Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW0820

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
HV 200.086.893-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2011:BP5731, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nieuw geval.

Verlenging alimentatietermijn?

Speelt arbeidsongeschiktheid ontstaan na het huwelijk een rol?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2012/83

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 3 april 2012

Zaaknummer: HV 200.086.893/01

Zaaknummer eerste aanleg: 143853 / FA RK 09-1235

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.P.M. van Erp,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J.G.M. Daemen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Maastricht van 11 februari 2011.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 mei 2011, heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- primair: de termijn gedurende welke de man gehouden is in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bij te dragen te verlengen tot aan de 66-jarige leeftijd van de vrouw;

- subsidiair: voornoemde termijn te verlengen tot aan de 65-jarige leeftijd van de man en daarbij te bepalen dat de verdere verlenging na ommekomst van die termijn mogelijk is.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juli 2011, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans dit verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

Tevens heeft de man daarbij incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de verplichting tot het doen van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 5 januari 2010 is geëindigd.

2.2.1. Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 13 september 2011, heeft de vrouw verzocht de grieven van de man te verwerpen en de man te veroordelen in de kosten van het incidenteel appel.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 februari 2012. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door mr. Van Erp;

- de man, bijgestaan door mr. Daemen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 april 2010;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 26 januari 2012;

- de brief met bijlage van de advocaat van de man d.d. 16 februari 2012.

3. De beoordeling

In principaal en incidenteel appel

3.1. Partijen zijn op 18 september 1979 met elkaar gehuwd.

3.2. Bij beschikking van 4 december 1997 heeft de rechtbank Maastricht tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 5 januari 1998 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank voorts bepaald dat, voor zover thans van belang, het echtscheidingsconvenant van partijen d.d. 15 september 1997 onderdeel uitmaakt van die beschikking, waarin is bepaald dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van fl. 2.300,- (€ 1.043,69) per maand moet voldoen.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de termijn gedurende welke de man gehouden is in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bij te dragen verlengd tot uiterlijk 5 januari 2013, onder bepaling dat na ommekomst van die termijn geen verlenging daarvan meer mogelijk is.

3.3. Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De vrouw voert in het beroepschrift en verweerschrift op het incidenteel appel, zoals aangevuld ter zitting, samengevat, het volgende aan.

Uit de overgelegde medische informatie blijkt dat de vrouw al sinds haar geboorte lijdt aan diverse progressieve aandoeningen. Omdat de aandoeningen progressief zijn, zullen de klachten en de beperkingen van de vrouw alleen maar toenemen en is er geen sprake van een zogenaamde medische eindtoestand. De vrouw dient allerhande ziekte- en andere onkosten te maken die niet worden vergoed door enigerlei verzekering.

De vrouw kan dan ook niet, waartoe de rechtbank haar in staat acht, gedurende de verlengde termijn van drie jaar reserveren voor de na ommekomst van de verlengde termijn resterende periode van vier jaar totdat de vrouw aanspraak kan maken op het verevende gedeelte van het ouderdomspensioen van de man.

In afwachting van de bestreden beschikking was de vrouw afhankelijk van een bijstandsuitkering. De vrouw was daardoor niet in staat om een aantal medisch noodzakelijke, doch niet vergoede uitgaven te doen, waardoor de medische klachten van de vrouw ernstig zijn toegenomen en zij uiteindelijk vanaf september 2010 tot aan het voorjaar van 2011 volledig aan bed gekluisterd is geweest. De feitelijke situatie is derhalve anders dan die waarin de vrouw zou verkeren als de man vanaf 5 januari 2010 de alimentatie zou hebben doorbetaald. De vrouw meent dan ook dat de alimentatietermijn dient te worden verlengd tot aan de datum dat de vrouw de 66-jarige leeftijd heeft bereikt, in 2024. Alsdan heeft de vrouw naast de pensioenuitkering van de man ook recht op een AOW-uitkering. De vrouw meent daarnaast dat na ommekomst van de verlengde termijn een verlenging mogelijk moet blijven indien het hof de door de vrouw verzochte verlengde termijn tot aan haar 66-jarige leeftijd niet toewijst.

De vrouw betwist dat er geen sprake zou zijn van een ingrijpende inkomensachteruitgang. Op de door de man genoemde toeslagen wordt bezuinigd. De gemeente heeft geen toeslagenregeling voor medische kosten. Het regiovervoer is gelimiteerd tot vijf zones, zodat dit voor de vrouw nauwelijks een alternatief is. De langdurigheidstoeslag zal de vrouw pas ontvangen als zij vijf jaar of langer is aangewezen op een bijstandsuitkering. Indien de man inderdaad vervroegd met pensioen gaat, zal de gemeente het door de vrouw ontvangen pensioen verrekenen met haar uitkering. De vrouw betwist zelf pensioenaanspraken te hebben opgebouwd. De medische klachten waren al tijdens het huwelijk aanwezig. In 1995 is de diagnose struma gesteld. In 1992 is de vrouw bij de huisarts geweest in verband met klachten over een zweverig gevoel en duizeligheid. De dystonie waaraan de vrouw nog steeds lijdt is voor het eerst vastgesteld, althans het ontstaan daarvan is bepaald op de adolescentie van de vrouw. De vrouw is sinds 2007 arbeidsongeschikt. De vrouw heeft er alles aan gedaan om te werken, maar dat is haar, gelet op haar beperkingen, niet gelukt.

3.5. De man brengt daar in het verweerschrift tevens incidenteel appel zoals aangevuld ter zitting, samengevat, tegen in dat de achteruitgang in inkomen van de vrouw bij verval van de alimentatie nagenoeg nihil is. De vrouw zal bij verval van de alimentatie naast haar WAO-uitkering een aanvullende bijstandsuitkering ontvangen, alsmede zorgtoeslag en huurtoeslag. Daarbovenop maakt de vrouw aanspraak op een aantal extra vergoedingen. Bovendien heeft zij recht op categoriale bijzondere bijstand, langdurigheidstoeslag, tegemoetkoming maatschappelijke deelname, deelname aan een collectieve ziektekostenverzekering en recht op aangepast vervoer. Ten slotte heeft de vrouw over de periode van februari 2003 tot en met december 2009 € 15.858,28 te veel alimentatie ontvangen en zal zij al in 2013 extra inkomsten gaan ontvangen uit het ouderdomspensioen van de man, nu de man naar verwachting alsdan vervroegd met pensioen gaat. De vrouw kan ook een beroep doen op haar eigen ouderdomspensioenrechten.

De man betwist dat sprake was van een traditioneel huwelijk. De man betwist dat er een oorzakelijk verband is tussen het huwelijk en de huidige behoeftigheid. Volgens de man heeft de vrouw pas door de dystonie beperkingen gekregen. Ten tijde van de echtscheiding waren er geen medische beperkingen en beletselen om fulltime te werken of parttime te werken en daarnaast voortvarend te studeren. De man is van mening dat de gevolgen van de arbeidsongeschiktheid van de vrouw niet op hem kunnen worden afgewenteld. De vrouw heeft zich na de scheiding onvoldoende ingespannen om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Ten slotte stelt de man dat hij als gevolg van de bestreden beschikking in een negatieve emotionele spiraal is terechtgekomen en een gevoel van onmacht, verdriet, pijn en boosheid niet van zich af kan zetten.

3.6. Het hof overweegt als volgt.

3.6.1. Op het onderhavige verzoek is van toepassing de Wet houdende Wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering na scheiding. Deze wet is in werking getreden op 1 juli 1994. Op grond van het bij deze wet geïntroduceerde artikel 1:157 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, indien de rechter niet eerder een (andere) termijn heeft vastgesteld.

In het onderhavige geval heeft de rechter niet eerder een (andere) termijn vastgesteld. De echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 5 januari 1998, zodat de alimentatieverplichting ingevolge artikel 1:157 lid 4 BW van rechtswege is geëindigd op 5 januari 2010.

3.6.2. Op grond van artikel 1:157 lid 5 BW kan de rechter, indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot de uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Voor deze verlenging zijn bijzondere omstandigheden aan de zijde van de alimentatiegerechtigde nodig en deze draagt ook de stelplicht en de bewijslast terzake. In de parlementaire geschiedenis is het uitzonderingskarakter van deze verlengingsmogelijkheid benadrukt. Of er grond voor verlenging bestaat, zal moeten worden beoordeeld in het licht van de strekking van de regeling. Daarbij zal, naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer van belang kunnen zijn in hoeverre haar behoefte aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk en of zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijze mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken (HR 19 december 2008, LJN BF3928).

3.6.3. Wat de financiële situatie van de - alimentatiegerechtigde - vrouw betreft, merkt het hof allereerst het volgende op. De vrouw ontvangt thans een WAO-uitkering die per 1 januari 2010, inclusief toeslagenwet en vakantietoeslag, € 455,- bruto per maand bedraagt en partneralimentatie ten bedrage van € 1.402,- bruto per maand. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de vrouw na beëindiging van de partneralimentatie aangewezen zal zijn op een inkomen bestaande uit een WAO-uitkering, inclusief toeslagen, en een aanvullende bijstandsuitkering. Met de huurtoeslag en de zorgtoeslag dient bij de berekening van de inkomensachteruitgang van de vrouw geen rekening te worden gehouden. Deze toeslagen zien immers op een tegemoetkoming in de kosten van de premie ziektekostenverzekering en de huur. Het huidige netto inkomen van de vrouw bedraagt € 1.442,- per maand, zodat wanneer de vrouw bij beëindiging van de partneralimentatie terugvalt op een inkomen op bijstandsniveau (voor een alleenstaande per 1 januari 2011 maximaal € 919,70), sprake is van een inkomensdaling van 36%. Het hof is van oordeel dat deze inkomensachteruitgang als ingrijpend moet worden beschouwd.

3.6.4. De vrouw heeft voorts betoogd dat haar arbeidsongeschiktheid voortspruit uit diverse aandoeningen waaraan zij al leed in de tijd van (of zelfs vóór) haar huwelijk. Dit betoog is er kennelijk op gericht dat de behoefte van de vrouw aan voortduring van haar uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk. Wat hiervan ook zij, het hof volgt de vrouw niet in haar betoog. De vrouw heeft weliswaar een aantal stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat ten tijde van de echtscheiding sprake was van zekere medische beperkingen, maar verdergaande conclusies inzake arbeidsongeschiktheid, zoals door de vrouw voorgestaan, laten zich daaruit naar het oordeel van het hof niet afleiden. De vrouw heeft met name nagelaten stukken, zoals arbeidsdeskundige (keurings)rapporten over te leggen, waaruit blijkt dat zij vanwege die beperkingen toen niet in staat was of later (mogelijk) niet in staat zou zijn een inkomen te genereren, hetgeen gelet op de gemotiveerde betwisting van de man dienaangaande wel op haar weg had gelegen, temeer daar de vrouw, ondanks haar voornoemd standpunt, gedurende het huwelijk, lange tijd fulltime heeft gewerkt.

3.6.5. Het hof is voorts van oordeel dat het feit dat de vrouw anderhalf jaar na de ontbinding van het huwelijk arbeidsongeschikt is verklaard en om die reden na het verstrijken van de termijn van twaalf jaren niet in haar levensonderhoud kan voorzien, op zichzelf beschouwd niet een bijzondere omstandigheid is die noopt tot verlenging van de termijn als bedoeld in artikel 1:157 lid 5 eerste volzin BW.

3.6.6. Anderzijds staat, zoals de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 6 november 2009, LJN BJ7004, de enkele omstandigheid dat het ontbreken van de verdiencapaciteit bij de alimentatiegerechtigde het gevolg is van arbeidsongeschiktheid die is ontstaan na de echtscheiding, er niet aan in de weg dat de rechter die gezondheidstoestand of arbeidsongeschiktheid als factor in aanmerking neemt bij de beantwoording van de vraag of bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die meebrengen dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Aan de strekking van artikel 1:157 BW kan niet worden ontleend dat aan omstandigheden die geen verband houden met het huwelijk elk belang moet worden ontzegd, maar welk gewicht aan de arbeidsongeschiktheid van de alimentatiegerechtigde toekomt, dient volgens de Hoge Raad van geval tot geval te worden bezien in het geheel van de in aanmerking te nemen omstandigheden, waaronder de mogelijkheden die de alimentatiegerechtigde gelet op haar leeftijd, gezondheidstoestand, arbeidsverleden en achtergrond redelijkerwijs heeft gehad om zich in de periode van twaalf jaar een eigen inkomen te verwerven.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting van het hof is gebleken dat partijen ruim achttien jaar gehuwd zijn geweest. De vrouw was ten tijde van de echtscheiding veertig jaar oud en de kinderen respectievelijk dertien en twaalf jaar oud. Naar het oordeel van het hof was, anders dan door de vrouw naar voren is gebracht, geen sprake van een zogenoemd traditioneel huwelijk. De vrouw heeft voorafgaand aan en tijdens het huwelijk fulltime gewerkt. Vlak voor de geboorte van het eerste kind van partijen, in 1985, is de vrouw gestopt met werken. In 1993 is de vrouw weer volledig begonnen. Vanaf 1995 heeft de vrouw in de thuiszorg gewerkt. In 1997 is de vrouw, in deeltijd, gestart met een HBO-opleiding theologie welke zij in 2004 heeft voltooid. Tot in de loop van 2000 heeft de vrouw haar opleiding gecombineerd met haar werkzaamheden in de thuiszorg. Vanaf 2 juni 2000 heeft de vrouw recht gekregen op een WAO-uitkering aangezien zij op dat moment 52 weken 80-100% arbeidsongeschikt was.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, in het licht van het bovenstaande, in het bijzonder haar leeftijd, werkervaring en opleidingsniveau voldoende mogelijkheden gehad om zich in de meergenoemde periode van twaalf jaar een eigen inkomen te verwerven. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de vrouw haar HBO-opleiding heeft afgerond binnen de daarvoor gegeven tijd, ondanks dat de vrouw stelt dat toen reeds sprake was van dusdanige medische beperkingen dat zij arbeidsongeschikt was, en - voorts - van (afgewezen) sollicitaties door de vrouw tijdens die opleiding en met name in de periode daarna niet is gebleken. Het feit dat de vrouw een volledige WAO-uitkering heeft ontvangen, doet aan dit oordeel niet af nu die uitkering zag op het werk van de vrouw in de thuiszorg, welk werk fysiek zwaar te noemen is terwijl zij met name door haar opleiding op HBO-niveau geacht mag worden in staat te zijn geweest ook met fysiek minder zwaar werk een inkomen te verwerven. De vrouw heeft, ten slotte, ook niet aannemelijk kunnen maken dat de beperkingen die indertijd geleid hebben tot de WAO-uitkering het haar onmogelijk maakten te solliciteren naar fysiek minder belastend werk. De man kan in het onderhavige geval derhalve niet in financiële zin verantwoordelijk worden gehouden voor de ná de echtscheiding opgekomen arbeidsongeschiktheid van de vrouw.

3.6.7. Van andere bijzondere omstandigheden aan de zijde van de vrouw die meebrengen dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, is het hof niet gebleken. In het bijzonder is niet voldoende gesteld, althans aannemelijk gemaakt, dat de vrouw alles heeft gedaan wat redelijkerwijze van haar mocht worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken.

3.7. Het voorafgaande leidt tot de slotsom dat er geen voldoende grond is voor verlenging als bedoeld in artikel 1:157 lid 5 BW. De beschikking waarvan beroep, dient dan ook te worden vernietigd.

Proceskosten

3.8. De proceskosten van het incidenteel appel worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4. De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Maastricht van 11 februari 2011;

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog het inleidende verzoek van de vrouw af;

compenseert de op het incidenteel appel gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, P.C.G. Brants en G.J. Vossestein en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2012.