Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW0964

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
HV 200.100.877-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BX5882, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5882
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindbeoordeling.

Duur verplichtingen schuldsanering.

HR 24-02-2012.

Aard ter verstrekking informatie.

HR 15-02-2002.

Wangedrag.

HR 10-06-2003.

Betekenis mogelijke meineed in kader beoordeling ex art. 354 FW?

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 354, geldigheid: 2012-04-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/327

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 3 april 2012

Zaaknummer: HV 200.100.877/01

Zaaknummer eerste aanleg: 07/1116R

in de zaak in hoger beroep van:

[X.], echtgenote van [A.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. C. Hofmans,

tegen

[Y.], echtgenote van [B.],

wonende te [woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: [verweerster],

advocaat: mr. R.B.H. Beune.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 16 januari 2012.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 januari 2012, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verweerster] te beëindigen zonder toekenning van een schone lei-verklaring.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 maart 2012.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante], bijgestaan door mr. C. Hofmans;

- [verweerster], bijgestaan door mr. R.B.H. Beune;

- mevrouw A. van der Vliet (opvolgster van mevrouw C.W. Ouwerling), hierna te noemen: de bewindvoerder.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 januari 2012;

- de brief van de advocaat van [appellante] met bijlagen d.d. 8 februari 2012;

- de brief van de advocaat van [verweerster] met bijlage d.d. 13 februari 2012;

- de brief van de advocaat van [verweerster] d.d. 16 februari 2012;

- de brief van de advocaat van [appellante] met bijlagen d.d. 8 maart 2012;

- de brief van de advocaat van [verweerster] met bijlagen d.d. 9 maart 2012.

- de brief van de bewindvoerder met bijlagen d.d. 12 maart 2012.

3. De beoordeling

3.1. Bij vonnis van 3 december 2007 is ten aanzien van [verweerster] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2. Bij vonnis van 16 januari 2012 heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling van [verweerster] beëindigd met verlening van de schone lei.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3. [appellante] heeft in het beroepschrift en ter zitting aangevuld - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

De rechtbank heeft niet nader gemotiveerd waarom het door [verweerster] uit de erfenis van haar overleden broer ontvangen en vervolgens in de boedel gevloeide bedrag ad € 950,71, klopt. [appellante] wijst er in dit verband op dat de echtgenoot van [verweerster], de heer [B.], tijdens een eerdere zitting heeft gesteld dat het totaalbedrag van de erfenis ongeveer € 40.000,-. (zie in verband met dit bedrag de brief van de advocaat van [appellante] d.d. 8 maart 2012, 3e alinea) zou zijn.

Voorts heeft de rechtbank in haar vonnis opgemerkt dat de aangifte van meineed door [appellante] en de aanvulling daarop geen relevante nieuwe feiten bevatten die bij de vorige beoordeling, dat wil zeggen de beoordeling in het kader van het door [appellante] gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging, niet bekend waren. In de visie van [appellante] bevat de door [verweerster] onder ede afgelegde verklaring rond de verkoop van de boot onwaarheden over de waarde en de verkoop van de boot, zodat [verweerster] zich schuldig heeft gemaakt aan meineed en daarmee toerekenbaar tekort is geschoten in de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

[appellante] merkt tot slot nog op dat zij het onbegrijpelijk acht dat de rechtbank het advies van de bewindvoerder, dat [verweerster] de schuldsaneringsregeling niet kan verlaten met een schone lei, naast zich heeft neergelegd, nu evident is dat ook de bewindvoerder van mening is dat [verweerster] haar verplichtingen niet juist is nagekomen.

3.3.1. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [verweerster], die geen verweerschrift heeft ingediend, daartegenover gesteld dat zij tijdens het getuigenverhoor d.d. 28 januari 2010 aanvankelijk had verzwegen dat haar echtgenoot de nieuwe eigenaar was van de boot, omdat zij bang was voor eventuele repercussies. In het kader van de schuldsaneringsregeling is dit echter geen reden de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder verlening van de schone lei, aldus [verweerster].

[verweerster] stelt zich daarbij op het standpunt dat de gang van zaken rond de boot geen enkel effect heeft gehad op de boedel, omdat zij geen eigenaresse was van de boot.

[verweerster] merkt tot slot nog op dat de erfenis van haar broer nog steeds niet is afgewikkeld door de belastingdienst en dat op dit moment de hoogte van het bedrag dat [verweerster] uit die erfenis zal ontvangen nog steeds niet bekend is. [verweerster] stelt desgevraagd de door de bewindvoerder gevraagde boedelbeschrijving te hebben opgestuurd naar mevrouw C.W. Ouwerling, de voorgangster van de huidige bewindvoerder.

3.3.2. De bewindvoerder heeft – kort samengevat – in haar schrijven d.d. 12 maart 2012 zoals toegelicht en aangevuld op de mondelinge behandeling in hoger beroep gesteld dat zij persisteert bij het door haar tijdens de eindzitting bij de rechtbank op 9 januari 2012 gegeven negatieve advies. Haars inziens strookt het tijdens het getuigenverhoor in eerste instantie door [verweerster] niet verklaren van de waarheid niet met de verplichtingen die voor [verweerster] uit de schuldsaneringsregeling voortvloeien. De bewindvoerder ontkent ook met klem een boedelbeschrijving van [verweerster] te hebben ontvangen. Ware het anders en zou de bewindvoerder dus van [verweerster] hebben vernomen, zij zou niet bij herhaling om informatie over de erfeniskwestie en meer in het bijzonder om een boedelbeschrijving hebben gevraagd. Deze boedelbeschrijving is echter nog steeds niet in haar bezit. Met betrekking tot de vraag hoe het door haar op de eindzitting bij de rechtbank d.d. 9 januari 2012 gegeven negatieve advies zich verhoudt tot haar voordracht tot beëindiging regeling na verloop van termijn d.d. 21 november 2011, heeft de bewindvoerder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat deze voordracht nog geen concreet advies in de zin van het al dan niet verlenen van een schone lei behelsde. Haar advies was op dat moment om de eindbeoordeling aan te houden totdat er duidelijkheid was over de erfenis en de aangifte, waarna, bij gebleken duidelijkheid, alsnog een advies met betrekking tot het al dan niet verlenen van de schone lei zou volgen. Later kreeg de bewindvoerder echter de stukken van de – aangiften – meineed jegens [verweerster]. Daarop besloot de bewindvoerder tijdens de eindzitting bij de rechtbank alsnog te adviseren geen schone lei aan [verweerster] te verlenen, ook al beschikte zij ook toen nog niet over een boedelbeschrijving.

3.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5. Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.5.1. Blijkens recente jurisprudentie van de Hoge Raad, met name het door de Hoge Raad op 24 februari 2012 gewezen arrest op een vordering tot cassatie in het belang der wet (LJN: BV0890), nemen de voor de schuldenaar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen met het verstrijken van de in artikel 349a lid 1 Fw aangeduide termijn, behoudens verlenging in de zin van lid 2 en lid 3, een einde. Blijkens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie gaat het daarbij onder meer om de informatie- en inlichtingenplicht en om de verplichting van de schuldenaar inkomsten die aan de boedel toekomen aan de bewindvoerder af te staan.

De schuldsanering van [appellante] nam een aanvang op 3 december 2007 en liep, nadat de looptijd bij vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 4 april 2011 was verlengd na wijziging van het saneringsplan (welk vonnis door dit hof bij arrest van 11 oktober 2011 is bekrachtigd), door tot maximaal 3 december 2011. Over in beginsel deze periode dient dan ook te worden beoordeeld, of [verweerster] zich aan haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling heeft gehouden. Immers, na ommekomst van voornoemde termijn is, als uitvloeisel van het door de Hoge Raad op 24 februari 2012 gewezen arrest, de schuldsaneringsregeling van [verweerster] materieel beëindigd.

3.5.2. Naar het oordeel van dit hof vloeit uit bovenstaand arrest van de Hoge Raad echter niet voort dat het door de schuldenaar spontaan en desgevraagd verstrekken van informatie en geven van inlichtingen evenzeer is gerelateerd aan en beperkt tot de periode van de schuldsanering zoals bedoeld in artikel 349a Fw. In essentie gaat het namelijk om het gedurende de termijn van de schuldsanering naar waarheid, volledig en steeds, ook spontaan, voldoen aan de informatie- en inlichtingenplicht, mede opdat de bewindvoerder in staat is toezicht uit te oefenen (vgl. artikel 316 lid 1 Fw). Hieraan ondergeschikt is dat de door de schuldenaar te verstrekken informatie en door hem te geven inlichtingen in voorkomend geval mogelijk zien op een periode die aan de toelating tot de schuldsaneringsregeling voorafgaat (zie i.h.a. trouwens ook artikel 350 lid 3 sub f Fw).

3.5.3. Het belang van het voldoen aan de informatie- en inlichtingenplicht als zodanig blijkt ook uit een op 15 februari 2002 door de Hoge Raad gewezen arrest (LJN: AD9144). In dit arrest overweegt de Hoge Raad onder meer dat tegen de achtergrond en de strekking van de schuldsaneringsregeling ook een meer algemene verplichting bestaat tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling (r.o. 3.2.2.). In het geval dat hierom wordt gevraagd, wordt, naar het oordeel van het hof, de schuldenaar zeker geacht alle inlichtingen te verschaffen (vgl. artikel 327 Fw in verbinding met artikel 105 Fw). Alsdan kan immers geen enkel misverstand bestaan over de vraag, of de betrokken schuldenaar wel wist of behoorde te begrijpen dat bepaalde inlichtingen van belang waren voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Daarbij staat de vraag of de gewenste informatie al dan niet in het kader van de schuldsaneringsregeling relevant is, niet ter beoordeling van de schuldenaar. Deze is slechts gehouden ongevraagd en zeker gevraagd juiste en volledige informatie te verstrekken, waarna het ter beoordeling van achtereenvolgens de bewindvoerder, de rechter-commissaris en, indien daartoe geroepen, de rechterlijke instanties is om niet alleen te bezien of aan de informatie- en inlichtingenplicht is voldaan, maar ook om te beoordelen of de verstrekte informatie relevant is in het kader van de schuldsaneringsregeling. Om dat te kunnen beoordelen, dient dan wel eerst zonder enig voorbehoud, en al zeker niet als het een niet voor een derde duidelijk kenbaar en legitiem voorbehoud is, door de betrokken schuldenaar de juiste en volledige informatie te worden verstrekt.

3.5.4. Blijkt naar het oordeel van het hof uit de wet(sgeschiedenis) noch uit de jurisprudentie van de Hoge Raad van een beperkte informatie- en inlichtingenplicht in die zin dat deze tijdens de periode van artikel 349a Fw geldende kernverplichting enkel zou zien op gegevens, omstandigheden en feiten die zich gedurende de door artikel 349a Fw afgebakende periode voordoen dan wel hebben voorgedaan, evenmin volgt uit de wet(sgeschiedenis) en/of de jurisprudentie van de Hoge Raad dat de door de schuldenaar te verstrekken informatie enkel dan van belang en noodzakelijk zou zijn, indien en voorzover de boedel (vgl. artikel 295 Fw) daarbij gebaat zou zijn met het oog op de inventarisatie en tegeldemaking van het vermogen van de schuldenaar. Het gaat er, zoals hiervóór al werd overwogen, in essentie om dat in het kader van de schuldsaneringsregeling een informatie- en inlichtingenplicht op de schuldenaar rust waaraan volledig, juist en zonder voorbehoud dient te worden voldaan, zeker als om deze informatie uitdrukkelijk is gevraagd, opdat een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling onder toezicht van onder meer de bewindvoerder is gewaarborgd. Doch zelfs al zou de informatie- en inlichtingenplicht en het voldoen hieraan enkel van belang zijn voor zover de boedel daarbij is gebaat, ook dan zal, teneinde dit te kunnen beoordelen, de schuldenaar eerst informatie dienen te verstrekken. Doet hij dit niet of onvolledig, hij schendt in beginsel de specifieke inlichtingenplicht ex artikel 327 Fw juncto 105 Fw en de algemene op hem rustende inlichtingenplicht, hetgeen een grond voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling kan vormen. Dan moet namelijk worden aangenomen dat het gedrag van de schuldenaar een duidelijke aanwijzing vormt dat de vereiste medewerking om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen bij de schuldenaar ontbreekt (vgl. artikel 350 lid 3 aanhef en onder c Fw). Doch ook bij de eindbeoordeling, dat wil zeggen de beoordeling in het kader van artikel 354 Fw, komt, nu het immers een kernverplichting betreft, onder meer de informatie- en inlichtingenplicht aan de orde. Maatstaf is dan onder meer of de schuldenaar in de nakoming van onder meer deze verplichting is tekortgeschoten en indien er sprake is van een tekortkoming, of deze tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Daarbij zal het, nu een tussentijdse beëindiging logischerwijs niet eerder werd verzocht dan wel gehonoreerd, om een “totaalplaatje” gaan, waarbij eventueel gebeurtenissen die relatief kort vóór het einde van de feitelijke looptijd van de schuldsanering hebben plaatsgevonden (waardoor een verzoek tot tussentijdse beëindiging op dat moment niet meer opportuun bleek) nog een zwaarwegend stempel kunnen drukken.

3.5.5. Dat de schuldsaneringsregeling (en de hieruit voor de schuldenaar voortvloeiende verplichtingen waaronder de informatie- en inlichtingenplicht) niet alleen is gericht op de inventarisatie en tegeldemaking van het vermogen ten behoeve van de schuldeisers, blijkt naar het oordeel van het hof onder meer ook uit de door A-G Timmerman genomen conclusie vóór het door de Hoge Raad op 24 februari 2012 gewezen arrest, aan welk arrest hierboven al werd gerefereerd. In zijn conclusie (bij 3.1.) stelt Timmerman namelijk onder meer dat de schuldsaneringsregeling er (anderzijds) ook op is gericht de schuldenaar in staat te stellen en te stimuleren zich zodanig te gedragen dat hij in aanmerking komt voor een schone lei. Daarbij past naar het oordeel van het hof bijvoorbeeld niet alleen een pro-actieve en een algemene inlichtingenverplichting (vgl. het hierboven genoemde arrest uit 2002 van de Hoge Raad), maar tevens behoorlijk gedrag zijdens de schuldenaar. Ook dan zal het in het kader van een eindbeoordeling ex artikel 354 Fw om een “totaalplaatje” gaan, mogelijk ook omdat, net als bij bijvoorbeeld het niet voldoen aan de informatie- en inlichtingenplicht, een verzoek tot tussentijdse beëindiging kort vóór het einde van de feitelijke looptijd van de schuldsanering niet meer opportuun bleek.

3.5.6. Wat dit aangaat is er ook geen logische reden om tussen de verschillende, uit de schuldsanering voortvloeiende, kernverplichtingen een onderscheid te maken. Steeds moet, al naar gelang de omstandigheden van het geval en naar bevind van zaken, de nakoming van deze verplichtingen het voorwerp van een procedure tot tussentijdse beëindiging en/of een procedure in het kader van artikel 354 Fw kunnen vormen. Alle verplichtingen hebben voor de schuldenaar met elkaar gemeen dat zij van de desbetreffende schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling vergen. Ten overvloede overweegt het hof dat uit zowel de parlementaire geschiedenis (zie onder meer TK. 29 942, nr. 3, blz. 35) als de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie onder meer HR 10 juni 2003, LJN: AF0219) volgt, dat ook wangedrag, althans onbehoorlijk gedrag, reden kan vormen om de schuldsaneringsregeling (tussentijds) te beëindigen zonder dat de schuldenaar aanspraak kan maken op een ‘schone lei’. Dat wangedrag alleen een grond voor tussentijdse beëindiging ex artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw kan vormen en niet tevens in het kader van een eindbeoordeling ex artikel 354 Fw aan de orde zou kunnen komen, is, zoals al hiervóór werd overwogen, niet alleen onlogisch, maar ook onwenselijk omdat daarmee, in strijd met de kennelijke wens van de wetgever, uiteindelijk onbehoorlijk gedrag zou worden getolereerd welk gedrag, zo een verzoek tot tussentijdse beëindiging mogelijk zou zijn geweest, mogelijk al eerder een reden had kunnen vormen om de schuldsaneringsregeling voortijdig te beëindigen wegens belemmeren dan wel frustreren van de – uitvoering van de – schuldsaneringsregeling.

Onder zeer bijzondere omstandigheden kan naar het oordeel van dit hof het niet juist en/of onvolledig verstrekken van informatie niet alleen worden beschouwd als het niet voldoen aan de informatie- en inlichtingenplicht, maar tevens worden aangemerkt als onbehoorlijk gedrag dat niet in de schuldsaneringsregeling past.

3.6. De bovenstaande overwegingen vormen in belangrijke mate het referentiekader waaraan het hof thans het door [appellante] tegen [verweerster] ingestelde appel zal gaan toetsen.

3.7. In de onderhavige zaak wordt [verweerster] er door [appellante] onder meer van beticht meineed te hebben gepleegd. Blijkens de in hoger beroep overgelegde dingtalen is door [appellante] hier op zowel 31 oktober 2011 als op 2 januari 2012 aangifte van gedaan bij de Politieregio Brabant-Noord. De laatste, aanvullende, aangifte van [appellante], houdt verband met een later opgedoken brief d.d. 22 mei 2003 van mr. W.P. Ganzeboom, die destijds optrad als advocaat van [verweerster], waaruit volgt dat, anders dan door [verweerster] eerder onder ede was verklaard, de sleepboot “De Lekstroom” niet in 2004, maar in 2001 was verkocht.

3.7.1. Nu de vraag of [verweerster] daadwerkelijk meineed heeft gepleegd in eerste instantie door het Openbaar Ministerie dient te worden beantwoord, wenst het hof de kwestie van de beweerdelijke meineed niet te betrekken in het kader van een beoordeling zoals bedoeld in artikel 354 Fw. Daarenboven gelden bij een civielrechtelijke beoordeling in het kader van artikel 354 Fw wezenlijk andere maatstaven dan bij een strafrechtelijke beoordeling in het kader van de vraag, of voldaan is aan het bepaalde in artikel 207 Sr. Meineed zal bovendien wettig en overtuigend moeten worden bewezen in een strafrechtelijke procedure waar in het kader van een schuldsanering zelfs het gangbare civiele bewijsrecht niet – onverkort – geldt: het betreft immers een procedure in het kader van de Faillissementswet (zie i.h.a. artikel 284 Rv). Dit neemt niet weg dat het hof, juist in het kader van artikel 354 Fw en tegen de achtergrond en de strekking van de schuldsaneringsregeling, wel de inhoud en strekking van de brief van mr. Ganzeboom, waarmee het hof evenmin als kennelijk [appellante] noch de bewindvoerder ten tijde van het arrest van dit hof van 11 oktober 2011 in het kader van de procedure tot tussentijdse beëindiging bekend was, bij de beoordeling mag betrekken of aan [verweerster] de schone lei kan worden verleend. In zoverre is er dan ook sprake van een nieuw feit zij het, dat het hof dient te beoordelen of het in het kader van de schuldsanering ook om een rechtens relevant feit gaat. Daarbij betrekt het hof tevens de omstandigheid dat de bewindvoerder juist vanwege dit nieuwe feit op de op 9 januari 2012 gehouden eindzitting bij de rechtbank van oordeel was, dat het niet naar waarheid verklaren haars inziens niet strookte met de voor [verweerster] voortvloeiende verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Daarmee gaf de bewindvoerder voor het eerst een concreet advies in het kader van de vraag, of aan [verweerster] de schone lei moest worden verleend. Ook dit is een nieuw gegeven waarmee, reeds indachtig de rol die de bewindvoerder heeft, naar het oordeel van het hof moet worden rekening gehouden.

3.7.2. Het hof stelt, gelet op zowel de inhoud van de overgelegde gedingstukken (waarbij in voorkomend geval overigens adequate verwijzingen ontbreken) als hetgeen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren is gekomen, vast, dat de inhoud van de voornoemde brief van mr. Ganzeboom niet overeenstemt met hetgeen [verweerster] tijdens een eerder ten overstaan van de rechter-commissaris gehouden getuigenverhoor heeft verklaard, waarbij [verweerster] ook nog eens onder ede stond. Het hof stelt evenzeer vast dat [verweerster] de inhoud van de brief van mr. Ganzeboom, die zich niet laat rijmen met het proces-verbaal van getuigenverhoor, niet, althans niet gemotiveerd, in hoger beroep heeft betwist. Het enige dat [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren heeft gebracht is dat, zakelijk weergegeven, het bij de brief van mr. Ganzeboom niet zou gaan om een nieuw feit dat op de boedel effect heeft.

Het gaat naar het oordeel van het hof echter niet om de vraag of het al dan niet een nieuw feit betreft dat op de boedel effect heeft, althans niet uitsluitend, maar om het al dan niet nieuwe feit of [verweerster] destijds wel op correcte en betamelijke wijze aan haar inlichtingen- en informatieplicht heeft voldaan. Zoals hiervóór al werd overwogen, dient ook zonder dat dit effect op de boedel blijkt te hebben, een schuldenaar steeds aan de informatie- en inlichtingenplicht te voldoen gedurende de in artikel 349a Fw bedoelde looptijd van de schuldsanering en dan nog ongeacht of de gewenste informatie tevens betrekking heeft op een periode die aan de in artikel 349a Fw bedoelde looptijd voorafgaat. [verweerster] heeft hieraan niet voldaan daargelaten nog, dat de door [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gemaakte opmerking dat de brief van mr. Ganzeboom geen effect op de boedel heeft een opmerking is die, zo al rechtens relevant, gemaakt is met de kennis van nu. Ten tijde van het getuigenverhoor stond dit nog niet vast, mede reden ook waarom een getuigenverhoor was gelast alwaar werd verwacht dat ook [verweerster] volledig en naar waarheid zou verklaren. Dat [verweerster] dit niet heeft gedaan acht het hof niet alleen in strijd met de op haar rustende informatie- en inlichtingenplicht, maar tevens, nu zij immers onder ede is ondervraagd, ook onbehoorlijk gedrag dat in het kader van de schuldsaneringsregeling een saniet niet betaamt, zelfs al zou niet – precies – zijn voldaan aan het bepaalde in artikel 207 Sr nu het in het kader van de schuldsanering immers om een andere toets gaat. In het licht van het voorgaande gaat het in het geval van de brief van mr. Ganzeboom bovendien om een rechtens relevant nieuw feit waarvan het hof noch eerder de rechtbank kennis droeg en dat reeds op die grond bij de beoordeling in het kader van artikel 354 Fw moet worden betrokken. In dit verband wijst het hof ook op het advies van de bewindvoerder uit januari 2012.

3.7.3. Dat het hierboven, ofschoon al ernstig genoeg, niet om een eenmalig ernstig tekortschieten zijdens [verweerster] gaat, blijkt onder meer uit de omstandigheid dat zij tijdens de mondelinge behandeling in appel heeft verklaard dat zij tijdens het getuigenverhoor in verband met eventuele repercussies ook heeft verzwegen dat haar man eigenaar was van de boot. Daarmee geeft [verweerster] in feite toe dat, hoewel haar ook nog eens onder ede om informatie werd gevraagd, zij destijds welbewust informatie heeft achtergehouden. In het kader van de beantwoording van de aan haar gestelde vragen heeft [verweerster] destijds geen kenbaar en legitiem voorbehoud gemaakt, terwijl de gedingstukken van de mogelijkheid van eventuele repercussies overigens onvoldoende blijk geven. In het proces-verbaal van verhoor van 28 januari 2010 heeft [verweerster] overigens verklaard dat zij, in verband met de eigendomskwestie van de boot, niet onder druk werd gezet, hetgeen eerder op het tegendeel van mogelijke repercussies lijkt te wijzen.

3.7.4. Inzake de erfenis heeft [verweerster] niet aannemelijk kunnen maken dat zij de door de bewindvoerder gevraagde boedelbeschrijving al eerder heeft opgestuurd aan mevrouw Ouwerling, daargelaten nog dat de huidige bewindvoerder Ouwerling al op 8 augustus 2011 formeel is opgevolgd en haar voordracht van 21 november 2011 er nu juist blijk van geeft dat zij haar advies over het al dan aan [verweerster] verstrekken van de schone lei wilde aanhouden in afwachting van nadere informatie over de erfenis en de boedel (zie eerder bijvoorbeeld ook de brief van de bewindvoerder d.d. 29 november 2011). Uit de gedingstukken blijkt niet dat [verweerster] zich tegen dit uitstel heeft verzet op de grond dat zij alle informatie over de erfenis en de aangifte al zou hebben verstrekt. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de bewindvoerder desgevraagd nadrukkelijk verklaard dat zij, anders dan door [verweerster] aldaar werd aangevoerd, nog steeds geen boedelbeschrijving van [verweerster] had ontvangen. Dat [verweerster], ofschoon het op haar weg had gelegen om dit aan te tonen, vervolgens geen boedelbeschrijving aan het hof heeft getoond noch heeft aangeboden om alsnog aan te tonen dat zij al eerder een boedelbeschrijving aan mevrouw Ouwerling heeft gezonden, maakt haar toch al niet onderbouwde verklaring er niet geloofwaardiger op. Reeds gelet op deze handelwijze acht het hof onvoldoende termen aanwezig om de zaak met het oog op de erfenis aan te houden zoals door [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep werd verzocht.

3.7.5. Bovengenoemde omstandigheden, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, maken dat naar het oordeel van het hof [verweerster] gedurende de periode van haar schuldsanering op wezenlijke momenten niet aan informatieverplichting heeft voldaan en dat zij, door in voorkomend geval niet altijd volledig en/of naar waarheid te verklaren na daartoe nota bene te zijn uitgenodigd, onvoldoende blijk heeft gegeven van behoorlijk gedrag dat in het kader van de schuldsaneringsregeling past. Zo bezien, is, nu het – gedeeltelijk – ook gaat om gedrag van na 11 oktober 2011, zijnde de datum van het arrest van dit hof waarbij het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 april 2011 werd bekrachtigd, wel degelijk – gedeeltelijk - sprake van rechtens relevante nieuwe gegevens of feiten, welke feiten tevens in samenhang met al eerder bekende gegevens en feiten moeten worden bekeken. Daarbij is de grondslag niet dat deze feiten – direct – effect hebben gehad op de boedel (want dat hebben zij mogelijk niet) noch dat [verweerster] meineed heeft gepleegd (want dat is een strafrechtelijke kwestie waarvan de uitkomst nog ongewis is), maar dat, mede door de in appel overgelegde brief van mr. Ganzeboom, thans duidelijk, althans voldoende aannemelijk, is geworden dat [verweerster] niet altijd volledig en/of naar waarheid heeft verklaard, waarmee zij op cruciale momenten (immers op bepaalde zittingen) er tevens van blijk heeft gegeven niet het gedrag te vertonen dat van een schuldenaar in het kader van de schuldsanering mag worden verwacht: behoorlijk gedrag, althans geen wangedrag. Het betreft hier tekortkomingen die naar het oordeel van het hof aan [verweerster] kunnen worden toegerekend en waarvan, gelet op het bovenstaande, in redelijkheid niet kan worden geoordeeld dat deze tekortkomingen gezien hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing kunnen blijven. Dienaangaande is namens [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling in appel trouwens ook onvoldoende gesteld.

3.8. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat [verweerster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dat aan [verweerster] derhalve niet de “schone lei” kan worden verleend.

3.9. Het vonnis, waarvan beroep, zal worden vernietigd.

4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover daarin is bepaald dat [verweerster] niet (toerekenbaar) in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt vast dat [verweerster] toerekenbaar in de nakoming één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

verstaat dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling is beëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden;

bekrachtigt dit vonnis voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.Th.L.G. Pellis, Th.A. Pouw en J.H.Th. Veldman en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2012.