [woonplaats A.].

[geintimeerde sub 1.] was directeur/groot aandeelhouder van Hurda. [appellante] heeft vanaf september 2004 tot begin januari 2007 werkzaamheden voor Hurda verricht en kosten van Hurda betaald.

[appellante] heeft bij de rechtbank Maastricht vorderingen tegen [geintimeerde sub 1.] en Hurda ingesteld, strekkende tot (onder meer) vergoeding van de door haar betaalde kosten en verrichte werkzaamheden voor Hurda. Hurda heeft in reconventie een tegenvordering ingesteld.

De rechtbank heeft de vorderingen, zowel in conventie als in reconventie, afgewezen.

[appellante] is tegen de afwijzing van haar vorderingen in conventie in hoger beroep gekomen.

De reconventionele vordering van Hurda is in hoger beroep niet meer aan de orde.

7.2. [appellante] heeft in hoger beroep haar vordering gewijzigd.

In eerste aanleg vorderde zij primair de veroordeling van [geintimeerde sub 1.] en Hurda om met haar over te gaan tot afwikkeling c.q. verrekening van de door haar ten behoeve van [geintimeerde sub 1.] en Hurda ingebrachte assurantieportefeuille en makelaarsportefeuille, betaalde vaste lasten alsook verrichte werkzaamheden. Subsidiair vorderde zij de hoofdelijke veroordeling van [geintimeerde sub 1.] en Hurda tot betaling van € 50.000,-; meer subsidiair vorderde zij de veroordeling van (alleen) [geintimeerde sub 1.] tot betaling van dit bedrag.

In hoger beroep vordert [appellante] primair de hoofdelijke veroordeling van [geintimeerde sub 1.] en Hurda tot betaling van een bedrag van € 43.604,58 met rente in verband met door haar betaalde kosten en verrichte werkzaamheden. Subsidiair vordert zij de veroordeling van Hurda dan wel [geintimeerde sub 1.] tot betaling van voormeld bedrag met rente.

[geintimeerde sub 1.] en Hurda hebben bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging en tegen het feit dat [appellante] pas in hoger beroep haar vordering heeft onderbouwd.

Het hof verwerpt dit bezwaar van [geintimeerde sub 1.] en Hurda. [appellante] heeft in hoger beroep haar eis beperkt in die zin dat zij niet langer een vergoeding voor de inbreng van haar assurantieportefeuille en makelaarsportefeuille in Hurda vordert, maar uitsluitend een vergoeding voor betaalde kosten en verrichte werkzaamheden. Zij heeft die vordering nader geconcretiseerd. Het stond [appellante] vrij om haar vordering in hoger beroep aldus te wijzigen en nader te onderbouwen. Van strijd met een goede procesorde is geen sprake. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis.

7.3. De vordering van [appellante] richt zich niet alleen tegen Hurda maar ook tegen [geintimeerde sub 1.] in privé.

Voor zover de vordering tegen [geintimeerde sub 1.] in privé is gericht, is deze naar het oordeel van het hof niet toewijsbaar omdat daarvoor een grondslag ontbreekt. Dat tussen [appellante] en [geintimeerde sub 1.] in privé een overeenkomst zou zijn gesloten tot vergoeding van betaalde kosten en verrichte werkzaamheden is niet gesteld of gebleken. Evenmin is gebleken dat [geintimeerde sub 1.] in privé is verrijkt doordat [appellante] voor Hurda kosten heeft betaald en werkzaamheden heeft verricht. Voor zover [appellante] bedoeld heeft het standpunt in te nemen dat [geintimeerde sub 1.] wél in privé is verrijkt ten koste van haar, dan heeft zij dat standpunt onvoldoende onderbouwd zodat het niet kan worden aanvaard.

7.4. Het hof zal thans beoordelen of de vordering van [appellante] tegen Hurda wél toewijsbaar is.

7.5. [appellante] vordert van Hurda allereerst een vergoeding van de door haar ten behoeve van Hurda betaalde kosten in de periode van september 2004 tot begin januari 2007. Het gaat om kosten die zij heeft betaald als gevolg van het feit dat in de desbetreffende periode de bedrijfsactiviteiten van Hurda vanuit haar woning aan de [woonadres 1.] in [woonplaats A.] werden verricht. Het betreft verzekeringskosten, telefoonkosten, internetkosten, portokosten, hypotheekrente, advertentiekosten, enz. In totaal vordert zij een bedrag van € 33.917,14.

7.6. Hurda heeft in haar memorie van antwoord betwist dat [appellante] kosten voor Hurda heeft betaald. Volgens Hurda verrichtte [appellante] vanuit haar woning haar werkzaamheden voor Hurda als zelfstandig agent en dient zij de kosten die met haar werkzaamheden samenhangen zelf te betalen.

7.7. Uit de toelichting die partijen ([geintimeerde sub 1.] mede namens Hurda) bij gelegenheid van het pleidooi bij het hof hebben gegeven, is het volgende gebleken.

[appellante] en [geintimeerde sub 1.] zijn eind 2004 gezamenlijk werkzaamheden gaan verrichten voor Hurda. [appellante] verkeerde daarbij in de veronderstelling dat zij mede-eigenaar van Hurda was geworden. Het bij [appellante] in gebruik zijnde deel van de woning [woonadres 1.] te [woonplaats A.] (de verdieping gelijkvloers en de kelder) werd geheel in gebruik genomen voor de activiteiten ten behoeve van Hurda. Aanvankelijk werden de werkzaamheden verricht door twee personen ([appellante] en [geintimeerde sub 1.]); later werd het aantal medewerkers steeds verder uitgebreid, tot zes á zeven mensen. Door Hurda is weliswaar aangevoerd dat het hierbij niet ging om werknemers die in dienst waren bij Hurda maar om freelancers, maar die omstandigheid acht het hof niet van doorslaggevend belang.

Het samenwonen van partijen bestond hierin dat ’s avonds het bed tevoorschijn werd gehaald en ’s morgens weer werd opgeruimd.

[geintimeerde sub 1.] heeft namens Hurda ter zitting niet langer betwist dat alle door [appellante] genoemde kosten inderdaad door [appellante] zijn betaald. Afspraken over vergoeding van die kosten zijn niet gemaakt, hetgeen samenhing met de affectieve relatie van [appellante] en [geintimeerde sub 1.] en met het idee dat het bedrijf “van hen samen was”. Maandelijks spraken [appellante] en [geintimeerde sub 1.] af welk bedrag van de rekening van Hurda op de rekening van [appellante] zou worden gestort in verband met de door haar gemaakte kosten. [geintimeerde sub 1.] vroeg dan aan [appellante] “hoeveel zij deze maand nodig had”. [appellante] noemde vervolgens een bedrag en dat werd door [geintimeerde sub 1.] vervolgens overgemaakt, zulks onder de titel “provisie”. In totaal is op deze wijze in de periode van begin 2005 tot 9 januari 2007 een bedrag van € 37.800,- op de rekening van [appellante] gestort.

7.8. Uit de bovenstaande gang van zaken, waaromtrent partijen het eens zijn, leidt het hof af dat [appellante] per saldo alle door haar voor Hurda betaalde kosten vergoed heeft gekregen. Dat aan de vergoedingen de titel ”provisie” is gegeven, doet hieraan niet af.

Dit betekent dat de vordering van [appellante], voor zover betrekking hebbend op de vergoeding van kosten, niet voor toewijzing in aanmerking komt en dat grief 1 faalt.

7.9. Uit de toelichting die partijen bij gelegenheid van het pleidooi bij het hof hebben gegeven leidt het hof verder af dat [appellante] gedurende de periode dat zij voor Hurda werkzaamheden verrichtte, geen geldelijke honorering in de vorm van provisie of anderszins van Hurda heeft ontvangen. Afspraken over honorering waren niet gemaakt en ook dat hing samen met de affectieve relatie van [appellante] en [geintimeerde sub 1.] en met het idee dat de onderneming “ van hen samen was”.

7.10. Naar het oordeel van het hof stelt [appellante] zich terecht op het standpunt dat Hurda als gevolg van de werkzaamheden die [appellante] - zonder enige geldelijke honorering – voor Hurda heeft verricht, ongerechtvaardigd is verrijkt. Hurda is verrijkt doordat [appellante] voor Hurda omzet heeft gegenereerd. [appellante] is van haar kant verarmd doordat zij, door het achterwege blijven van enige geldelijke honorering, inkomen heeft gederfd. Een redelijke grond voor deze verrijking respectievelijk verarming ontbreekt naar het oordeel van het hof.

7.11. Een precieze berekening van het schadebedrag waarop [appellante] aanspraak zou kunnen maken, kan naar het oordeel van het hof niet worden gemaakt. [appellante] knoopt bij haar berekening aan bij de provisie die de medewerkster mevrouw [medewerkster] in de desbetreffende periode heeft ontvangen, te weten een bedrag van € 47.487,44 (waarop [appellante] vervolgens in mindering brengt het bedrag dat zij reeds aan provisie zou hebben ontvangen, namelijk

€ 37.800,-, van welk bedrag partijen ter terechtzitting hebben verklaard dat het niet om provisie maar om vergoeding van kosten ging).

Het hof acht een vergelijking met de aan mevrouw [medewerkster] betaalde provisie niet bruikbaar. Het gaat er immers niet om wat een redelijk bedrag aan provisie zou zijn, maar om een berekening van de verrijking van Hurda respectievelijk de verarming van [appellante]. Hierbij speelt nog een rol dat, zoals eveneens ter zitting bij het hof is gebleken, een deel van het klantenbestand van Hurda na het uiteengaan van partijen, is overgestapt naar (het verzekeringskantoor van) [appellante]; enige verrekening tussen partijen hieromtrent heeft niet plaatsgevonden.

De conclusie is dat het aan [appellante] wegens ongerechtvaardigde verrijking toekomende bedrag slechts schattenderwijs kan worden vastgesteld. Het hof zal dat bedrag ex aequo et bono vaststellen op € 15.000,-. De vordering van [appellante] zal in zoverre worden toegewezen en voor het overige worden afgewezen.

Dit betekent dat de tweede en de derde grief van [appellante] gedeeltelijk slagen en dat het vonnis waarvan beroep voorzover gewezen in conventie, niet in stand kan blijven.

7.12. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, Hurda veroordelen om aan [appellante] een bedrag van € 15.000,- te betalen, met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der inleidende dagvaarding, 19 november 2009.

De proceskosten zullen ook in hoger beroep worden gecompenseerd nu tussen [appellante] en [geintimeerde sub 1.] een samenwonersrelatie heeft bestaan en in de procedure tussen [appellante] en Hurda ieder van partijen gedeeltelijk in het ongelijk wordt gesteld.

8. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen in conventie behoudens wat betreft de proceskostenbeslissing en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Hurda om aan [appellante] een bedrag van € 15.000,- te betalen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 november 2009 tot aan de algehele voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van het hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, B.A. Meulenbroek en A.R. Autar en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 3 april 2012.